‘Jij was haar minnaar, nietwaar?’ Zijn samengeknepen ogen waren voldoende. ‘Je was het! Van Garet Brin heb ik het altijd geweten. Ik had dat tenminste zo bedacht. Maar ik hoopte altijd dat ze met hem zou trouwen. Garet Brin en... jij... en... Hoeveel mannen meer? Hoeveel mannen? Dan bestaat er toch geen enkel verschil tussen haar en Berelain. Zij lokt toch ook iedere man waar haar oog op valt in haar bed? Ze is dan niet anders...’ Alles wat ze zag, leek te trillen en haar hoofd bonsde. Het duurde even voor ze besefte dat hij haar een klap had gegeven. Een klap! Ze richtte zich op en wenste vurig dat hij niet zo heen weer bleef zwaaien. ‘Hoe durf je! Ik ben de erfdochter van Andor en niemand...’
‘Jij bent een klein meisje met wijn tot aan haar oren, die zich in een toeval gaat storten,’ snauwde hij. ‘En als ik je ooit nog eens zoiets over Morgase hoor zeggen, dronken of nuchter, leg ik je over de knie, al geleid je van alles. Morgase is een prachtvrouw, een van de beste.’ is ze dat?’ Haar stem trilde en ze besefte dat ze huilde. ‘Maar waarom heeft ze dan...? Waarom...?’ Op de een of andere manier had ze haar gezicht in zijn jas begraven en streelde hij haar haren. ‘Je bent heel eenzaam als je koningin bent,’ zei hij zachtjes. ‘De meeste mannen die een koningin aantrekkelijk vinden, zien macht, niet de vrouw. Ik zag een vrouw en ze wist het. Ik veronderstel dat Brin hetzelfde in haar zag. Je moet het begrijpen, kind. Iedereen wil iemand in zijn leven hebben, iemand die om haar geeft, iemand om wie zij geeft. Ook een koningin.’
‘Waarom ben je weggegaan?’ mompelde ze tegen zijn borst. ‘Je maakte me aan het lachen. Ik herinner me dat. Je maakte haar ook aan het lachen. En ik mocht paardjerijden op je schouders.’
‘Een lang verhaal.’ Hij zuchtte verdrietig, ik zal het je een andere keer vertellen. Als je het me vraagt. Als ik geluk heb, ben je dit morgenochtend vergeten. Het is tijd dat je naar bed gaat, Elayne.’ Hij bracht haar naar de deur en ze greep de kans hem weer aan zijn snor te trekken. ‘Zo deed ik dat,’ zei ze tevreden. ‘Ik trok er altijd op die manier aan.’
‘Ja, inderdaad. Kun je alleen naar beneden?’
‘Natuurlijk.’ Ze keek hem heel hooghartig aan, maar hij leek meer dan ooit bereid haar naar de gang te volgen. Om te bewijzen dat het niet nodig was, liep ze – voorzichtig – tot boven aan de trap. Hij stond haar nog steeds bezorgd fronsend na te kijken toen ze de eerste stappen deed.
Gelukkig struikelde ze niet, maar ze liep straal langs haar kamerdeur en moest terug. Er moest met die appelmoes iets mis zijn geweest. Ze wist dat ze er niet zoveel van had moeten nemen. Lini zei altijd... Ze kon zich niet meer herinneren wat Lini ook alweer gezegd had, maar het was iets over te veel zoetigheid.
Er brandden twee lampen in de kamer, een op een klein rond tafeltje bij het bed en de andere op de gepleisterde mantel van de bakstenen haard. Nynaeve lag volledig gekleed languit op het bed boven op de dekens. Met haar ellebogen naar buiten, zag Elayne. Ze zei het eerste wat in haar opkwam. ‘Rhand moet wel denken dat ik gek ben. Thom is een bard en Berelain is helemaal mijn moeder niet.’ Nynaeve keek haar heel vreemd aan. ‘Ik ben zomaar een beetje duizelig. Een leuke jongen met lieve bruine ogen bood aan me naar boven te helpen.’
‘Ik wil er wat om verwedden dat hij dat aanbood,’ zei Nynaeve, ieder woord afbijtend. Ze kwam overeind en sloeg een arm om Elaynes schouders. ‘Kom eens even hier. Er is iets wat je volgens mij moet zien.’ Dat iets bleek een emmer water naast het wastafeltje te zijn. ‘Hier. We moeten allebei knielen om het te zien.’
Elayne deed het, maar er was niets in de emmer, alleen haar eigen spiegelbeeld. Ze vroeg zich af waarom de andere vrouw zo grijnsde. Toen gleed Nynaeves hand naar haar nek en duwde ze haar hoofd in het water.
Met zwaaiende armen probeerde ze op te staan, maar Nynaeves arm was net een ijzeren stang. Je diende onder water je adem in te houden. Elayne wist dat heel goed, maar ze kon alleen maar met haar armen zwaaien, gorgelen en stikken.
