Ze onderbrak hem. ‘Ik heb je gezegd geen vragen te stellen, Jaichim. Een brave hond is gehoorzaam aan zijn meesteres, nietwaar? Ik beloof je, dat als je dat niet doet, je mij zult komen smeken om een Myrddraal erbij te halen voor een spelletje met jou. Begrijp je me?’ ik begrijp het,’ zei hij traag. Ze bleef hem strak aankijken en even later begreep hij het. ik zal doen wat u zegt... meesteres.’ Haar korte goedkeurende glimlach bezorgde hem een kleur. Ze begaf zich naar de deur en keerde hem de rug toe of hij echt een hond was, een tandeloze hond. ‘Hoe... Hoe heet u?’
Haar glimlach was ditmaal lief, en spottend. ‘Ja. Een hond behoort de naam van zijn meesteres te kennen. Ik heet Liandrin. Maar die naam mag nooit over de lippen van een hond komen. Als dat wel gebeurt, zal ik heel ontevreden over je zijn.’
Toen de deur achter haar dichtviel, wankelde hij naar een stoel met een hoge rug die met ivoor was ingelegd, en liet zich erin vallen. Hij liet de brandewijn staan; zijn maag was nu zo in de war dat hij alleen maar zou overgeven. Wat voor belang had zij bij het bezit van het Panarchenpaleis? Misschien ging zo’n vraag een gevaarlijke kant op, maar ook al dienden ze dezelfde meester, hij kon alleen maar de afkeer van een feeks uit Tar Valon voelen.
Ze wist toch niet zoveel als zij dacht. Als hij eenmaal de zekerheid van de koning in handen had, kon hij Tamrin en het leger van zijn keel weghouden door met onthullingen te dreigen, en Amathera ook. Maar ze konden nog steeds het gepeupel in opstand brengen. En de kapiteinheer-gebieder zou in deze hele kwestie wel meer dan afkeuring laten blijken, zou mogelijk aannemen dat Carridin naar persoonlijke macht streefde. Hij liet z’n hoofd in z’n handen zakken en stelde zich voor hoe Nial zijn doodvonnis ondertekende. Zijn eigen mannen zouden hem in de boeien slaan en hem ophangen. Als hij de dood van die feeks kon regelen... Maar ze had beloofd hem tegen de Myrddraal te beschermen. Weer wilde hij huilen. Ze was niet eens hier, maar toch gaf ze hem het gevoel dat hij steviger in de val zat dan ooit; stalen kaken grepen beide benen vast en een strop lag rond zijn nek. Er moest een uitweg bestaan, maar waar hij ook keek, hij zag slechts vallen en klemmen.
Liandrin bewoog zich als een spook door de gangen en vermeed de bedienden en Witmantels met gemak. Toen ze door een achterdeurtje aan een smalle steeg achter het paleis naar buiten stapte, keek de lange jonge schildwacht haar strak aan met een mengeling van opluchting en verontrusting. Haar kunstje iemand te overtuigen van haar voorstellen – enkel een ferm tikje met de Kracht – was bij Carridin niet nodig geweest, maar het had haar geholpen toen ze deze dwaas had overtuigd haar binnen te laten. Glimlachend gebaarde ze hem dichterbij te komen. De spichtige kerel grijnsde alsof hij een kus verwachtte, een grijns die verstarde toen haar smalle dolk zijn oog binnendrong. Ze sprong behendig achteruit toen hij als een botloze zak vlees neerviel. Nu kon hij zelfs niet per ongeluk over haar praten. Geen enkel druppeltje bloed bevlekte haar hand. Ze wilde dat ze Chesmals vaardigheid bezat om iemand met de Kracht te doden of op z’n minst het mindere talent van Rianna bezat. Vreemd dat de kunde om met de Kracht te doden door een hart stil te zetten of het bloed in de aderen te laten koken, zo nauw met Heling verbonden was. Zelf kon ze niet meer helen dan schrammen en blauwe plekken, maar ze had er ook geen enkele belangstelling voor.
Haar draagstoel, roodgelakt en ingelegd met ivoor, stond aan het eind van de steeg klaar, met daarbij haar lijfwachten, een tiental grote mannen met gezichten als uitgehongerde wolven. Toen ze eenmaal in de straten waren, maakten ze gemakkelijk ruim baan in de mensenmassa en hun speren stootten iedereen opzij die niet snel genoeg was. Ze waren de Grote Heer van het Duister natuurlijk allen van harte toegedaan en ook al wisten ze niet precies wie zij was, ze wisten dat anderen spoorloos waren verdwenen, mannen die haar niet naar behoren hadden kunnen dienen.
Het witgekalkte stenen huis van haar en de anderen bestond uit twee lagen, had een plat dak en lag op een helling aan het eind van Verana, de oostelijkste landtong van Tanchico. Het behoorde toe aan een koopman die ook de eed aan de Grote Heer had afgelegd. Liandrin had liever een paleis gehad – op een dag zou ze misschien het paleis van de koning op Maseta hebben. Ze was opgegroeid met jaloerse blikken op de paleizen van de grote heren, en waarom zou ze met minder genoegen nemen? – maar desondanks was het verstandig nog een tijdje verborgen te blijven. Die stommelingen in Tar Valon zouden nooit van hun leven vermoeden dat zij in Tarabon waren, maar de Toren zou zeker nog jacht op hen maken en die schoothondjes van Siuan Sanche konden overal aan het rondsnuffelen zijn.
