Выбрать главу

Ondanks haar ontkenningen, ondanks haar smeekbeden kon Bethamin geleiden. Konden andere sul’dam dat ook? Wilde hoogvrouwe Suroth de vrouwen die in Falme waren achtergebleven, daarom doden? Het was ondenkbaar. Het was onmogelijk. De proeven die jaarlijks in heel Seanchan werden gehouden, vonden ieder meisje dat de vonk van het geleiden bezat. Ieder werd van de lijst van burgers weggestreept, uit de familieboeken verwijderd en weggevoerd om damane te worden. Diezelfde proeven wezen ook de meisjes aan die de armband van de sul’dam konden dragen. Geen enkele vrouw ontsnapte aan die jaarlijkse beproevingen, tot ze uit zichzelf zouden geleiden als de vonk in haar zat. Hoe kon een sul’dammeisje worden gevonden terwijl ze feitelijk damane was? Toch zat Bethamin beneden in haar kelder, beteugeld door een a’dam alsof het een anker was.

Een ding was zeker. De mogelijkheden hier waren feitelijk levensgevaarlijk. Dit alles had te maken met het Bloed en de Zoekers. Misschien wel met de Kristallen Troon. Zou hoogvrouwe Suroth dit soort kennis durven verzwijgen voor de keizerin? Een eenvoudige scheepskapitein kon al gillend sterven door een onwillekeurige frons in dat gezelschap of door een zucht al eigendom worden. Ze moest meer feiten weten als ze aan de Dood van Tienduizend Tranen hoopte te ontkomen. Om te beginnen moest ze nog wat meer geld rondstrooien bij Gelb en andere rattige gluipers, zodat die meer sul’dam vonden om te zien of een a’dam hen beteugelde. Verder... Verder zeilde ze over onbekende rotsklippen zonder loodsman op de boeg. Op tafel lag nog steeds de kruisboog met de dodelijke pijl en ze besefte dat er nog iets anders onzeker was. Ze was niet van plan door de hand van een Zoeker de dood te vinden. Niet om hoogvrouwe Suroth te helpen een geheim te bewaren. Misschien om geen enkele reden. Het was een ijzingwekkende gedachte die bijna op verraad leek, maar ze verdween niet.

39

Een beker wijn

Toen Elayne met haar keurig bijeengebonden spullen op het dek stapte, raakte de ondergaande zon net het water achter de monding van Tanchico’s haven. De laatste dikke trossen werden vastgebonden om de Golfdanser zachtjes tegen een kade vol schepen af te meren. Een van de vele kades langs de meest westelijke landtong van de stad. Enkele bemanningsleden rolden de laatste zeilen op. Achter de uitgestrekte scheepswerven rezen de heuvels op, met de blikkerend witte stad met koepels en torenspitsen waarop glanzende weervanen prijkten. Ongeveer een span naar het noorden kon ze hoge ronde muren onderscheiden. De Grote Kring als ze het zich goed herinnerde. Ze slingerde haar bepakking over dezelfde schouder als haar in leer gebonden boek en voegde zich bij Nynaeve, Coine en Jorin bij de loopplank. Het leek bijna vreemd de twee zusters weer volledig gekleed te zien, in brokaatzijden hemden met felle kleuren, die pasten bij hun wijde broeken. Ze was gewend geraakt aan de oorringen, zelfs aan de neusringetjes en verbleekte zelfs niet meer bij het fijn gouden kettinkje op de donkere wang van beide vrouwen.

Thom en Juilin stonden met hun eigen bepakking terzijde en keken nukkig. Nynaeve had gelijk gekregen. Zodra het echte doel van deze reis, tenminste een deel ervan, twee dagen geleden was verteld, waren ze allerlei vragen gaan stellen om nog meer los te peuteren. Geen van beiden achtte de twee jonge vrouwen handig genoeg – handig! – om de Zwarte Ajah te vinden. Nynaeve had gedreigd hen naar een Zeevolkschip met een andere bestemming over te laten brengen en had hun daarmee meteen de mond gesnoerd. Al was dat pas gelukt toen Toram en een tiental bemanningsleden klaarstonden om hen met een roeiboot over te zetten. Elayne keek hen onderzoekend aan. Nukkigheid betekende opstandigheid en ze zouden nog meer last van dit tweetal krijgen.

‘Waar gaan jullie nu heen, Coine?’ vroeg Nynaeve toen Elayne erbij kwam.