Nynaeve trok haar omhoog. Het water stroomde van haar gezicht en ze kon haar longen weer vullen. ‘Hoe... durf je,’ hijgde ze. ‘Ik ben de... erfdochter van...’ Ze kon nog net een jammerklacht uiten voor haar hoofd weer met veel gespat in het water verdween. Het hielp niet dat ze de emmer met beide handen vastgreep en zich wegduwde. Haar voeten roffelden op de vloer, maar dat hielp evenmin. Ze verdronk.
Nynaeve ging haar verdrinken.
Na een eeuw kon ze weer gewoon luchr krijgen. Slierten drijfnat haar plakten dwars over haar gezicht, ik denk,’ zei ze zo afgepast mogelijk, ‘dat ik ga overgeven.’
Nynaeve pakte nog net op tijd de grote witgeglazuurde bak van het wastafeltje en hield Elaynes hoofd vast, terwijl ze alles uitspuugde wat ze ooit in haar leven had gegeten. Een jaar later – nou ja, veel later in ieder geval, zo lang leek het – waste Nynaeve Elaynes gezicht en stak haar handen en polsen in het water. In haar stem klonk echter geen enkele bezorgdheid door.
‘Hoe kun je? Wat bezielt je? Ik kan erop rekenen dat een stomme kerel blijft drinken tot hij niet meer op zijn voeten kan staan, maar jij! En nog wel vanavond.’
‘Ik had maar één beker,’ mompelde Elayne. Zelfs als die jongeman die telkens had bijgevuld, kon ze er niet meer dan twee hebben gehad. Zeker niet meer.
‘Een beker zo groot als een kan,’ snoof Nynaeve en hielp haar overeind. Trok haar overeind eigenlijk. ‘Kun je wakker blijven? Ik ga Egwene opzoeken en ik weet niet of ik op eigen kracht uit Tel’aran’rhiod kan komen als iemand me niet wekt.’
Elayne zat haar knipperend aan te kijken. Ze hadden Egwene gezocht, altijd vergeefs, elke avond sinds ze opeens tijdens hun ontmoeting in het Hart van de Steen was verdwenen.
‘Wakker blijven? Nynaeve, het is mijn beurt te gaan kijken en ik kan het maar beter doen ook. Je weet dat je niet kunt geleiden, tenzij je boos bent en...’ Ze besefte dat de ander in de gloed van saidar was gehuld. Al enige tijd, besefte ze. Haar hoofd leek vol wol te zitten; elke gedachte moest zich naar buiten graven. Ze kon de Ware Bron amper voelen. ‘Misschien kun jij maar beter gaan. Ik blijf wel wakker.’
Nynaeve keek haar fronsend aan, maar knikte ten slotte. Elayne hielp haar bij het uitkleden, maar haar vingers leken bij die kleine knoopjes niet zo goed te werken. Binnensmonds mopperend speelde Nynaeve het zelf klaar. Alleen in haar onderkleren reeg ze de gedraaide stenen ring aan het leren koordje van de zware gouden mannenring. Dat was de ring van Lan. Nynaeve droeg hem altijd op haar borst. Elayne trok een laag houten krukje naast het bed, terwijl Nynaeve zich weer uitstrekte. Ze voelde zich eigenlijk heel slaperig, maar op dit krukje zou ze niet in slaap vallen. Het probleem was veel meer om niet op de vloer te vallen, ik schat wel hoelang het duurt en maak je dan wakker.’
Nynaeve knikte en sloot toen haar ogen, beide handen om de twee ringen geklemd. Even later werd haar ademhaling dieper.
Het Hart van de Steen was volkomen verlaten. Nynaeve tuurde de duisternis tussen de hoge kolommen in terwijl ze rond Callandor liep, die flonkerend uit de vloerstenen omhoogstak. Toen besefte ze dat ze nog steeds in haar ondergoed liep. Het leren koordje met de twee ringen bungelde aan haar nek. Ze fronste en even later droeg ze de kleding van Tweewater, goede bruine wol en stevige schoenen. Elayne en Egwene kregen dat soort dingen gemakkelijk klaar, maar zij niet. Het was tijdens eerdere bezoeken aan Tel’aran’rhiod heel vaak gebeurd dat ze zich beschaamd had gevoeld, meestal als ze verstrooid aan Lan had gedacht. Als zij echter met opzet haar kledij wilde veranderen, had ze daarbij alle aandacht nodig. Die ene herinnering was al voldoende en opeens was haar gewaad van zijde en even doorzichtig als de sluier van Rendra. Zelfs Berelain zou een hoogrode kleur hebben gekregen. Nynaeve ook als ze dacht dat Lan haar in zoiets zou zien. Het kostte moeite de bruine wol weer terug te denken.