Выбрать главу

Nynaeve verscheen, ging zitten en overhandigde haar een vochtige handdoek. Ze schoof haar ook de beker met het afschuwelijke brouwsel toe. Elayne drukte de doek dankbaar tegen haar voorhoofd. ‘Heeft een van jullie baas Sandar vanmorgen gezien?’ vroeg Nynaeve. ‘Hij is niet op onze kamer geweest.’ antwoordde Thom. ‘Waar ik heel dankbaar voor moet zijn, gezien de breedte van ons bed.’ Alsof deze woorden hem hadden geroepen, kwam Juilin door de buitendeur naar binnen. Zijn gezicht stond uitgeput en zijn mooi gesneden jas was verkreukeld. Onder zijn linkeroog zat een opgezwollen rode plek en zijn korte zwarte haar, dat gewoonlijk plat op het hoofd lag, leek haastig met zijn vingers gekamd, maar hij ging glimlachend bij hen aan tafel zitten. ‘De dieven in deze stad zijn even talrijk als elritsen in het riet en ze willen best praten als je een drankje voor ze betaalt. Ik heb met twee man gesproken die beweren dat ze een vrouw hebben gezien met een witte lok boven het linkeroor. Ik denk dat ik één wel geloof.’

‘Dus ze zijn hier,’ zei Elayne, maar Nynaeve schudde het hoofd. ‘Misschien. Er kunnen meer vrouwen met een witte lok zijn.’

‘Hij kon me niet vertellen hoe oud ze was,’ zei Juilin, geeuwend achter z’n hand. ‘Helemaal geen leeftijd, beweerde hij. Hij grapte dat het misschien een Aes Sedai was.’

‘Je loopt te hard van stapel,’ zei Nynaeve hem strak. ‘Je helpt ons niet echt als we ze daardoor op ons dak krijgen.’

Juilin werd donkerrood. ‘Ik ben voorzichtig. Ik heb er ook geen trek in dat die Liandrin me weer in haar handen krijgt. Ik stel geen vragen, ik praat. Soms over vrouwen die ik vroeger heb gekend. Twee man hapten door die witte lok in mijn aas en geen van beiden zal ooit beseffen dat dit meer was dan een praatje bij een goedkoop biertje. Mogelijk zwemt er vanavond een ander in mijn net, alleen is het dan misschien een tengere vrouw uit Cairhien met heel grote blauwe ogen.’ Dat was Temaile Kinderode. ‘Beetje bij beetje zal ik het gebied waar ze gezien zijn, verkleinen, tot ik weet waar ze zitten. Ik ga ze voor jullie vinden.’

‘En anders ik.’ Thom klonk alsof hij dacht dat zijn kansen veel beter waren. ‘Zouden ze zich niet veel eerder bij heren en bestuurders ophouden dan bij dieven? Een of andere heer in deze stad zal dingen doen die hij gewoonlijk vermijdt en op dat soort dingen ben ik gespitst.’ De twee mannen namen elkaar op. Elk moment verwachtte Elayne dat de een de ander voor een partijtje worstelen zou uitdagen. Mannen. Eerst Juilin en Domon, nu Juilin en Thom. Thom en Domon zouden heel waarschijnlijk ook wel op de vuist gaan om het kringetje te sluiten. Mannen. Dat was het enige dat ze over hen kon bedenken. ‘Misschien lukt het Elayne en mij zonder jullie,’ zei Nynaeve droog. ‘We gaan zelf ook zoeken vandaag.’ Haar ogen schoten even onmerkbaar naar Elayne. ik ga tenminste. Elayne heeft misschien nog wat rust nodig om... van de zeereis te herstellen...’

Elayne legde de doek behoedzaam neer en gebruikte beide handen om de beker op te pakken. De dikke, grijsgroene vloeistof smaakte nog erger dan hij rook. Rillend dwong ze zich alles door te slikken. Toen het in haar maag vloeide, voelde ze zich even een fladderende mantel in de harde wind. ‘Twee paar ogen zien meer dan een,’ vertelde ze Nynaeve en zette met een klap de lege beker neer.

‘Maar honderd paar ogen zien nog veel beter,’ zei Juilin snel, ‘en als die Illiaanse gladjanus zijn mannen er echt op uitstuurt, zullen we er zoveel hebben, zeker met mijn dieven en beurzensnijders erbij.’ ik... wij zullen die vrouwen voor jullie vinden als ze gevonden kunnen worden,’ zei Thom. ‘Jullie hoeven geen voet buiten deze herberg te zetten. De stad voelt ook zonder Liandrin gevaarlijk aan.’

‘Bovendien,’ voegde Juilin eraan toe. ‘Als ze hier zijn, kennen ze jullie allebei. Ze kennen jullie van gezicht. Het is veel beter dat jullie uit het zicht blijven, in deze herberg.’

