‘Jullie pakken het heel goed aan,’ mompelde Domon. ‘De een met de prikstok van een ossendrijver en de ander met koninginnehoning. O, goed dan, ik zal naar vermogen helpen. Maar ik wil niet beloven dat ik blijf hangen tot het hier een tweede Falme wordt.’ Thom en Juilin begonnen hem al etend het hemd van het lijf te vragen over de toestand in Tanchico, maar Juilin deed dat heel omslachtig door Thom vragen te laten stellen over de wijken waar de dieven, beurzensnijders en rovers vaak kwamen, welke wijnzaken ze bezochten en wie hun gestolen waar opkocht. De dievenvanger hield vol dat zulke mensen vaak meer wisten van wat er in een stad gaande was dan de bestuurders. Juilin leek niet rechtstreeks met de Illianer te willen praten en Domon snoof iedere keer als hij een van de vragen van de Tyrener die Thom stelde, beantwoordde. Hij gaf pas antwoord als Thom het vroeg. Thoms eigen vragen leken zinloos en heel vreemd voor een speelman. Hij vroeg naar de hoge heren, naar machtsgroeperingen, naar bondgenoten en wie hen bestreed, naar mensen die bepaalde doeleinden hadden uitgesproken en waarom ze iets deden en of de resultaten verschilden van wat ze vermoedelijk hadden beoogd. Helemaal niet het soort vragen dat ze van hem had verwacht, zelfs niet na hun gesprekken op de Golfdanser. Hij was altijd bereid geweest met haar te praten – hij leek het zelfs leuk te vinden – maar telkens als ze meende iets over zijn verleden los te krijgen, lukte het hem op de een of andere manier haar op dat moment af te schepen en weg te sturen. Domon beantwoordde Thoms vragen bereidwilliger dan die van Juilin. Hij leek Tanchico heel goed te kennen, zowel de machthebbers als de donkere onderbuik van de stad. Terwijl ze het erover hadden, leek er weinig verschil tussen te bestaan.
Toen de twee mannen alles uit de smokkelaar hadden losgekregen, liet Nynaeve Rendra halen voor pen en papier en schreef een lijst met beschrijvingen van iedere Zwarte zuster. De papieren voorzichtig in zijn grote hand houdend, bekeek Domon ze fronsend en verontrust alsof het de vrouwen zelf waren, maar hij beloofde dat een aantal mannen uit de haven hun ogen open zouden houden. Toen Nynaeve hem eraan herinnerde dat ze allen uiterst voorzichtig dienden te zijn, lachte hij op een manier alsof ze hem had gezegd zichzelf niet per ongeluk aan zijn zwaard te snijden.
Juilin vertrok meteen na Domon, wervelend met zijn vechtstok en zei dat je dieven en de mensen die van dieverij leefden, het best ’s nachts kon vinden. Nynaeve kondigde aan dat ze zich in haar kamer terugtrok – haar kamer – om een poosje te rusten. Ze leek een beetje te wankelen en opeens besefte Elayne waarom. Nynaeve was zo gewend geraakt aan het deinen van de Golfdanser dat ze nu problemen had met de vaste grond onder haar voeten. De maag van die vrouw was geen prettig reisgezelschap.
Zelf volgde ze Thom naar de gelagkamer, omdat hij Rendra een optreden had beloofd. Het was een wonder dat ze een bank vond aan een lege tafel en haar koele blikken wimpelden alle mannen af die daar opeens wilden gaan zitten. Rendra bracht haar een zilveren beker met wijn en ze nipte eraan, terwijl ze naar Thom luisterde die harp speelde en liefdesliedjes zong als De eerste roos van de zomer en De wind in de wilg en grappige liedjes als Slechts die ene laars en Die oude grijze gans. Zijn gehoor waardeerde het zeer en sloeg bij wijze van applaus op de tafels. Na een tijdje begon Elayne ook op de tafel te slaan. Ze had niet meer op dan de helft van de haar voorgezette wijn, maar een knappe jonge knecht schonk haar telkens glimlachend bij. Het was allemaal zo vreemd opwindend. Ze was in haar leven hoogstens een handvol keren in de gelagkamer van een herberg geweest en nooit om er wijn te drinken of er net als het gewone volk vermaakt te worden. Met een zwierige zwaai van zijn veelkleurige lapjesmantel vertelde Thom verhalen als Mara en de drie dwaze koningen en verschillende verhalen over Anla de wijze raadgeefster. Hij bracht een lang stuk uit De Grote Jacht op de Hoorn en hij vertelde het zo dat de paarden leken te trappelen, de trompetten in het vertrek schetterden en dat mannen en vrouwen streden, lief hadden en stierven. Hij zong en vertelde tot diep in de nacht, pauzeerde zo nu en dan om zijn keel met een slok wijn te smeren terwijl de gasten ijverig juichten om meer. De vrouw met het hakkebord zat met een zuur gezicht in een hoekje met het instrument op haar knieën. Mensen gooiden Thom vaak munten toe -hij had een kleine jongen aangesteld die op te rapen – en de klanten hadden haar voor haar muziek waarschijnlijk veel minder munten toegeworpen.
