Выбрать главу

Edorions ogen schoten weer naar Mart en schatten in hoe hij zich voelde. ik heb vandaag een gerucht opgevangen. Ik hoor dat de Drakenheer Tyr ten oorlog laat trekken tegen Illian.’ Mart verslikte zich in zijn wijn. ‘Oorlog?’ spatte hij. ‘Oorlog,’ beaamde Reimon blij rond zijn pijp.

‘Weet je het zeker?’ vroeg Carlomin en Baran voegde eraan toe: ik heb zoiets nog niet gehoord.’

‘Ik heb het nét, vandaag, gehoord, van wel drie of vier mensen.’ Edorion leek geheel verdiept in zijn kaarten. ‘Wie weet of het echt waar is?’

‘Het moet wel waar zijn,’ zei Reimon. ‘Als de Drakenheer ons leidt, met Callandor in zijn vuist, hoeven we niet eens te strijden. Hij zal hun legers alle kanten opjagen en we kunnen regelrecht naar Illian optrekken. Wel jammer, in zekere zin. Bloedvuur, als het niet zo is. Ik zou graag de kans willen hebben de zwaarden te kruisen met zo’n Illianer.’

‘Daar krijg je nooit de kans voor als de Drakenheer het leger leidt,’ zei Baran. ‘Ze vallen al op hun knieën als ze de banier van de Draak zien.’

‘En als ze dat niet doen,’ voegde Carlomin er met een lach aan toe, ‘zal de Drakenheer ze met bliksems van hun slagveld wegjagen.’

‘Eerst Illian,’ zei Reimon. ‘En dan... Daarna veroveren we de wereld voor de Drakenheer. Zeg hem dat maar, Mart. De hele wereld.’ Mart schudde zijn hoofd. Een maand geleden zouden ze het nog in hun broek doen bij de gedachte aan een geleider, een man die gedoemd was krankzinnig te worden en op een afschuwelijke wijze te sterven. Nu waren ze bereid Rhand in de strijd te volgen en op zijn macht te vertrouwen om de slag voor hen te winnen. Vertrouwend op de Ene Kracht, hoewel ze het waarschijnlijk niet zo zouden zeggen. Maar hij veronderstelde dat ze zich ergens aan vast wilden klampen. De onneembare Steen was in de handen van de Aiel. Honderd voet boven hun hoofd bevond de Herrezen Draak zich in zijn vertrekken en hij had Callandor bij zich. Drieduizend jaar van Tyreense overtuiging en geschiedenis lag in scherven en de wereld stond op z’n kop. Hij vroeg zich af of hij zoveel beter af was. Zijn eigen wereld was in minder dan een jaar totaal aan het wankelen gebracht. Hij rolde een gouden Tyreense kroon tussen zijn vingers rond. Hoe goed hij het er ook vanaf had gebracht, hij wilde niet terug. ‘Wanneer trekken we uit, Mart?’ vroeg Baran.

‘Weet ik niet,’ zei hij langzaam, ik denk niet dat Rhand aan een oorlog zou beginnen.’ Tenzij hij al gek is geworden. Maar daaraan wilde hij niet denken.

De anderen keken of hij hun net had verzekerd dat de zon morgen niet op zou komen. ‘We zijn natuurlijk allemaal trouw aan de Drakenheer.’ Edorion keek met diepe rimpels naar zijn kaarten. ‘Maar hierbuiten, op het platteland, hoor ik toch dat sommige hoogheren, enkele hoogheren, hebben getracht een leger te verzamelen om de Steen te heroveren.’ Opeens keek niemand meer naar Man, hoewel Estean nog steeds schijnbaar trachtte zijn kaarten uit te zoeken. ‘Natuurlijk, als de Drakenheer ons ten oorlog voert, zal het allemaal in rook opgaan. In ieder geval, hier in de Steen zijn we trouw. Ook de hoogheren, dat weet ik zeker. Maar je hebt nog te maken met die mensen daarbuiten op het land.’

Hun trouw zou niet langer duren dan hun vrees voor de Draak. Heel even voelde Mart zich alsof hij plannen maakte Rhand in een kuil vol gifslangen achter te laten. Toen drong het weer tot hem door wie Rhand eigenlijk was. Eerder of je een wezel in een kippenren achterlaat. Rhand was zijn vriend geweest. De Herrezen Draak echter... Wie kon bevriend zijn met de Herrezen Draak? Ik laat niemand in de steek. Hij kan waarschijnlijk deze hele Steen op hun hoofden neersmijten, als hij dat wil. Maar ook op mijn hoofd. Weer vertelde hij zichzelf dat het tijd was te verdwijnen.

‘Geen vissersdochters,’ mompelde Estean. ‘Praat je erover met de Drakenheer?’

