Hij hoorde een stokkende adem, merkte een moment van verbazing, voordat Danel Lewin zei: ‘De vrouwe is er, Perijn.’ Ze waren het nog steeds niet gewend dat hij ongezien of in het donker wist wie er was, maar het kon hem niet meer schelen of ze het gek vonden. Hij keek fronsend om. Danel zag er beslist magerder uit; boeren konden nu eenmaal maar een beperkt aantal monden voeden, en het hing van de jacht af of het heerlijk eten werd of honger. Meestal honger. ‘De vrouwe?’
‘Vrouwe Faile. En heer Luc. Ze komen uit Emondsveld.’ Perijn kwam soepel overeind en nam grote stappen, zodat Danel zich moest reppen om hem bij te houden. Het lukte hem om niet naar het huis te kijken. Niet naar de verkoolde balken en beroete schoorstenen, zijn vroegere huis, waarin hij was opgegroeid. Hij keek wel onderzoekend naar de bomen, naar zijn verspieders, die het dichtst bij de boerderij zaten. Het land lag dicht tegen het Waterwold aan en er stonden genoeg rijzige eiken en dennen, en flinke essen en laurierbomen. Het dichte loof verborg de jongens goed – in hun grijze boerenkleren waren ze goed verborgen – en zelfs hij had er moeite mee om ze te onderscheiden. Hij moest eens praten met degenen die verder weg stonden; zij dienden ervoor te zorgen dat niemand zonder een waarschuwing dichterbij kwam. Zelfs Faile en die Luc niet. Het kamp lag in een flink bosje, waar hij ooit eens gespeeld had dat het een verre wildernis was. Het was een grof opgeslagen kamp tussen het onderhout, waar dekens voor een onderdak tussen de bomen gespannen waren. Op de grond tussen de kleine kookvuren lagen nog meer dekens verspreid. Ook hier dropen de takken. Er waren bijna vijftig mannen in het kamp, allemaal jongelui, de meesten ongeschoren. Dat was in navolging van Perijn, of gewoon omdat het vervelend was om je met koud water te scheren. Het waren allemaal goede jagers – hij had iedereen naar huis gestuurd die dat niet was – maar ze waren niet gewend aan meerdere nachten buitenshuis. En ook niet aan wat hij hen liet doen.
Ze stonden nu Faile en Luc aan te gapen, en slechts vier of vijf hadden hun voetboog bij de hand. De andere bogen lagen net als hun pijlkokers bij de dekens. Luc stond wat ijdel te zwiepen met de teugels van een grote, zwarte hengst, een en al ontspannen opschepperij in een rode mantel, terwijl zijn kille blauwe ogen de mannen niet schenen te zien. Zelfs de geur van die man was anders, koud en ook afwerend, bijna alsof hij niets gemeen had met de mannen in het kamp, zelfs hun menselijkheid niet.
Faile haastte zich met een glimlach naar Perijn. Haar rijbroek maakte een zacht ruisend geluid van zijde over zijde. Ze rook vaag naar zoete kruidenzeep en naar zichzelf. ‘Baas Lohan zei dat we je hier wel zouden vinden.’
Hij had haar willen vragen wat ze hier kwam doen, maar in plaats daarvan merkte hij dat hij zijn armen om haar heen sloeg en in haar haren zei: ‘Fijn je te zien. Ik heb je gemist.’
Ze duwde hem iets van zich af om hem aan te kijken. ‘Je ziet er moe uit.’
Hij negeerde dat; hij had geen tijd om moe te zijn. ‘Je hebt iedereen veilig in Emondsveld weten te krijgen?’
‘Ze zitten in De Wijnbron.’ Plotseling grijnsde ze. ‘Meester Alveren heeft een oude hellebaard gevonden en zegt dat de Witmantels hen alleen over zijn lijk kunnen oppakken. Iedereen is nu in het dorp, Perijn. Verin en Alanna en de zwaardhanden. Natuurlijk doen ze net alsof ze geen Aes Sedai zijn. Loial is er ook. Hij heeft voor nogal wat opschudding gezorgd. Nog meer dan Bain en Chiad.’ Haar grijns ging over in een .bezorgde blik. ‘Hij vroeg me een boodschap aan je door te geven. Alanna is twee keer zonder iets te zeggen verdwenen, een keer zelfs alleen. Loial zei dat Ihvon verbaasd keek, toen hij merkte dat ze weg was. Hij zei dat ik het niemand anders mocht laten weten.’ Ze keek hem vragend aan. ‘Wat betekent dat, Perijn?’
