Carridin nam een slokje wijn. Geen enkele Taraboner had zijn wijn aangeraakt. ‘Goed,’ zei hij opgewekt. ‘Koning Andric wenst de hulp van de Kinderen van het Licht om de orde in de stad te herstellen. Wij laten ons niet zo vaak bij de interne zaken van naties betrekken.’ Niet openlijk tenminste. ‘Ik kan me zo’n verzoek in ieder geval niet herinneren. Ik weet niet wat de kapiteinheer-gebieder zal zeggen.’ Pedron Nial zou zeggen dat hij moest doen wrat nodig was, ervoor moest zorgen dat de Taraboners wisten dat ze een schuld hadden bij de Kinderen en ervoor moest zorgen dat ze die schuld volledig terugbetaalden. ‘U hebt geen tijd voor een verzoek om aanwijzingen uit Amador,’ zei een man met een zwartgevlekt luipaardmasker nadrukkelijk. Niemand had zijn naam genoemd, maar Carridin had die ook niet nodig. ‘Wat wij vragen, is noodzakelijk,’ snauwde een ander, die door zijn dikke snor onder een haviksmasker op een merkwaardige uil leek. ‘U dient te begrijpen dat wij dit verzoek slechts in uiterste noodzaak zouden doen. Wij dienen één te zijn, niet nog sterker verdeeld, ja? Er zijn vele verscheurende elementen, zelfs binnen Tanchico. Ze moeten worden onderdrukt als we nog iets van vrede op het platteland willen verkrijgen.’
‘De dood van de panarch heeft de zaken zeer bemoeilijkt,’ voegde de eerste man eraan toe.
Carridin trok vragend een wenkbrauw op. ‘Hebben jullie al ontdekt wie haar heeft vermoord?’
Zijn eigen veronderstelling was dat Andric zelf iemand de opdracht had gegeven, in de overtuiging dat de panarch een van de opstandige mededingers naar de troon begunstigde. De koning zou misschien gelijk hebben gehad, maar hij had ontdekt, na het bijeenroepen van de Burgerkamer — een groot aantal heren bevond zich bij een opstandelingengroep op het platteland – dat ze merkwaardig halsstarrig waren in het goedkeuren van zijn keuze. Zelfs als vrouwe Amathera dezer dagen niet Andrics bed had gedeeld, bleef de verheffing tot koning of panarch de enige echte macht van de Burgerkamer, en ze leken dat recht niet te willen opgeven. De moeilijkheden rond vrouwe Amathera werden niet geacht alombekend te zijn. Zelfs de Burgerkamer besefte dat dit nieuwtje opstandjes zou veroorzaken. ‘Een van die dolgedraaide gezworenen van de Draak zeker,’ zei de man met het uiienmasker na een ferme ruk aan zijn snor. ‘Er is toch geen enkele echte Taraboner die de panarch kwaad zou willen doen?’ Het klonk bijna alsof hij het zelf geloofde.
‘Natuurlijk,’ zei Carridin gladjes. Hij nam nog een slokje wijn. ‘Als ik het paleis van de panarch veilig dien te stellen voor de verheffing van vrouwe Amathera, dien ik dat van de koning zelf te horen. Anders zou het kunnen lijken of de Kinderen van het Licht in Tarabon naar de macht grijpen, terwijl wij alleen, zoals u zegt, een eind aan de verdeling willen maken en vrede onder het Licht zoeken.’ Een oudere man met een vierkante kin onder een luipaardmasker en witte lokken in zijn donkerblonde haren, sprak kiclass="underline" ik heb gehoord dat Pedron Nial eenheid zoekt tegen de gezworenen van de Draak. Eenheid onder hem, nietwaar?’
‘De kapiteinheer-gebieder zoekt geen grondgebied,’ antwoordde Carridin even ijzig. ‘De Kinderen dienen het Licht, zoals alle mensen van goede wil doen.’
‘Het kan niet zo zijn,’ bracht de eerste luipaard naar voren, ‘dat Tarabon op welke wijze dan ook aan Amador onderworpen zal zijn. In geen geval.’ Van iedere stoel klonk het gegrom van boze instemming.
‘U zult van de koning ondertekende en gezegelde verzekeringen krijgen,’ zei een grijzende man met een leeuwenmasker. Het waren zijn eerste woorden. Het was natuurlijk Andric zelf, hoewel Carridin niet werd geacht dit te weten. De koning kon net zomin een Inquisiteur van de Hand van het Licht ontmoeten als een wijnhandel binnengaan, zelfs niet de Tuin der Zilveren Zuchten, zonder veel gepraat te veroorzaken.
Carridin knikte. ‘Wanneer die mij worden overhandigd, zal ik voor de veiligheid van het Panarchenpaleis zorgen en zullen de Kinderen alle... opstandige groeperingen onderdrukken die de verheffing teniet willen doen. Dat zweer ik, onder het Licht.’ De spanning ebde zichtbaar uit de Taraboners weg. Ze dronken hun kelken wijn leeg, alsof ze die meteen weer wilden vullen, zelfs Andric.
