Met een glimlach van stil vermaak deed hij zijn jas uit, maakte zijn hemd open en trok het uit. Op beide schouders stond een tatoeage van een raaf en de toren.
De meeste Waarheidszoekers vertoonden zowel de raven als de toren, maar geen mens die zo’n plak van de Zoekers durfde te stelen, zou zichzelf zo hebben getekend. Het dragen van de raven betekende dat je eigendom was van de keizerlijke familie. Er bestond een oud verhaal van ongeveer driehonderd jaar geleden over een dwaze heer en vrouwe die zich in een dronken bui hadden getekend. Toen de keizerin dat had vernomen, had ze hen naar de Hof van de Negen Manen laten brengen en mochten ze daar de vloeren schrobben. Deze kerel kon hun opvolger zijn. Het teken van de raaf was voor eeuwig. ‘Mijn verontschuldigingen, Zoeker,’ zei ze terwijl ze de kruisboog neerzette. ‘Waarom ben je hier?’ Ze vroeg niet naar zijn naam. Elke naam die hij gaf, kon echt of vals zijn.
Hij liet haar de plak vasthouden, toen hij ontspannen zijn kleren weer aantrok. Een fijnzinnige herinnering. Zij was kapitein en hij eigendom, maar hij was ook een Zoeker en binnen de wet kon hij haar op eigen gezag ondervragen. Volgens de wet had hij het recht haar een touw te laten kopen, om haar vast te binden en ter plekke te ondervragen, en hij zou erop rekenen dat ze ermee terug zou komen. Vluchten voor een Zoeker was een misdaad. Ze had nog nooit in haar leven aan een misdrijf gedacht en evenmin overwogen de Kristallen Troon te verraden. Maar als hij de verkeerde vragen stelde, de verkeerde antwoorden eiste... De kruisboog lag nog vlak naast haar en Cantorin was ver weg. Wilde en gevaarlijke gedachten.
‘Ik dien de hoogvrouwe Suroth en de Corenne voor de keizerin,’ zei hij. ‘Ik ga na of de agenten die de hoogvrouwe in deze landen heeft geplaatst, nog vorderingen hebben geboekt.’
Nagaan? Wat moest er worden nagegaan en waarom door een Zoeker? ‘Op de koeriersboten heb ik hierover niets vernomen.’ Zijn glimlach werd breder en ze werd rood. Natuurlijk zou de bemanning het nooit over een Zoeker hebben. Maar toch gaf hij antwoord, terwijl hij zijn hemd dichtknoopte.
‘Ik wil geen gevaar lopen door een koeriersboot voor mijn tochtjes te gebruiken. Ik heb me ingescheept op de boten van een plaatselijke smokkelaar een man die Baile Domon heet. Zijn vaartuig legt aan in elke haven tussen Tarabon en Arad Doman.’
‘Ik heb van hem gehoord,’ zei ze kalm. ‘Gaat alles goed?’
‘Nu wel. Ik ben blij dat jij de opdrachten in ieder geval begrijpt. Van alle anderen waren het alleen de Zoekers. Het is betreurenswaardig dat er niet meer Zoekers bij de Hailene waren.’ Hij schikte zijn mantel goed en pakte de plak uit haar hand. ‘Er is enige verlegenheid ontstaan door de terugkomst van de weggelopen sul’dam. Dat weglopen mag niet algemeen bekend worden. Het is veel beter dat ze gewoon verdwijnen.’
Alleen doordat haar weinig tijd was gegund om na te denken, kon ze haar gezicht nietszeggend houden. De sul’dam waren bij de ramp in Falme achtergebleven, was haar gezegd. Mogelijk waren sommigen weggelopen. Hoogvrouwe Suroth had haar persoonlijk opgedragen iedere gevonden vrouw terug te sturen, of ze nu terug wilden of niet, en als dat niet mogelijk was, hen op te ruimen. Het laatste had slechts een allerlaatste mogelijkheid geleken. Tot nu toe. ‘Het spijt me dat deze landen geen kaf kennen,’ zei hij en ging aan tafel zitten. ‘Zelfs in Cantorin heeft alleen het Bloed nog kaf. Zo was het tenminste bij mijn vertrek. Misschien zijn er sindsdien bevoorradingsschepen gekomen. Thee volstaat. Zet maar thee voor me.’ Ze sloeg hem bijna van de stoel. De man was eigendom. En een Zoeker. Ze zette thee. En bediende hem, waarna ze met de pot naast zijn stoel bleef staan om hem bij te schenken. Het verbaasde haar dat hij haar niet vroeg een sluier voor te doen en op de tafel te dansen. Daarna mocht ze eindelijk gaan zitten, nadat ze papier en inkt had gepakt, maar alleen om kaarten van Tanchico en zijn verdediging te tekenen, en van iedere andere stad en plaats waar ze iets van wist. Ze beschreef de verschillende strijdmachten op het land, alles wat ze wist van hun kracht en trouw, wat ze uit hun gedragingen had kunnen afleiden.
