Выбрать главу

Toch was er geen reden om erover te zwijgen. Amys en haar stel konden nu wel zeggen dat hij niet over Rhuidean mocht praten, maar hij was geen Aiel. Bovendien kon het hem van pas komen als er iemand bij de marskramers was die hem ter wille kon zijn, iemand die eventueel een goed woordje voor hem kon doen.

Hij vertelde het hele verhaal, vanaf dat hij de muur van mist bereikte tot het moment dat ze er weer uit kwamen, waarbij hij enkele stukken zorgvuldig oversloeg. Hij wilde een vreemde niets vertellen over die vreemde doorgang, de ter’angreaal, en hij vergat veel liever die schepsels die zich uit zand hadden gevormd en hen wilden doden. Die vreemde stad van grote paleizen stopte hij er in ieder geval wel in, en Avendesora ook.

Natael ging heel vluchtig over de Levensboom heen, maar hij vroeg Mart telkens weer naar al het andere, vroeg steeds meer bijzonderheden, van hoe het had gevoeld om door die mist heen te lopen en hoelang het duurde naar de kleur van dat schaduwloze licht erbinnen tot de beschrijving van elk voorwerp dat Mart zich herinnerde van dat grote plein in het midden van de stad. Daar was Mart terughoudend over. Een kleine verspreking en hij zou iets moeten vertellen over de ter’angrealen en wie wist waartoe dat kon leiden? Hij dronk zijn hele pul leeg en bleef praten tot zijn keel uitgedroogd voelde. Zoals hij het vertelde, klonk het allemaal heel saai. Alsof hij er gewoon naar binnen was gelopen, op Rhands vertrek had gewacht en daarna weer naar buiten was gewandeld, maar Natael leek heel vastberaden iedere kleinigheid op te diepen. Dat herinnerde Mart aan Thom. Soms richtte Thom ook al zijn aandacht op iemand als hij van plan was hem helemaal uit te wringen. ‘Wat is hiervan de bedoeling?’

Onwillekeurig veerde Mart recht bij het geluid van Keilies stem, hard onder de zoet vloeiende toon. De vrouw maakte hem schichtig en ze leek nu bereid hem het hart uit zijn lijf te rukken, en ook dat van de speelman.

Natael krabbelde overeind. ‘Deze jongeman heeft me uiterst boeiende dingen over Rhuidean verteld. Je zult het niet willen geloven.’

‘We zijn hier niet voor Rhuidean.’ De woorden klonken even scherp als haar haakneus. Gelukkig stond ze nu alleen Natael woest aan te staren.

‘Als ik je zeg...’

‘Je zegt me niets.’

‘Probeer me niet het zwijgen op te leggen.’

Ze negeerde Mart en samen begaven ze zich in de richting van de wagens, zacht ruzie makend en hevig gebarend. Tegen de tijd dat ze in hun wagen verdwenen, leek Keille te zijn afgeblaft tot een grimmig zwijgen.

Mart rilde. Hij moest er niet aan denken dat hij met die vrouw onder één dak woonde. Alsof je het hol van een beer met een zere kies deelde. Isendre, daarentegen... Dat gelaat, die lippen, dat heupwiegen. Als hij haar uit de buurt van Kadere kon krijgen, zou ze dan misschien een jonge held... Voor haar wilde hij die zandgriezels wel tien voet hoog maken, zou hij alles tot in de kleinste kleinigheid willen vertellen, alles wat hij zich herinnerde of kon verzinnen. Een knappe jonge held zou haar toch beter bevallen dan een saaie oude marskramer. Toch de moeite waard daar eens over na te denken.

De zon zakte onder de horizon en kleine kampvuurtjes van doormakken maakten cirkels geel licht tussen de tenten. De geur van voedsel hing in het kamp, geroosterd geitenvlees met gedroogde pepers. De kou sloop ook tussen de tenten door; de nachtkou van de Woestenij. Het leek of de zon alle hitte had meegenomen. Toen Mart zijn spullen in de Steen bij elkaar had gepakt, had hij nooit verwacht dat hij een dikke mantel nodig zou hebben. Misschien hadden de marskramers er een. Misschien wilde Natael wel om zijn mantel dobbelen. Hij at bij het kookvuur van Rhuarc, met Heirn en Rhand, én uiteraard Aviendha. De marskramers zaten er ook, Natael en Isendre dicht bij Keille, allen in een kluitje rond Kadere. Het zou mogelijk lastiger zijn Isendre van die snavelneus te scheiden dan hij had gehoopt, of gemakkelijker. Maar of ze zich aan de kramer vastklampte of niet, ze keek alleen zwoel naar Rhand en naar niemand anders. Het leek net of ze zijn oren al had gebrandmerkt als een schaap voor haar kudde. Het leek Rhand noch Kadere op te vallen; de marskramer hield Rhand voortdurend in het oog. Het viel Aviendha ook op, die Rhand vervolgens boos begon aan te kijken. Nou ja, het vuur was tenminste lekker warm. Toen het vlees op was – en een deel van die pittige moes die heter was dan het leek – stopten Rhuarc en Heirn korte pijpen en vroeg het stamhoofd Natael om een lied.