‘Naar Dantora en de Aile Jafar,’ antwoordde de zeilvrouwe, ‘vervolgens naar Cantorin en de Aile Somera om het nieuws over de Coramoor te verspreiden, als dat het Licht welgevallig is. Maar ik moet Toram toestaan hier handel te drijven, anders ontploft hij helemaal.’ Haar echtgenoot stond nu op de kade, zonder zijn vreemde, in ijzerdraad gewikkelde lenzen, met ontbloot bovenlijf en handen vol ringen ernstig te praten met mannen in zakvormige witte broeken en jassen met krullerig borduurwerk op de schouders. Iedere Tanchicaan droeg een donker, hoog en rond hoofddeksel met een doorzichtige sluier voor het gezicht. De sluiers zagen er belachelijk uit, vooral bij de mannen met dikke snorren.

‘Het Licht geve jullie een veilige reis,’ zei Nynaeve en schoof haar pak op de rug. ‘Als we hier, voordat jullie uitzeilen, iets ontdekken wat gevaar voor jullie kan opleveren, sturen we bericht.’ Coine en haar zuster zagen er opmerkelijk kalm uit. De wetenschap van de Zwarte Ajah leek hun amper van streek te maken. Het ging hen om de Coramoor, om Rhand, dat was het enige dat telde.

Jorin kuste haar vingertoppen en drukte die tegen Elaynes lippen. ‘Zo het Licht dat wil, zullen we elkaar weer ontmoeten.’

‘Zo het Licht het wil,’ antwoordde Elayne en deed wat de windvindster had gedaan. Het deed nog steeds gek aan, maar het was ook een eer, alleen gebruikelijk tussen naaste familieleden en geliefden. Ze zou de vrouw van het Zeevolk missen. Ze had heel veel geleerd en zij had Jorin wat bijgebracht, waardoor die nu veel beter Vuur kon weven. Toen ze onder aan de loopplank stonden, slaakte Nynaeve een zucht van opluchting. Een vettig drankje dat Jorin had gebrouwen, had haar maag na twee dagen op zee tot rust gebracht, maar desondanks had ze met samengeknepen ogen en lippen naar Tanchico uitgekeken. De twee mannen gingen meteen voor en achter hen lopen zonder op aanwijzingen te wachten. Juilin liep met waakzame ogen voorop met zijn zakken op de rug en de lichte, duimdikke vechtstok in beide handen. Thom vormde de achterhoede en zag er ondanks zijn witte haar, manke been en de speelmansmantel vervaarlijk uit. Nynaeve kneep even haar lippen op elkaar, maar zei niets, wat Elayne verstandig vond. Voor ze vijftig pas over de lange stenen kade hadden afgelegd, had ze al veel loerende mannen met hongerige gezichten gezien die hen opnamen, terwijl Tanchicanen en anderen kratten, balen en zakken in de haven wegbrachten. Ze vermoedde dat ze stuk voor stuk bereid waren haar de keel af te snijden in de hoop dat een zijden gewaad een goed gevulde beurs betekende. Ze maakten haar niet bang; volgens haar kon ze er best twee of drie aan. Maar Nynaeve en zij hadden de Grote Serpent-ringen in hun beurs, en het zou zinloos zijn net te doen of ze niets met de Witte Toren te maken hadden als ze voor de ogen van zo’n honderd man gingen geleiden. Het was beter dat Juilin en Thom maar zo woest mogelijk rondkeken. Ze zou het niet erg gevonden hebben er nog tien meer te hebben. Opeens hoorden ze een schreeuw op het dek van een van de kleinere schepen. ‘Jullie! Uitgerekend jullie!’ Een brede man met een rond gezicht in een groenzijden jas sprong de kade op en negeerde de opgeheven staf van Juilin om haar en Nynaeve aan te gapen. Een Illianer, aan zijn baard zonder snor te zien en aan zijn tongval te horen. Hij kwam haar vaag bekend voor.

‘Baas Domon?’ zei Nynaeve even later en gaf een harde ruk aan haar vlecht. ‘Baile Domon?’

Hij knikte. ‘Jep. Ik had nooit gedacht jullie nog eens tegen te komen. Ik... heb zo lang mogelijk in Falme gewacht, maar toen kwam het moment dat ik ofwel uit moest zeilen of moest toezien hoe mijn schip in brand zou vliegen.’