Toen ze klaar was, stopte hij alles in zijn zak, zei haar de inhoud van de jutezak met de volgende koeriersboot te versturen en vertrok met zo’n vermaakt glimlachje, nadat hij haar had verteld dat hij over een paar weken weer zou komen kijken of ze vorderingen had geboekt. Ze bleef nog lang zitten na zijn vertrek. Iedere kaart die ze had getekend, iedere lijst die ze had geschreven, was precies hetzelfde als de papieren die ze allang aan een koeriersboot had meegegeven. Dat ze alles onder zijn toezicht opnieuw had moeten doen, zou een bestraffing kunnen zijn, omdat ze hem had gedwongen zijn tatoeages te laten zien. De doodswachtgardisten vertoonden trots hun raven, Zoekers deden het zelden. Dat zou het kunnen zijn. Gelukkig was hij voor haar komst niet in de kelder geweest. Of wel? Had hij enkel staan wachten tot ze er iets over zei?
Het stevige ijzeren slot op de deur in de gang, net achter de keuken, leek niet te zijn aangeraakt, maar men zei dat de Zoekers wisten hoe ze een slot zonder sleutel konden openen. Ze nam de sleutel uit haar beurs, maakte het slot open en liep de smalle trap af. Een lamp op een plank verlichtte de zandvloer van de kelder. Er waren slechts vier muren te zien, volkomen leeg, zodat er niets was wat bij een ontsnapping kon helpen. De afvalemmer verspreidde een lichte stank. Aan de kant tegenover de lamp zat een vrouw in vuile kleren moedeloos op een paar ruwwollen dekens. Ze keek op bij het geluid van Egeanins voetstappen, haar donkere ogen bang en smekend. Ze was de eerste sul’dam die Egeanin had gevonden. De eerste en de enige. Egeanin was amper blijven zoeken nadat ze Bethamin had gevonden. Daarna was Bethamin in deze kelder gebleven, terwijl de koeriersboten kwamen en gingen, is er iemand beneden geweest?’ vroeg Egeanin.
‘Nee, ik heb boven voetstappen gehoord, maar... Nee.’ Bethamin strekte haar armen uit. ‘Alsjeblieft Egeanin. Dit alles is een vergissing. Je kent me al tien jaar. Neem dit ding van me af.’
Een zilveren halsband zat om haar nek, bevestigd aan een dikke zilveren lijn naar een armband van hetzelfde metaal die aan een haak in de muur boven haar hing. Het was bijna per ongeluk gegaan, dat ding omdoen, enkel een manier om haar een paar tellen vast te houden, nadat het Bethamin bijna was gelukt Egeanin neer te slaan om te ontsnappen.
‘Als je het me geeft, zal ik het doen,’ zei Egeanin boos. Ze was over een heleboel dingen boos, niet op Bethamin. ‘Breng me de a’dam en ik haal hem eraf.’
Bethamin huiverde en liet haar handen zakken. ‘Het is een vergissing,’ fluisterde ze. ‘Een afschuwelijke vergissing.’ Maar ze maakte geen enkele beweging naar de armband. Toen ze voor het eerst had geprobeerd weg te vluchten, was ze kronkelend op de keukenvloer beland, overweldigd door misselijkheid, wat Egeanin met stomme verbazing had gadegeslagen.
Sul’dam beheersten damane, geleidsters, met behulp van een a’dam. Alleen de damane kon geleiden, de sul’dam nier. Maar een a’dam kon alleen een geleidster overheersen. Geen enkele ander vrouw en ook geen enkele man – mannen die konden geleiden, werden natuurlijk gedood – alleen een geleidster. Een vrouw met die kunde en met zo’n halsband om kon bijna geen stap doen zonder dat de armband om de pols van een sul’dam zat om de kring te sluiten. Egeanin voelde zich doodmoe toen ze de trap opliep en de deur weer afsloot. Ze wilde zelf wel thee, maar het restje in de pot was koud en ze had geen zin bij te zetten. In plaats daarvan ging ze zitten en haalde de a’dam uit de jutezak. Voor haar was het slechts kunstig gesmeed zilver. Ze kon hem niet gebruiken en hij deed haar geen kwaad, tenzij iemand haar daarmee sloeg.
De verre gedachte om zich aan een a’dam te koppelen, het ontkennen van zijn vermogen haar te overheersen, was al voldoende om haar de koude rillingen te bezorgen. Geleidsters waren gevaarlijke beesten, geen mensen. Zij hadden de wereld gebroken. Zij dienden beteugeld te worden, anders zouden ze iedereen hun eigendom maken. Dat had ze geleerd, dat werd al duizend jaar in Seanchan geleerd. Vreemd dat het hier niet was gebeurd. Nee. Dat was een dwaze gedachtegang. Ze stopte de a’dam weer in de zak terug en maakte de theespullen schoon om weer kalm te worden. Ze hield van netheid en een schone keuken gaf haar iets van voldoening. Voor ze er verder bij stilstond, zette ze thee voor zichzelf. Ze wilde niet aan Bethamin denken en dat was ook dwaas en gevaarlijk. Ze ging aan tafel zitten en roerde honing in haar bijna inktzwarte thee. Het was geen kaf, maar het voldeed.