Elayne herkende hem weer. Hij had hun beloofd Falme uit te brengen, maar voor ze zijn vaartuig hadden kunnen bereiken, had de wanorde de stad al in zijn greep. De jas maakte duidelijk dat hij in goeden doen was.
‘Het doet me genoegen u weer te zien,’ zei Nynaeve koeltjes, ‘maar als u ons niet kwalijk neemt, we moeten kamers in de stad vinden.’
‘Dat zal moeilijk zijn. Tanchico barst uit zijn kalkmuren. Ik weet echter een plaats waar ik een goed woordje voor jullie kan doen. In Falme kon ik niet langer blijven, maar ik heb het gevoel dat ik jullie iets verschuldigd ben.’ Domon zweeg en keek hen bezorgd fronsend aan. ‘Nu jullie hier zijn... Gaat hier hetzelfde gebeuren als in Falme?’
‘Nee, baas Domon,’ zei Elayne toen Nynaeve aarzelde. ‘Natuurlijk niet. En we willen uw hulp graag aannemen.’
Ze verwachtte half en half een protest van Nynaeve, maar de oudere vrouw knikte slechts nadenkend en stelde de mannen aan elkaar voor. Domon bleek Thom nog te kennen van hun reis naar Wittebrug, maar de Illianer lette veel meer op de Tyreense kledij van Juilin. De diepe frons op het schippersgezicht werd door de dievenvanger op dezelfde manier beantwoord. Beiden hielden echter hun mond; misschien konden ze de vijandigheid tussen Tyr en Illian buiten Tanchico houden. Als hun dat niet lukte, zou ze een hartig woordje met hen wisselen. Domon vertelde wat hij na Falme had meegemaakt terwijl hij met hen meeliep door de haven. Hij had inderdaad goede zaken gedaan. ‘Een tiental goede kustschepen waar de tollenaars van de panarch van weten,’ lachte hij, ‘en vier zeeschepen waar ze niets van weten.’ Binnen die korte tijd had hij nauwelijks zoveel winst kunnen maken. Het schokte haar dat hij daar op deze drukke kade zo openlijk over sprak.
‘Jep, ik smokkel en maak winsten die ik zelf moeilijk kan geloven. Een tiende van de hoeveelheid van de assijns in de zakken van de tollenaars zorgt ervoor dat ze ergens anders heen kijken en hun mond dicht houden.’
Twee Tanchicanen met sluiers en hoge hoeden schreden voorbij, de handen achter op de rug verstrengeld. Beiden droegen een zware, koperen sleutel aan een dikke ketting om de nek; het zag eruit als een teken van hun ambt. Ze gaven Domon een knikje dat verried dat ze hem kenden. Thom leek vermaakt, maar Juilin keek zowel boos naar Domon als naar de twee Tanchicanen. Als dievenvanger had hij een behoorlijke afkeer van wetsovertreders.
‘Ik geloof echter niet dat het nog lang zal duren,’ zei Domon toen de Tanchicanen voorbij waren. ‘De toestand in Arad Doman is nog erger dan hier en hier is het al erg slecht. Misschien heeft de Drakenheer de Wereld nog niet gebroken, maar hij heeft Arad Doman en Tarabon wel... gebroken.’
Elayne wilde een scherpe opmerking maken, maar ze waren aan het begin van de kade gekomen en ze keek in stilte toe, terwijl hij draagstoelen en dragers huurde, een tiental mannen met dikke stokken en harde gezichten. Er stonden ook wachten met zwaarden en speren, maar ze leken meer huurlingen dan soldaten. Aan de andere kant van de brede straat staarden honderden verslagen, ingevallen gezichten naar de wachten voor de rijen pieren. Soms flikkerden de ogen naar de schepen, maar ze staarden voornamelijk naar de mannen die hen van de schepen weghielden.
Elayne herinnerde zich Coines woorden over de mensen op haar schip die wanhopig een overtocht wilden boeken, waarheen dan ook, als ze maar uit Tanchico weg konden en ze huiverde. Wanneer die hongerige ogen naar de schepen keken, vlamde een grote ellende in hun ogen.
Elayne zat stijf rechtop in haar stoel, toen die achter porrende staven door de mensenmassa’s schokte en probeerde nergens naar te kijken. Ze wilde die gezichten niet zien. Waar was hun koning? Waarom zorgde hij niet voor hen?