Het leek allemaal te passen bij Thom, de harp en vooral het verhaal. Nou ja, hij was een speelman, maar het leek meer te zijn. Elayne zou gezworen hebben dat ze hem De Grote Jacht eerder had horen vertellen, maar dan in Hoge Zang, niet in Gewoon. Hoe was dat mogelijk? Hij was toch enkel een oude speelman?
In het holst van de nacht maakte Thom eindelijk met een zwierig zwaaiende mantel een laatste buiging en begaf zich onder enorm geroffel op de tafels naar de trap. Elayne trommelde even ijverig mee als de anderen.
Ze stond op om hem te volgen, maar kwam weer hard op haar bank terecht, terwijl ze fronsend naar haar beker wijn keek. Die was vol. Zoveel had ze dus niet gedronken. Om de een of andere reden voelde ze zich duizelig. Ja. Die aardige jongeman met die smeltende bruine ogen had haar beker bijgevuld – hoeveel keer? Nou ja, het deed er niet toe. Ze dronk toch nooit meer dan een beker wijn. Nooit. Het kwam doordat ze van de Golfdanser af was en weer op het vasteland stond. Ze reageerde er net zo op als Nynaeve. Dat was alles. Ze kwam voorzichtig overeind – en sloeg het zeer gedienstige aanbod van hulp van de lieve jongeman af. Het lukte haar de trap op te klimmen, hoezeer ze ook heen en weer zwaaide. Ze bleef niet op de eerste verdieping, waar Nynaeve en haar kamer waren, maar klom verder naar de tweede en klopte op Thoms kamerdeur. Hij deed langzaam open en gluurde achterdochtig naar buiten. Hij leek een mes in zijn hand te hebben, dat opeens weer was verdwenen. Vreemd. Ze greep een van zijn lange witte snorpunten vast.
‘Ik weet het weer,’ zei ze. Haar tong leek niet goed te werken; de woorden klonken... wollig, ik zat op je knie en trok aan je snor...’ Ze gaf weer een rukje hoe dat was geweest en hij trok een pijnlijk gezicht. ‘... en mijn moeder stond over je schouder gebogen en lachte naar me.’
‘Ik denk dat je maar beter naar je kamer kunt gaan,’ zei hij en probeerde haar hand los te trekken, ik denk dat je je slaap hard nodig hebt.’
Ze weigerde los te laten. Ze leek hem feitelijk in zijn kamer te hebben teruggeduwd. Aan zijn snor. ‘Mijn moeder zat ook op je knie. Ik heb het gezien. Ik herinner het me.’
‘Je hebt slaap nodig, Elayne. Morgenochtend voel je je beter.’ Hij wist haar hand los te maken en probeerde haar de deur uit te schuiven, maar ze glipte langs hem heen. Het bed had geen beddenposten. Als ze een beddenpost had om vast te houden, zou de kamer misschien niet zo heen en weer rollen en deinen.
‘Ik wil weten waarom moeder op je knie zat.’ Hij deed een stap naar achter en ze besefte dat ze weer naar zijn snor had gegrepen. ‘Jij bent een speelman. Mijn moeder zou nooit op de knie van een speelman gaan zitten.’
‘Ga naar bed, kind.’
‘Ik ben géén kind meer.’ Ze stampte boos met haar voet en viel bijna om. De vloer leek lager dan die was. ‘Geen kind meer. Je gaat het me vertellen. Nu!’
Thom zuchtte en schudde het hoofd. Eindelijk zei hij strak: ik ben niet altijd speelman geweest. Vroeger was ik een bard. Een hofbard. In Caemlin toevallig. Voor koningin Morgase. Jij was een kind. Je herinnert je de dingen alleen verkeerd, dat is alles.’