De speelman knipperde met z’n ogen. ‘Och ja, natuurlijk. Ik haal even een harp.’ Zijn mantel bolde wijd uit in de droge, koude wind toen hij naar Keilies wagen liep.

Die man was zeker geen Thom Merrilin. Als Thom ’s morgens opstond, had hij zijn harp en fluit meteen bij de hand. Mart stopte zijn pijp met de zilveren kop en zat voldaan te puffen tegen de tijd dat Natael terugkwam en een houding aannam die een koning zou passen. Dat was net als Thom. Met een akkoord zette de speelman in.

‘Zacht, de winden als lentevingers. Zacht, de regens als hartentranen. Zacht gaan jaren in blijdschap heen, Duiden nooit op komende stormen. Duiden nooit op woeste wervelwinden, Nooit op kletterend staal en donderende strijd, Nooit op oorlogen die het hart verscheuren.’

Het was Mideans fort. Een oud lied. Vreemd genoeg van Manetheren en over een oorlog, lang voor de Trollok-oorlogen. Natael deed het redelijk, vertolkte het niet zo mooi als Thom natuurlijk, maar de krijgshaftige tekst trok een dikke kring van Aieltoehoorders. De schurkachtige Aedomon leidde de Saferi brandschattend en plunderend naar het nietsvermoedende Manetheren. Ze dreven iedereen voor zich uit, tot koning Buiryn de mannen van Manetheren opriep en het leger van de Saferi’s bij Mideans voorden tegenhield. Buiryn hield het veel grotere leger daar drie dagen van onophoudelijke strijd tegen, terwijl de rivier bloedrood kleurde, het leger van Manetheren zware verliezen leed en de hoop verdween. Buiryn en zijn mannen vochten zich in een wanhopige uitval weg van de voorden, drongen diep in Aedomons horden door in een poging de vijand terug te drijven en Aedomon zelf te doden. Maar een te grote strijdmacht trok zich rond hen samen, sloot hen in en dreef hen bijeen. In een kring rond hun koning en de Rode Adelaar-banier streden ze door, weigerend zich over te geven, zelfs toen hun ondergang duidelijk was.

Natael zong over hun moed, hoe die moed zelfs Aedomons hart raakte en hoe hij er ten slotte mee instemde de laatsten een vrije aftocht te gunnen, waarbij hij zijn leger op Safer terugtrok om hen te eren.

‘Terug over het bloedrode water, Op mars met hooggeheven hoofd. Geen overgave van arm of zwaard, Geen overgave van hart of ziel. Eer zij hun, voor altijd en eeuwig. Komende Eeuwen, erken hun eer.’

Hij sloeg het laatste akkoord aan en fluitend betoonden de Aiel hun goedkeuring. Ze roffelden met hun speren op de schilden, waarbij sommigen een hoog jammerend geroep slaakten.

Zo was het uiteraard niet gegaan. Mart herinnerde het zich – Licht, dat wil ik niet! - maar het kwam toch, en hij herinnerde zich Buiryn de raad te hebben gegeven het aanbod niet aan te nemen, waarop hij te horen had gekregen dat de kleinste kans beter was dan geen kans. Aedomon, met zijn glimmende zwarte baard die onder het stalen gezichtsgaas uitstak, trok zijn speerdragers terug en wachtte tot ze in een lange rij wegtrokken en bijna bij de voorden waren, voor de verborgen boogschutters opstonden en zijn ruiterij donderend aan kwam rijden. Wat die terugkeer naar Safer betrof... Mart dacht van niet. Zijn laatste herinnering aan de voorde was dat hij overeind probeerde te blijven, tot zijn middel in de rivier staande, met drie pijlen in zijn lichaam, maar er was nog iets, een stuk van een tijd later. Hij zag Aedomon, nu met een grijze baard, met een speer in zijn rug die een onbeschermde, baardeloze knaap hem in de rug had gegooid. Dit was nog erger dan die lege stukken van zijn geheugen. ‘Vond u het lied niet mooi?’ vroeg Natael.