Выбрать главу

Het duurde even voor Mart besefte dat de man het tegen Rhand had, niet tegen hem. Rhand wreef in zijn handen en keek strak naar de vlammen voor hij antwoord gaf. ik weet niet of het wel zo verstandig is op de edelmoedigheid van een vijand te rekenen. Wat vind jij ervan, Kadere?’

De kramer aarzelde en wierp een blik op de vrouw die zich aan zijn arm vastklampte. ‘Aan dat soort zaken denk ik nooit,’ zei hij eindelijk. ik denk aan winst en verlies, nooit aan veldslagen.’ Keille lachte schor. Tenminste, tot ze Isendres minachtende glimlach naar haar opving, naar de vrouw waar zij wel drie keer in paste, en toen glinsterden haar zwarte ogen gevaarlijk vanachter die lagen vet. Opeens stegen er waarschuwingskreten op uit het duister achter de tenten. De Aiel trokken snel hun sluiers voor het gezicht en even later verschenen er Trolloks met hun muilen, bekken en hoorns uit de nacht. Ze rezen hoog boven de mensen op, jankend en zwaaiend met hun zeisachtige zwaarden, stekend met speren met weerhaken en puntige drietanden, hakkend met spiesbijlen. Met hen verschenen Myrddraal als dodelijke, oogloze slangen. Het duurde maar een hartslag, maar de Aiel streden alsof ze al veel eerder waren gewaarschuwd en vingen de aanval met hun eigen flitsende speren op.

Mart besefte vaag dat Rhand opeens dat vlammende zwaard in de hand had, maar werd toen in de maalstroom opgenomen. Hij gebruikte zijn speer als speer en vechtstok, slag en stoot, fluitend in de lucht. Voor het eerst was hij blij met zijn droomherinneringen. De manier om dit wapen te gebruiken leek hem bekend en hij had al zijn kunde nodig. Het was een waanzinnige wanorde.

Vlak voor hem rezen Trolloks op en gingen neer door zijn speer of door een Aielspeer, of ze verdwenen in de verwarring van geschreeuw, gehuil en kletterend staal. Hij bevocht Myrddraal, zwarte klingen stootten met blauwe bliksemflitsen op zijn ravenstaal, en verdwenen weer in het tumult. Tweemaal flitste een korte speer vlak langs zijn hoofd, die Trolloks troffen die hem van achter bedreigden. Hij stootte de korte speerkling in de borst van een Myrddraal en wist dat hij zou sterven als die niet neerging. De Halfman grijnsde met bloedeloze lippen en oogloze blik die de vrees door zijn botten joeg en trok zijn zwarte zwaard terug. Een moment later schoot de Halfman omhoog, toen tientallen Aielpijlen hem van alle kanten doorboorden. De Schim schokte omhoog, waardoor Mart achteruit kon springen, en toen het wezen viel, probeerde hij Mart tijdens zijn val neer te maaien, wilde het alles neerslaan.

Tientallen keren kon zijn ijzerharde zwarte speerschacht een Trollok-slag nog maar net afweren. Het was iets wat de Aes Sedai hadden gemaakt en daar was hij blij om. De zilveren vossenkop op zijn borst leek te kloppen van kou, leek hem eraan te herinneren dat die ook het kenteken van de Aes Sedai droeg. Maar op dat moment gaf hij er niets om. Als zo’n ding van de Aes Sedai nodig was om hem in leven te houden, was hij bereid Moiraine als een schoothondje te volgen. Hij zou niet eens kunnen zeggen of het een korte strijd was of dat het de hele avond duurde, maar ineens waren er geen Myrddraal of Trolloks meer in zicht, hoewel geroep en gehuil spraken van een achtervolging. Overal lagen doden en stervenden, Aiel en Schaduwgebroed, terwijl de Halfmannen nog verkrampt schokten. Gekreun vulde de lucht met pijn. Opeens besefte hij dat zijn spieren wel water leken en zijn longen in brand stonden. Hijgend zakte hij door zijn knieën, steun zoekend bij zijn speer. Vlammen maakten laaiende vuren van drie huifkarren. Een voerman was met een Trollokspeer aan zijn wagen gespiest en enkele tenten stonden in brand. Geschreeuw klonk uit het Shaido-kamp op en een lichtgloed die te fel was voor kampvuren, vertelde dat zij eveneens waren aangevallen.

Met het vlammende zwaard nog in de hand kwam Rhand naar Mart toe. ‘Ben je in orde?’ Aviendha volgde hem als een schaduw. Ze had ergens een speer en een schild gevonden en een punt van haar sjaal opgetrokken bij wijze van sjoefa. Zelfs in haar rok zag ze er dodelijk uit. ‘O, met mij is het best,’ mompelde Mart, zich oprichtend. ‘Er is toch niets beters dan een dansje met de Trolloks voor je lekker onder de dekens kunt kruipen. Nietwaar, Aviendha?’ Ze deed de sjaal omlaag en keek hem met een strakke glimlach aan. Die vrouw had er waarschijnlijk van genoten. Zijn lichaam zat onder het zweet en hij dacht dat het op z’n huid in ijs zou veranderen.