De poort gaf toegang tot een klein binnenhof zonder ramen, afgezien van de ramen op de eerste verdieping. Ze liet de dragers en wachten daar achter en haastte zich naar binnen. De koopman had voor enkele bedienden gezorgd; allen gezworenen van de Grote Heer, had hij verzekerd, maar nauwelijks genoeg voor de elf vrouwen die zich nauwelijks naar buiten waagden. Een stevige, knappe vrouw met donkere vlechten die Gyldin heette, veegde net de rode en witte tegels van de toegangshal aan toen Liandrin binnenkwam. ‘Waar zijn de anderen?’ wilde ze weten.
‘Vóór, in de ontvangkamer.’ Gyldin gebaarde naar de deuren onder de dubbele boog rechts, alsof Liandrin het niet wist. Liandrins mond verstrakte. De vrouw had geen kniebuiging gemaakt en had haar niet met achting aangesproken. Het was waar dat ze niet wist wie Liandrin werkelijk was, maar Gyldin wist in ieder geval dat ze hoog genoeg was om bevelen te geven en gehoorzaamd te worden, en om die dikke koopman met buigingen en kruipend weg te sturen en zijn gezin in een of ander hutje onder te brengen. ‘Moet je niet schoonmaken? Of blijf je zomaar staan? Nou, maak schoon. Er ligt overal stof. Als ik vanavond ook maar één stofje vind, stomme koe, zal ik je een afranseling laten geven.’ Ze klemde haar tanden opeen. Ze had de manier van spreken van heren en rijken al zo lang nagebootst dat ze soms vergat dat haar vader fruit van de kar had verkocht, maar als ze heel kwaad was, sprak ze als een volksvrouw. Te veel spanning. Te lang wachten. Met een laatste gesnauwd: ‘Aan het werk!’ verdween ze in de ontvangkamer en sloeg de deur achter zich dicht. De anderen waren er niet allemaal, wat haar nog meer ergerde, maar ze beheerste zich. Onder een wandkleed aan de gepleisterde muur zat Eldrith Jhondar met haar ronde gezicht aan een met blauwe sierstenen ingelegd tafeltje nauwkeurig aantekeningen te maken aan de hand van een gehavend handschrift. Zo nu en dan maakte ze verstrooid het pen puntje schoon aan de mouw van haar donkere wollen gewaad. Marillin Gemalfin zat naast een van de smalle ramen en haar blauwe ogen staarden dromerig naar de kleine fontein die op het kleine binnenhof tinkelde, terwijl ze onbewust aan de oortjes van een uitgemergelde gele kat krabbelde en amper merkte dat de haren op haar groenzijden gewaad belandden. Eldrith en zij waren beiden van de Bruine Ajah, maar als Marillin ooit ontdekte dat Eldrith er de oorzaak van was dat de zwerfkatten die zij binnenbracht steeds weer verdwenen, zouden er problemen komen.
Het waren Bruine zusters geweest. Soms was het moeilijk zich te herinneren dat ze het niet meer waren, net zoals zij geen Rode Zuster meer was. Er waren nog zoveel kenmerkende eigenschappen van hun oude Ajah zichtbaar, ook nu ze zich openlijk tot de Zwarte Ajah hadden gekeerd. Neem de vroegere Groene zusters. De donkerhuidige Jeaine Caide met haar zwanenhals droeg het dunste en strakste zijden gewaad dat ze kon vinden – vandaag wit – en lachte dat deze kleren maar moesten volstaan, omdat er in Tarabon niets was te vinden wat het oog van een man zou trekken. Jeaine kwam uit Arad Doman. Domani waren berucht om hun schandalige kleren. Asne Zeramene, met haar donkere, scheefstaande ogen en scherpe neus, leek bijna preuts in het bleke grijs, eenvoudig gesneden en met een hoge hals, maar Liandrin had meermalen gehoord dat het haar speet dat ze haar zwaardhanden had moeten achterlaten. En wat Rianna Andomeran betrof... Zwart haar met een felwitte lok boven haar linkeroor omlijstte een gezicht met de koude, hooghartige zekerheid die alleen een Witte kon aannemen. ‘Gedaan,’ verkondigde Liandrin. ‘Jaichim Carridin zal zijn Witmantels naar het Panarchenpaleis overbrengen en dat voor ons vasthouden. Hij weet nog niet dat wij gasten zullen hebben... natuurlijk.’ Enkelen vertoonden een grimas. Het veranderen van Ajah had in elk geval niet hun gevoelens veranderd voor mannen die geleidsters haatten. ‘Maar er is nog iets interessants. Hij dacht dat ik er was om hem te doden. Omdat het hem niet was gelukt Rhand Altor te doden.’