Voor zover het het volk van Tarabon betrof, zouden de Kinderen de schuld krijgen van de doden die onvermijdelijk zouden vallen, en niet de koning of het leger van Tarabon. Als Amathera eenmaal met de kroon en de Staf van de Boom zou worden verheven, zouden andere leden van de Burgerkamer zich mogelijk nog bij de opstandelingen voegen, maar als de anderen bekenden dat ze haar niet hadden gekozen, zou dat Tanchico in vuur en vlam zetten. Plus het nieuws dat de vluchtelingen hierover zouden verspreiden. Nou ja, opstandelingen verspreidden altijd verraderlijke leugens. En de koning en de panarch van Tarabon zouden allebei aan de touwtjes hangen die Carridin aan Pedron Nial zou geven, die er dan mee kon doen wat hij wilde. Het was niet zo’n geweldige prijs als het had kunnen zijn, als de koning van Tarabon meer land regeerde dan die paar honderd vierkante span rond Tanchico, maar het kon weer groots worden. Met hulp van de Kinderen – hij zou minstens twee legioenen nodig hebben, meer dan de vijfhonderd man van nu – konden de gezworenen van de Draak nog verpletterd worden, konden de verschillende opstandelingen worden verslagen en kon zelfs de oorlog met Arad Doman met succes voortgezet worden. Indien de twee landen tenminste nog wisten dat ze met elkaar in oorlog waren. De toestand in Arad Doman was nog erger dan in Tarabon, had Carridin gehoord.
In wezen kon het hem niet schelen of Tarabon, Tanchico of iets anders in handen van de Kinderen viel. Er moesten voorstellen worden ingewilligd, dingen worden gedaan die hij altijd had gedaan, maar het viel hem moeilijk goed werk af te leveren wanneer zijn eigen keel doorgesneden zou kunnen worden. Misschien zou hij nog naar het laatste verlangen. Twee maanden waren verstreken na het laatste bericht. Hij bleef niet om nog wat met de Taraboners te drinken, maar nam zo kort mogelijk afscheid. Als zij zich daardoor beledigd achtten, hadden ze hem te hard nodig om dat te laten blijken. Selindrin zag hem naar beneden komen en een staljongen bracht zijn paard toen hij in de deur stond. Hij gooide de jongen een koperstuk toe en spoorde de zwarte ruin aan tot een stevige draf. Het armoedige volk in de bochtige straten maakte ruim baan, wat maar beter was ook. Hij wist niet eens zeker of hij het zou merken als hij er een onder de hoeven liep. Niet dat dat enig verlies betekende. De stad zat vol bedelaars en hij kon niet eens ademhalen zonder de stank van oud, zuur zweet en vuil op te vangen. Tamrin behoorde hen bij elkaar te vegen en ze weg te jagen. Laat de opstandelingen op het land zich maar om hen bekommeren. Zijn gedachten draaiden voornamelijk rond het land, niet rond de opstandelingen. Die konden heel gemakkelijk worden aangepakt, als eenmaal het woord werd verspreid dat de een of de ander een Duistervriend was. En als het hem lukte enkelen aan de Hand van het Licht over te dragen, zouden ze tegen ieder en allen in het openbaar bekennen dat ze de Duistere hadden gediend, kinderen opaten, kortom alles wat hun werd voorgezegd. Daarna zouden de rebellen niet lang standhouden. De mannen die de troon begeerden en nog in het veld waren, zouden opeens merken dat ze helemaal alleen stonden. Maar de gezworenen van de Draak, de mannen en vrouwen die zich echt voor de Herrezen Draak hadden uitgesproken, zouden niet schrikken van de aanklacht dat ze Duistervrienden waren. De meeste mensen zagen hen daar toch al voor aan, omdat ze gezworen hadden een geleider te volgen.
Nee, de man die zij trouw hadden gezworen, vormde het probleem, de man wiens naam ze niet eens kenden. Rhand Altor. Waar was hij? Daarginds waren honderden groepen Drakenvolgers, en minstens twee ervan waren zo groot dat ze een leger konden worden genoemd. Ze streden tegen het koninklijke leger – dat deel dat Andric tenminste nog trouw was – streden tegen de opstandelingen, die het weer even druk hadden met elkaar, Andric of de Drakenvolgers te bestrijden – maar Carridin had geen enkele aanwijzing in welke groep Rhand Altor zich bevond. Hij kon zich op de Vlakte van Almoth bevinden of in Arad Doman, waar de toestand nagenoeg hetzelfde was. Als hij zich daar ophield, was Jaichim Carridin naar alle waarschijnlijkheid ten dode opgeschreven.