Midden in de lucht hing de Heerser van Vlammen, werd groter en groter en staarde hem met een wrede glimlach aan. De Heerser was nu bijna levensgroot en ze maakte aanstalten uit haar kaart te stappen. Ze was nog steeds een geschilderde vorm, had geen diepte, maar ze wilde het wapen in hem steken, reeds rood van zijn bloed alsof het zijn hart had getroffen. Naast haar begon de Heerser van Bekers te groeien en de Tyreense hoogheer trok zijn zwaard.
Mart zweefde, maar op de een of andere manier lukte het hem de dolk in zijn linkermouw te grijpen en in één beweging recht naar het hart van de Amyrlin te werpen. Als dit ding tenminste een hart had. Het tweede mes verscheen even soepel in zijn linkerhand en werd nog soepeler geworpen. De twee wapens zweefden als pluisjes in de lucht. Hij wilde gillen, maar die eerste geschrokken schreeuw van schrik en woede was nog steeds niet geëindigd. De Heerser van Staven zwol op naast de eerste twee kaarten, de koningin van Andor greep de scepter als een knuppel vast, terwijl haar roodgouden haar het vertrokken gezicht van een krankzinnige omlijstte.
Nog steeds viel hij, nog steeds gilde hij die langgerekte kreet. De Amyrlin was los van haar kaart, de hoogheer stapte met getrokken zwaard naar voren. De vlakke vormen bewogen bijna even langzaam als hij. Bijna. Hij had het bewijs dat het staal in hun handen kon snijden en ongetwijfeld kon de scepter zijn schedel laten barsten. Zijn schedel. Zijn geworpen dolken bewogen alsof ze in gelei dreven. Hij wist zeker dat de haan voor hem had gekraaid. Wat zijn vader ook gezegd mocht hebben, het voorteken was er echt. Maar hij zou niet opgeven en sterven. Op de een of andere wijze wist hij nog twee dolken uit zijn jas te wurmen, een in iedere hand. Verwoed trachtte hij zich midden in de lucht op te richten, zodat hij kon gaan staan, en gooide één mes naar de goudharige vrouw met de knuppel. Het andere hield hij gereed, terwijl hij trachtte rond te draaien, om meteen klaar te staan voor...
De wereld schokte terug naar de gewone beweging en hij kwam onhandig op zijn zij neer, zo hard dat hij even naar adem snakte. Verbeten krabbelde hij overeind en trok een nieuw mes onder zijn jas vandaan. Je kunt er nooit genoeg bij je hebben, beweerde Thom. Geen van beide messen was nog nodig.
Heel kort meende hij dat de kaarten en personen waren verdwenen. Maar misschien had hij zich dit alles verbeeld. Misschien was hij degene die krankzinnig ging worden. Toen zag hij de kaarten, weer op normale grootte, vastgespietst met zijn natrillende messen in de donkere houtpanelen. Hij haalde diep en bevend adem. De tafel lag op z’n kant, de munten rolden nog over de vloer, waar de jonge heren en bedienden ineengedoken tussen de gevallen kaarten zaten gehurkt. Ze keken met open mond en even grote ogen naar Mart en zijn messen, naar die in zijn handen en die in de muur. Estean griste een zilveren kan weg die toevallig rechtop was blijven staan en begon de wijn naar binnen te gieten, waarbij hij verschrikkelijk over zijn kin en vest morste.
‘Alleen omdat je geen winnende kaart bezat,’ zei Edorion hees, ‘hoef je nog niet...’ Hij slikte de rest huiverend in.
‘Jij zag het ook!’ Mart liet de messen weer in de scheden verdwijnen. Een dun spoortje bloed liep uit het kleine wondje in zijn hand. ‘Doe nou niet of je blind was!’
‘Ik heb niets gezien,’ zei Reimon stijf. ‘Niets!’ Hij kroop weg over de vloer, raapte de gouden en zilveren munten op en gaf dat alle aandacht, alsof het de belangrijkste zaak ter wereld was. De anderen deden hetzelfde, behalve Estean, die rondschoof en in de gevallen kannen keek of er nog wijn in zat. Een bediende had beide handen voor zijn ogen geslagen, de ander zat met gesloten ogen te prevelen in een zacht, ademloos gejank.
Mart mompelde een vloek en beende naar de plek waar zijn messen de drie kaarten in het houtwerk hadden vastgeprikt. Het waren weer gewone speelkaarten, gewoon hard papier met een kleurige, gebarsten laklaag. Maar het plaatje van de Amyrlin hield nog steeds de dolk vast en niet de vlam. Hij proefde bloed en besefte dat hij aan de wond op de rug van zijn hand zoog.
Haastig wrong hij de messen los, waarna hij de kaarten doormidden sneed en de messen wegstak. Even later zocht hij tussen de kaarten die verspreid over de vloer lagen, tot hij de Heersers van Munten en Winden had gevonden en scheurde die toen ook doormidden. Hij voelde zich een dwaas. Het was allemaal achter de rug, de kaarten waren weer kaarten, maar hij kon het niet helpen.
