Выбрать главу

In het paleis op Verana, dat hij als hoofdkwartier voor de Kinderen had gevorderd, gooide hij een witgemantelde schildwacht zijn teugels toe en beende naar binnen zonder hun groet te beantwoorden. De eigenaar van dit mooie gebouw met zijn witte koepels, zijn fijne torenspitsen en schaduwtuinen had aanspraak gemaakt op de Troon van het Licht en niemand had een klacht laten horen over de bezetting. De eigenaar wel het minst: wat er van zijn hoofd nog over was, was op een piek boven de Trap der Verraders op Maseta gestoken. Ditmaal keurde Carridin de prachtige Taraboonse tapijten nauwelijks een blik waardig. Hij had evenmin oog voor de meubels, die afgezet waren met goud en ivoor, of de binnenhoven met fonteinen waar het spattende water koele geluiden maakte. Brede gangen met gouden lampen en hoge plafonds bedekt met fijne goudkruilen wekten geen enkele belangstelling. Dit paleis was even mooi als het mooiste paleis in Amadicia, zelfs het grootste, maar op dit moment had hij vooral dringend behoefte aan de sterke brandewijn in de kamer die hij als werkvertrek gebruikte.

Hij was halverwege een kostbaar tapijt, geheel in blauwe, scharlaken en gouden patronen, de ogen strak gericht op het fraai bewerkte kastje met de zilveren fles dubbelgestookte brandewijn, toen hij opeens besefte dat hij niet alleen was. Een vrouw in een strak, lichtrood gewaad stond bij de hoge smalle ramen naar de schaduwen van de bomen in een tuin te kijken, de vlechten van haar honingkleurige haren raakten net haar schouders. Een dunne sluier verborg haar gezicht in het geheel niet. Jong en knap, met een mond als een rozenknop en grote bruine ogen, en aan de kleding te zien duidelijk geen dienstmeid. ‘Wie ben jij?’ wilde hij geërgerd weten. ‘Hoe ben je hier binnengekomen? Verlaat dit vertrek meteen of ik laat je op straat gooien.’

‘Dreigen, Bors? Je zou toch gastvrijer moeten zijn, nietwaar?’ Die naam sloeg als een schok door zijn lijf naar zijn hielen. Voor hij verder nadacht, had hij zijn zwaard getrokken en uitgehaald naar haar keel.

Iets greep hem beet – de lucht veranderde in trillende gelei – iets dwong hem op de knieën, omwikkelde hem vanaf de nek. Rond zijn pols kneep iets zich samen tot zijn botten knarsten. Zijn hand sprong open en het zwaard viel op de vloer. De Kracht. Zij gebruikte de Ene Kracht tegen hem. Een feeks uit Tar Valon. En als zij die naam kende... ‘Weet je nog,’ zei ze, naar hem toe komend, ‘een bijeenkomst waar Ba’alzamon zelf verscheen en ons de gezichten toonde van Martrim Cauton, Perijn Aybara en Rhand Altor?’ Ze spuwde die namen bijna uit, vooral de laatste. Haar ogen konden gaten in staal boren. ‘Begrijp je het? Ik weet wie je bent, nietwaar? Jij hebt je ziel gegeven aan de Grote Heer van het Duister, Bors.’ Haar plotselinge lach klonk als belgerinkel.

Zweetdruppels braken uit op zijn gezicht. Niet zomaar een verachtelijke feeks uit Tar Valon. Zwarte Ajah. Zij was van de Zwarte Ajah. Hij had gedacht dat een Myrddraal hem zou komen doden. Hij had gedacht dat er nog tijd was. Meer tijd. Nog niet. ik heb geprobeerd hem te doden,’ brabbelde hij. ‘Rhand Altor. Ik heb het geprobeerd. Maar ik kan hem niet vinden. Ik kan het niet! Men heeft mij verteld dat mijn familie zou worden gedood als het mij niet lukte, de een na de ander. Hij heeft me beloofd dat ik de laatste zou zijn! Ik heb nog neven! Nichten! Ik heb nog een zus! U moet me meer tijd gunnen!’ Ze stond hem met haar scherpe bruine ogen aan te kijken, glimlachte met die ronde kleine mond, luisterde hoe hij de plaats uitspuwde waar Vanora gevonden kon worden, waar haar slaapvertrek lag en dat ze graag in haar eentje paardreed in het woud achter Carmera. Zouden de wachten op zijn geroep misschien binnenkomen? Zouden die haar misschien kunnen doden? Hij sperde zijn mond nog verder open, maar de dikke onzichtbare gelei stroomde naar binnen, dwong zijn kaken uit elkaar tot ze bij zijn oren kraakten. Met opengesperde neusgaten snoof hij wanhopig lucht op. Hij kon nog steeds ademen, maar hij kon niet schreeuwen. Er klonk slechts een gedempt gekreun, als een huilende vrouw achter een dikke muur. Hij wilde gillen. ‘Je bent heel vermakelijk,’ zei de vrouw met de honingblonde haren eindelijk. ‘Jaichim. Een goede naam voor een hond, denk ik. Zou jij mijn hond willen zijn, Jaichim? Als je een heel brave hond bent, zal ik het mogelijk goed vinden dat je op een dag Rhand Altor ziet sterven, ja?’