Moiraine en Egwene verschenen met twee Wijzen, Amys en Bair, en maakten een ronde langs alle gewonden. Het beven van haar Heling volgde de Aes Sedai, hoewel ze soms slechts het hoofd schudde en verder liep.

Rhuarc kwam met een grimmig gezicht aanlopen. ‘Slecht nieuws?’ vroeg Rhand kalm.

Het stamhoofd gromde. ‘Afgezien van de Trolloks, die hier helemaal niet zouden moeten zijn, en zeker niet zo’n tweehonderd roede van de plek waar ze horen? Misschien. Ongeveer een vijftigtal Trolloks hebben het kamp van de Wijzen aangevallen. Genoeg om die te overweldigen als Moiraine Sedai er niet was geweest en ze niet heel veel geluk hadden gehad. Maar het schijnt dat de Shaido door minder Trolloks zijn aangevallen dan wij, hoewel zij een veel groter kamp hebben en dus had het omgekeerde eigenlijk het geval moeten zijn. Ik zou bijna denken dat ze alleen werden aangevallen om te voorkomen dat ze ons kwamen helpen. Niet dat je op hulp van de Shaido mag rekenen, maar dat konden de Trolloks en de Nachtlopers niet weten.’

‘En als ze wisten dat er zich een Aes Sedai bij de Wijzen bevond,’ zei Rhand, ‘kon die aanval ook bedoeld zijn om hen van ons weg te houden. Ik trek vijanden aan, Rhuarc. Denk daaraan. Waar ik ook ben, mijn vijanden zijn nooit ver weg.’

Isendre stak haar hoofd uit de voorste wagen. Even later klom Kadere langs haar naar buiten en dook zij weer terug, waarbij ze de witgeverfde deur achter hem sloot. Hij stond rond te kijken naar de slachting en het licht van zijn brandende wagens trok schaduwen over zijn gezicht. Vooral de groep rond Mart had zijn volle aandacht. Voor zijn wagens leek hij geen belangstelling te hebben. Ook Natael stapte uit Keilles wagen. Hij zei iets tegen haar achter zich, terwijl hij zijn ogen op Mart en de anderen hield gericht.

‘Dwazen,’ mompelde Mart, half in zichzelf. ‘Je in een wagen verstoppen alsof dat voor een Trollok enig verschil uitmaakt. Ze hadden net zo goed levend geroosterd kunnen worden.’

‘Ze leven nog,’ merkte Rhand op en Mart besefte dat hij hen ook had gezien. ‘Dat is altijd belangrijk, Mart, wie blijft er in leven. Net als met dobbelstenen. Je kunt niet winnen als je niet kunt spelen en je kunt niet spelen als je dood bent. Wie zal zeggen welk spelletje de kramers spelen?’ Hij lachte stil en het vlammende zwaard verdween uit zijn handen.

‘Ik ga kijken of ik nog wat kan slapen,’ zei Mart, zich omdraaiend. ‘Maak me wakker als de Trolloks weer verschijnen. Of liever: laat ze mij onder de deken maar doodmaken, ik ben te moe om wakker te worden.’

Het ging echt steeds slechter met Rhand. Misschien zou deze avond Keille en Kadere overtuigen dat ze beter om konden draaien. Als ze dat deden, was hij van plan mee te rijden.

Rhand liet zich door Moiraine nakijken. Ze mompelde er in zichzelf bij, hoewel hij niet gewond was. Met de velen die dat wel waren, kon ze de kracht niet missen om zijn vermoeidheid met de Ene Kracht te verdrijven.

‘Die aanval was op jou gericht,’ vertelde ze hem temidden van de kreunende gewonden. De Trolloks werden met lastdieren en de muildieren van de kramers in het donker weggesleept. De Aiel waren blijkbaar van plan de Myrddraal op de plekken te laten liggen waar ze waren gevallen tot ze niet meer zouden bewegen en echt dood waren. De wind stak op als ijs zonder vocht.

‘O ja?’ zei hij. Haar ogen glinsterden in het licht van de vlammen voor ze zich weer tot de gewonden wendde.

Egwene kwam naar hem toe, maar alleen om zachtjes en doordringend te fluisteren: ik weet niet wat je doet, maar je maakt haar van streek. Hou ermee op!’ De blik die ze langs hem heen op Aviendha wierp, liet geen twijfel bestaan over wie ze bedoelde. Ze liep verder om Bair en Amys te helpen voor hij kon zeggen dat hij niets had gedaan. Ze zag er belachelijk uit met die twee vlechtjes met linten. De Aiel vonden dat ook; achter haar rug keken ze haar grijnzend na. Strompelend en huiverend zocht hij zijn tent op. Zo moe was hij nog nooit geweest. Het zwaard was bijna niet in z’n handen verschenen. Hij hoopte dat het door de vermoeidheid kwam. Soms voelde hij helemaal niets als hij naar de Ware Bron reikte en soms wiJde de Kracht niet doen wat hij wilde, maar bijna vanaf het eerste begin was het zwaard altijd zonder enig nadenken verschenen. En juist nu, met die aanval... Het moest zijn vermoeidheid wel zijn.