‘Jouw beurt, Mart,’ zei Carlomin bezorgd. Hij keek enigszins bang, hoewel het onmogelijk viel te zeggen of zijn vrees Estean betrof die Mart weer woest zou maken, of een gesprek dat hun trouw weer zou aansnijden. ‘Koop je een vijfde of pas je?’

Mart besefte dat hij niet had opgelet. Alleen hij en Carlomin hadden nog maar vier kaarten, hoewel Reimon zijn vijf netjes blind naast de pot had neergevleid om aan te geven dat hij eruit was. Mart aarzelde en deed net of hij nadacht, zuchtte toen en gooide opnieuw een munt in de pot.

Toen de zilverkroon een paar keer opsprong, voelde hij plotseling zijn geluk van een paar druppels aanzwellen tot een vloed. Iedere tikje van het zilver op het houten tafelblad rinkelde helder in zijn hoofd. Hij had bij ieder opspringen kruis of munt kunnen roepen en geweten hoe de munt zou neerkomen. Net zoals hij wist wat zijn volgende kaart was voor Carlomin die voor hem neerlegde.

Hij veegde zijn kaarten op de tafel bij elkaar en waaierde ze uit. De Heerser van Vlammen en de andere vier Heersers staarden hem aan. De Amyrlin Zetel hield een vlam in de palm van haar hand, hoewel ze absoluut niet op Siuan Sanche leek. Wat de Tyreners ook van de Aes Sedai vonden, ze erkenden de macht van Tar Valon, zij het dat Vlammen de laagste kleur was.

Hoe groot was de kans dat iemand alle vijf kreeg? Zijn geluk was op z’n best met toevallige dingen, zoals dobbelstenen, maar misschien stroomde er wat meer geluk naar de kaarten over. ‘Het Licht verzenge mijn botten als dat niet het geval is,’ mompelde hij. Of wat hij van plan was te zeggen.

‘Hoor je!’ schreeuwde Estean keihard. ‘Ditmaal kun je het niet ontkennen. Dat was in de Oude Spraak. Iets over verbranden en botten.’ Grijnzend keek hij de tafel rond. ‘Mijn leraar zou wat trots zijn. Ik moet hem een geschenkje geven. Als ik te weten kom waar hij heen is gegaan.’

Edelen werden verondersteld de Oude Spraak te kunnen gebruiken, hoewel ze in werkelijkheid weinig meer wisten dan wat Estean net vertelde. De jonge heren begonnen te redetwisten over wat Mart precies had gezegd. Ze leken te denken dat het een opmerking was over de hitte.

Mart had overal kippenvel toen hij probeerde zich de woorden te herinneren die net uit zijn mond waren gerold. Veel kletspraaat, maar het leek toch bijna of hij het kon begrijpen. Bloedvuur, Moiraine! Als je mij met rust had gelaten, zou ik niet zoveel gaten in mijn geheugen hebben dat er een paard-en-wagen doorheen kon rijden en zou ik niet van die bla-bla... het Licht vervloeke mij, wat het ook mag zijn! Dat hij dan ook nog achter de koeien van zijn vader zou zitten en niet met zakken vol goud door de wereld zou trekken, waren gedachten die hij negeerde.

‘Zijn we hier om te spelen,’ zei hij schor, ‘of om als een stel ouwe wijven over breien te praten?’

‘Spelen,’ zei Baran kortaf. ‘Drie goudkronen.’ Hij gooide de munten in de pot. ‘En drie erbij,’ hikte Estean en voegde zes goudkronen aan de hoop toe.

Mart onderdrukte een grimas en vergat alles van de Oude Spraak. Dat was simpel, hij wilde er niet aan denken. Bovendien, als ze nu al zo hoog inzetten, zou hij met zijn kaarten genoeg kunnen winnen om morgenochtend te kunnen vertrekken. En als hij gek genoeg is om een oorlog te beginnen, ga ik zeker weg, al moet ik lopen. Buiten kraaide een haan in de duisternis.

Mart schoof onrustig in zijn stoel heen en weer en droeg zichzelf op geen dwaas te zijn. Er zou niemand doodgaan.

Zijn ogen gleden naar zijn kaarten... en knipperden. De vlam van de Amyrlin was veranderd in een mes. Terwijl hij zichzelf vertelde dat hij moe was en zich dingen verbeeldde, boorde het lemmet zich in de rug van zijn hand.

Met een schorre kreet gooide hij de kaarten opzij en liet zich achterovervallen, waardoor zijn stoel omviel en hij met beide voeten de tafel raakte voor hij achteroverviel. De lucht leek zo dik als honing. Alles bewoog alsof de tijd vertraagde, maar tevens leek alles tegelijk te gebeuren. Andere kreten weerkaatsten de zijne, holle kreten die als in een kelder heen en weer galmden. Hij en zijn stoel zweefden achteruit en omlaag. De tafel steeg op.