Een uithangbord boven de poort van de witgekalkte herberg, waar Domon hen heenbracht, vlak bij de Grote Kring, verkondigde dat dit de Driepruimenhof was. Elayne zag enkel hoge muren rond een voorhof die betegeld was met plavuizen. Het gebouw telde drie verdiepingen van rechte lijnen, had geen ramen op de begane grond, en voor de bovenramen zat fraai edelsmeedwerk. De gelagkamer was vol mannen en vrouwen, de meesten in Tanchicaanse kleren, en het geroezemoes maakte het wijsje van een slaghakkebord bijna onhoorbaar. Nynaeves adem stokte in de keel bij het zien van de herbergierster, een leuke vrouw, niet veel ouder dan zijzelf, met bruine ogen en hoogblonde vlechtjes, terwijl haar sluier de volle lippen als een rozenknop niet kon verbergen. Ook Elayne schrok, maar het was niet Liandrin. De vrouw – ze heette Rendra – kende Domon blijkbaar goed. Met vele gastvrije glimlachjes voor Elayne en Nynaeve en in een stortvloed van woorden over dat Thom een speelman was, gaf zij hun de laatste twee kamers voor veel minder dan de gangbare prijs, vermoedde Elayne. Zij zorgde ervoor dat Nynaeve de kamer kreeg met het grotere bed-Ze had al eerder met Nynaeve een bed gedeeld en de vrouw was behoorlijk fel met haar ellebogen bezig.
Rendra verschafte hun warm eten in een aparte kamer waar de tafel werd gedekt door twee gesluierde jonge dienstknechten. Elayne merkte dat ze zat te staren naar een bord gebraden lamsvlees met een pittige appelmoes en een schotel met pijnboompitten en een soort lange gelige bonen. Ze kon er niets van eten. Al die hongerige gezichten. Domon tastte meteen stevig toe; hij wel, met al zijn gesmokkel en goud. Ook Thom en Juilin toonden zich niet afkerig.
‘Rendra,’ zei Nynaeve kalm, ‘is er hier iemand die de armen helpt? Ik kan zorgen voor een redelijke hoeveelheid goud als dat zou helpen.’
‘Jullie zouden het aan de keuken van Baile kunnen schenken,’ antwoordde de herbergierster en glimlachte Domon toe. ‘Die man ontduikt alle belastingen, maar legt zichzelf een schatting op. Voor iedere kroon aan smeergeld geeft hij er twee aan de armen voor soep en brood. Hij heeft mij zelfs wat laten geven, en ik betaal wél belastingen.’
‘Het is altijd nog minder dan de belasting,’ mompelde Domon en liet zijn schouders verdedigend zakken, ik maak een heel behoorlijke winst. Het Fortuin mag me steken, zo goed gaat het.’
‘Wat fijn dat u mensen helpt, baas Domon,’ zei Nynaeve toen Rendra en de bedienden waren weggegaan. Thom en Juilin stonden beiden op om te zien of ze inderdaad weg waren. Met een kleine buiging gunde Thom Juilin de eer de deur half te openen. De gang was verlaten. Nynaeve praatte meteen door. ‘Wij hebben misschien ook uw hulp nodig.’ Mes en vork van de Illianer vielen stil en sneden niet langer in het lamsvlees. ‘Hoe?’ vroeg hij achterdochtig.
‘Ik weet het nog niet precies, baas Domon. U hebt schepen. U moet ook mannen hebben. We hebben mogelijk uw ogen en oren nodig. Het kan heel best zijn dat er enkele zusters van de Zwarte Ajah in Tanchico zijn en als dat zo is, moeten we ze vinden.’ Nynaeve bracht een vork vol bonen naar haar mond alsof ze iets heel gewoons had verteld. Ze leek de laatste tijd tegen iedereen haar mond over de Zwarte zusters open te doen.
Domon zat haar met open mond aan te gapen en keek toen ongelovig naar Thom en Juilin, toen die weer gingen zitten. Na hun knikje duwde hij zijn bord weg en liet het hoofd op z’n armen zakken. Hij kreeg bijna een stomp van Nynaeve, aan haar op elkaar geperste lippen te zien, en Elayne kon het haar niet kwalijk nemen. Waarom moesten mannen haar woorden bevestigen?
Eindelijk vermande Domon zich. ‘Zie je wel, weer precies hetzelfde. Falme voor de tweede keer. Misschien is het echt de hoogste tijd om in te pakken en te vertrekken. Als ik mijn schepen naar Illian terugvaar, ben ik ook daar een welgesteld man.’
‘Ik betwijfel of u Illian aangenaam zult vinden,’ zei Nynaeve hem ferm. ik heb begrepen dat Sammael daar tegenwoordig regeert, zij het niet openlijk. U zou onder een Verzaker niet veel plezier van uw rijkdom hebben.’ Domons ogen rolden haast uit zijn hoofd, maar ze praatte gewoon door. ‘Er zijn geen veilige plaatsen meer. U kunt er als een konijn vandoorgaan, maar u kunt zich nergens verbergen. Is het dan niet beter al het mogelijke te doen om als een man terug te slaan?’ Nynaeve pakte het veel te hard aan; ze moest mensen ook altijd koeioneren. Elayne glimlachte en boog zich voorover om een hand op Domons arm te leggen. ‘We willen u niet afblaffen, baas Domon, maar we hebben uw hulp echt hard nodig. Ik weet dat u een dapper man bent, anders had u in Falme niet zo lang op ons gewacht. Wë zouden u heel dankbaar zijn.’