Geen enkele jonge heer die op handen en knieën rondkroop, probeerde hem tegen te houden. Ze schoven voor hem opzij, keken hem zelfs niet aan. Vanavond zou er niet meer gespeeld worden en waarschijnlijk de komende avonden ook niet. Niet met hem tenminste. Wat er ook was gebeurd, het was duidelijk op hem gericht geweest. Nog duidelijker was dat het iets van de Ene Kracht was. Daar wilden ze niets mee te maken hebben.
‘Bloedvuur, Rhand!’ mompelde hij stil. ‘Als je dan zo nodig krankzinnig moet worden, laat mij er dan buiten!’ Zijn pijp lag in twee stukken op de grond, de steel was netjes doormidden gebeten. Boos raapte hij zijn beurs op en beende het vertrek uit.
In zijn verduisterde slaapvertrek lag Rhand onrustig te woelen op een bed dat breed genoeg was voor vijf mensen. Hij droomde. Moiraine dreef hem porrend met een scherpe stok een schaduwrijk woud door naar een boomstronk waar de Amyrlin Zetel zat te wachten met een touw in een lus voor zijn nek. Grijze gestalten bewogen half zichtbaar tussen de bomen door, stapten met hem mee, waren op jacht naar hem; hier flitste een dolk in het afnemende licht, elders ving hij een glimp op van boeien. Slank en net niet tot zijn schouders reikend keek Moiraine op een manier die hem nooit eerder was opgevallen. Vrees. Zwetend porde ze hem sneller te lopen en trachtte ze hem naar de strop van de Amyrlin te drijven. Duistervrienden en Verzakers in de schaduwen, de strop van de Witte Toren voor hem en Moiraine achter hem. Hij dook weg voor Moiraines stok en vluchtte weg. ‘Daar is het te laat voor,’ riep ze hem achterna, maar hij moest terug. Terug. Mompelend lag hij in het bed te woelen en lag toen weer stil, nu rustig ademend.
Hij was thuis, in het Waterwold, banen zonlicht vielen schuin tussen de bomen door en flonkerden in het vennetje dat voor hem lag. Er zat groen mos op de stenen aan deze kant van het meertje en dertig pas verder stond een kleine boog van wilde bloemen. Dit was de plek waar hij als kind had leren zwemmen. ‘Je zou nu moeten gaan zwemmen.’
Hij tolde geschrokken rond. Min stond hem toe te grijnzen in haar jongenskleren en naast haar stond Elayne met haar roodgouden krullen, in een groen zijden gewaad dat bij het paleis van haar moeder hoorde.
Min had het gezegd, maar Elayne voegde eraan toe: ‘Het water ziet er uitnodigend uit, Rhand. Hier zal niemand ons lastig vallen.’ ik weet niet,’ begon hij langzaam. Min voorkwam verdere woorden door haar vingers om zijn nek te strengelen en hem op haar tenen staand te kussen.
Ze herhaalde zacht mompelend Elaynes woorden. ‘Niemand zal ons hier lastig vallen.’ Ze deed een stap achteruit en liet haar jas vallen, waarna ze de sluiting van haar hemdje begon los te vlechten. Rhand keek met open mond toe en het werd nog erger toen hij besefte dat Elaynes gewaad op de grond lag. De erfdochter stond met gekruiste armen voorover gebogen om haar onderkleed op te tillen. ‘Wat gaan jullie doen?’ wilde hij met gesmoorde stem weten. ‘Ons klaarmaken om samen met jou te gaan zwemmen,’ antwoordde Min.
Elayne glimlachte hem flitsend toe en trok het onderkleed over haar hoofd.
Hij keerde zich haastig om, hoewel hij dat niet van harte deed. En stond toen opeens vlak voor Egwene, die hem met haar grote donkere ogen droevig aankeek. Zonder een woord te zeggen draaide ze zich om en verdween tussen de bomen. ‘Wacht!’ riep hij haar na. ‘Ik kan alles uitleggen.’ Hij zette het op een hollen; hij moest haar vinden. Maar toen hij aan de rand van het bos kwam, hield Mins stem hem tegen. ‘Ga niet, Rhand.’
Elayne en zij lagen reeds in het water en alleen hun hoofden waren te zien, terwijl ze midden in het meer lui door het water zwommen. ‘Kom terug,’ riep Elayne, een slanke arm opheffend om hem te wenken. ‘Verdien je voor de verandering niet eens iets wat jij wilt?’ Hij schuifelde met z’n voeten en wilde ergens heen, maar hij kon niet beslissen waarheen. Wat hij wilde. De woorden klonken vreemd. Wat wilde hij? Hij bracht zijn hand naar zijn gezicht om iets weg te vegen wat als zweet aanvoelde. Rottend vlees maakte de in zijn handpalm gebrande reiger bijna onzichtbaar; in de roodgerande gaten schemerde wit bot.