‘Misschien niets. Alleen dat ik haar misschien niet kan vertrouwen. Verin heeft me voor haar gewaarschuwd, maar kan ik Verin vertrouwen? Zei je dat Bain en Chiad in Emondsveld zijn? Dan mag ik aannemen dat hij ze gezien heeft?’ Hij gebaarde met zijn hoofd naar Luc. Een paar mannen waren naar hem toegegaan en hadden hem bedeesd wat gevraagd, waarop hij neerbuigend antwoord gaf. ‘Ze zijn met ons meegekomen,’ zei ze langzaam. ‘Ze verkennen nu de omgeving van het kamp. Ik geloof niet dat ze veel vertrouwen hebben in jouw schildwachten. Perijn, waarom wil je niet dat Luc iets over de Aiel te horen krijgt?’
‘Ik heb met een aantal mensen gepraat van wie de boerderijen zijn afgebrand.’ Luc was te ver weg om hem te kunnen horen, maar hij hield zijn stem zacht. ‘Met die van Vlan Lewin erbij, heeft hij er op de dag zelf of op de dag ervoor vijf bezocht die werden aangevallen.’
‘Perijn, de man heeft iets van een hooghartige dwaas – ik heb gehoord dat hij zinspeelde op een aanspraak op een troon in een van de Grenslanden, hoewel hij ons vertelde dat hij uit Morland kwam – maar je gelooft toch niet echt dat hij een Duistervriend is? In Emondsveld heeft hij goede raad gegeven. Toen ik zei dat iedereen er was, bedoelde ik ook iedereen.’ Ze schudde verwonderd haar donkere hoofd. ‘Honderden en honderden mensen zijn er gekomen, uit het noorden en het zuiden en van overal, met hun vee en hun schapen, en ze hebben het allemaal over de waarschuwende woorden van Perijn Guldenoog. Jouw kleine dorp maakt zich op om zich zo nodig te verdedigen, en Luc is de laatste dagen overal geweest.’
‘Perijn wie?’ zuchtte hij, ineenkrimpend. Hij probeerde van onderwerp te veranderen en zei: ‘Uit het zuiden? Maar zover ben ik niet eens gekomen. Dit hier is het verste. Ik heb geen enkele boer gesproken die verder dan een span van de Wijnvloed vandaan woont.’ Faile lachte en trok aan zijn baard. ‘Nieuws gaat snel, mijn veldheer. Ik geloof dat minstens de helft verwacht dat je een leger van ze maakt en de Trolloks helemaal tot aan de Grote Verwording terugjaagt. In Tweewater zullen de volgende duizend jaar verhalen over jou de ronde doen. Perijn Guldenoog, jager op Trolloks.’
‘Licht!’ mopperde hij.
Jager op Trolloks. Zoveel had hij niet gedaan om dat te rechtvaardigen. Twee dagen na de bevrijding van vrouw Lohan en de anderen, de dag nadat Verin en Tomas hun eigen weg waren gegaan, waren hij en de vijftien jongens uit Tweewater die bij hem waren gebleven op de nog rokende bouwval van een boerderij gestuit. Na het begraven van enkele resten in de as hadden ze met Gaul als speurder en met behulp van zijn eigen reuk de Trolloks gemakkelijk kunnen volgen. Hun scherpe stank had nog niet de kans gekregen op te lossen, niet voor hem. Enkele jongelui waren gaan twijfelen toen ze beseften dat hij zijn woorden over jacht maken op Trolloks echt had gemeend. Als ze erg ver hadden moeten trekken, zouden de meesten volgens hem er stiekem vandoor zijn gegaan, maar het spoor leidde naar een bosje met kreupelhout dat maar drie span verder lag. De luie Trolloks hadden niet de moeite genomen schildwachten uit te zetten – er was geen Myrddraal bij die de schrik erin hield – en de mannen van Tweewater wisten hoe ze geluidloos moesten sluipen. Tweeëndertig Trolloks waren er gesneuveld, de meeste in hun smerige dekens, waren met pijlen doorboord, voordat ze het op een huilen hadden kunnen zetten, laat staan een zwaard of bijl opheffen. Danel en Ban en de anderen waren net van plan om een groot overwinningsfeest te vieren, tot ze ontdekten wat de grote Trollokketel op de as van het kampvuur bevatte. De meesten renden weg om over te geven en anderen huilden openlijk. Perijn had zelf het graf gegraven. Een enkel graf. Het was niet meer te zien wat aan wie had toebehoord. Hoe kil hij zich ook gevoeld had, hij was er niet zeker van of hij het had kunnen verdragen als hij dat wel had kunnen zien.