Elayne keek hen stomverbaasd aan. Zojuist hadden ze geprobeerd elkaar af te troeven en nu stonden ze eensgezind naast elkaar. Nynaeve had gelijk toen ze zei dat ze moeilijkheden zouden geven. Nou, de erfdochter van Andor was niet van plan zich achter baas Juilin Sandar en baas Thom Merrilin te verstoppen. Ze deed haar mond al open om dat te zeggen, maar Nynaeve was haar voor.

‘Jullie hebben gelijk,’ zei ze kalm. Elayne staarden haar ongelovig aan.

Thom en Juilin keken verbaasd en tevens walgelijk tevreden. ‘Ze kennen ons,’ vervolgde Nynaeve. ik denk dat ik daar vanmorgen al voor heb gezorgd. Aha, daar is vrouw Rendra met ons ontbijt.’ Thom en Juilin keken elkaar bezorgd fronsend aan, maar ze konden niets zeggen nu de herbergierster met een glimlach achter de sluier bij hen stond.

‘Weet u nog wat ik heb gevraagd?’ zei Nynaeve toen de vrouw een kom met honingpap voor haar neerzette.

‘O, ja. Het is geen probleem passende kleren te vinden. En het haar -jullie hebben allebei zulk prachtig haar, zo mooi lang – het kost weinig tijd om dat te kappen.’ Ze voelde aan haar eigen hoogblonde vlechten.

Elayne moest glimlachen bij het zien van Thoms en Juilins gezicht. Ze hadden zich misschien op een fikse ruzie voorbereid, maar tegen negeren konden ze zich niet verdedigen. Haar hoofd voelde eigenlijk een stuk beter. Dat smerige brouwsel van Nynaeve leek te werken. Terwijl Nynaeve en Rendra prijzen en stijl en stof bespraken – Rendra wilde net zoiets als haar strakke gewaad, dat vandaag lichtgroen was; Nynaeve was ertegen, maar leek te weifelen – nam Elayne een hap honingpap om de vieze smaak uit haar mond te krijgen. Hierdoor merkte ze dat ze trek had.

Er was echter nog één probleem dat niemand had genoemd. Een probleem waar Thom en Juilin niets van wisten. Als de Zwarte Ajah in Tanchico was, dan was dat gevaarlijke ding voor Rhand er ook. Iets wat in staat was hem met zijn eigen Kracht te binden. Alleen Liandrin en de anderen vinden was niet genoeg. Ze moesten dat ding ook vinden. Opeens was de trek die ze net voelde, volkomen verdwenen.

40

Jager op Trolloks

De laatste regendruppels van de vroege ochtend druppelden van de appelbomen. Een purpervink huppelde over een tak waaraan de jonge appels groeiden die dit jaar niet meer geplukt zouden worden. De zon was al een tijd op, maar bleef verborgen achter dikke grijze wolken. Perijn zat met gekruiste benen op de grond en beproefde gedachteloos zijn boogpees; de strakke, in de was gezette koorden hadden de neiging bij regen slapper te worden. De storm die Verin in de nacht van hun reddingspoging had opgeroepen om aan hun achtervolgers te ontsnappen, was zo krachtig geweest dat het zelfs haar had verbaasd. In de afgelopen zes dagen waren er nog drie keer zware regenbuien gevallen. Hij dacht dat het zes dagen waren. Sinds die nacht had hij feitelijk nergens aan gedacht. Hij liet zich door de gebeurtenissen meevoeren, en reageerde slechts op wat zich voordeed. De bovenrand van zijn bijl drukte in zijn zij, maar hij merkte het nauwelijks. Lage, met gras begroeide heuveltjes gaven aan waar hele generaties Aybara’s begraven waren. De oudste beschreven houten grafborden waren gebarsten en de jaren waren amper leesbaar boven graven die niet meer te onderscheiden waren van de grond eromheen. Hij zag echter alleen de heuveltjes die door de regenval wel waren ingeklonken maar nog nauwelijks met gras waren bedekt. Er lagen vele Aybara’s hier begraven, maar nu waren er veertien tegelijkertijd bij gekomen. Tante Neila daarginds, naast het oudere graf van oom Karlijn, met haar beide kinderen naast haar. Oudtante Alsine naast oom Ewar en tante Magde en hun drie kinderen. Dan de lange, lange rij met zijn vader en moeder, met Adora en met Deselle en met kleine Peet. Een lange rij grafheuvels, waar de grauwe, natte aarde nog door het gras schemerde. Op het gevoel telde hij de laatste pijlen in zijn koker. Zeventien. Te veel ervan waren beschadigd, slechts het bewaren waard vanwege de ijzeren punten. Hij had geen tijd om zelf pijlen te maken; hij zou de pijlenmaker in Emondsveld gauw moeten opzoeken. Buul Datrijn maakte goede pijlen, zelfs nog betere dan die van Tham. Hij hoorde een zacht geritsel achter zich en snoof de lucht op. ‘Wat is er, Danel?’ zei hij, zonder zich om te draaien.