Het duurde even voor haar woorden doordrongen. Als hij Rhand Altor nog zou zien sterven, was ze niet... Ze was niet gekomen om hem te doden, om hem levend te villen, dingen die zijn geest had bedacht waarbij geseling een opluchting zou betekenen. Tranen rolden over zijn gezicht. Snikken van opluchting deden hem beven, voor zover hij kon beven in zijn banden. Opeens verdwenen die en hij viel op handen en knieën neer, nog steeds huilend. Hij kon maar niet stoppen. De vrouw knielde naast hem neer, haalde haar hand door zijn haren en trok zijn hoofd omhoog. ‘Dus nu moet je even goed luisteren, ja?

De dood van Rhand Altor is voor de toekomst en je zult het alleen meemaken als je een braaf hondje bent. Jij gaat je Witmantels naar het Panarchenpaleis overbrengen.’

‘H... hoe w... weet u dat?’

Ze schudde niet al te zacht zijn hoofd heen en weer. ‘Een brave hond stelt geen vragen aan zijn meesteres. Ik gooi de stok en jij haalt de stok. Ik zeg: doden en jij doodt, ja? Ja.’ Haar glimlach was een snel vertoon van tanden. ‘Komen er moeilijkheden bij het innemen van het paleis? Het panarchenlegioen is er gelegerd, duizend man, slapend in de gangen, in de tentoonstellingsruimte en op de binnenhoven. Zoveel Witmantels heb je niet in de stad.’

‘Ze...’ Hij moest stoppen en slikken. ‘Ze zullen geen last veroorzaken. Ze zullen geloven dat Amathera door de Burgerkamer is gekozen. De Burgerkamer wenst...’

‘Je verveelt me, Jaichim, doe dat niet. Het kan mij niet schelen of je de hele Burgerkamer ombrengt, zolang je het Panarchenpaleis maar in handen krijgt. Wanneer trek je eiheen?’

‘Het... het zal drie of vier dagen duren voor Andric ons zekerheid biedt.’

‘Drie of vier dagen,’ mompelde ze half in zichzelf. ‘Goed dan. Een kort oponthoud kan geen kwaad.’ Hij vroeg zich af welk oponthoud ze bedoelde, toen ze het beetje houvast dat hij nog meende te hebben, wegsloeg. ‘Jij blijft de baas in het paleis en je stuurt die mooie soldaatjes van de panarch weg.’

‘Dat is onmogelijk,’ hijgde hij en zij trok zijn hoofd zo fel achterover dat hij niet wist wat het eerst zou gebeuren: een gebroken nek of uitgetrokken haar. Hij durfde zich niet te verzetten. Hij werd geprikt door duizenden onzichtbare spelden, op zijn gezicht, borst, armen en benen, overal. Onzichtbaar, maar hij wist zeker dat ze niet minder echt waren.

‘Onmogelijk, Jaichim?’ zei ze zachtjes. ‘Onmogelijk is een woord dat ik liever niet hoor.’

De spelden drongen dieper naar binnen; hij kreunde maar hij moest het uitleggen. Wat zij wilde, was onmogelijk. Hij hijgde, zo snel wilde hij spreken. ‘Als Amathera eenmaal tot panarch is bevestigd, staat zij aan het hoofd van het legioen. Als ik het paleis in handen probeer te houden, zal ze zich tegen me keren en zal Andric haar helpen. Ik kan op geen enkele manier standhouden tegen het legioen van de panarch en alles wat Andric van de ringburchten kan weghalen.’ Ze keek hem zo lang aan dat het zweet hem uitbrak. Hij durfde geen vinger te verroeren, zelfs amper met z’n ogen te knipperen; die duizenden prikken stonden het niet toe.

‘Maak je geen zorgen over de panarch,’ zei ze eindelijk. De spelden verdwenen en ze ging rechtop staan.

Carridin stond eveneens op en probeerde zich flink te houden. Misschien konden ze tot een akkoord komen. De vrouw leek nu bereid naar redelijke argumenten te luisteren. Zijn benen trilden van de schok, maar hij zorgde ervoor dat zijn stem zo ferm mogelijk klonk. ‘Zelfs als u invloed uit kunt oefenen op Amathera...’