De dag daarop had niemand geaarzeld toen hij een ander stinkend spoor vond, hoewel er een paar zich mompelend hadden afgevraagd of hij eigenlijk wel een spoor volgde. Tot Gaul sporen vond van hoeven en laarzen die te groot waren voor mensen. Een ander bosje, dicht bij het Waterwold, verborg eenenveertig Trolloks en een Schim. Er waren schildwachten uitgezet, hoewel de meesten op hun post lagen te snurken. Het zou geen verschil gemaakt hebben, als ze allemaal wakker waren geweest. Gaul doodde degenen die wakker waren, waarbij hij als een schaduw tussen de bomen doorgleed. Tegen die tijd werd Perijn al door bijna dertig man gevolgd. Bovendien hadden degenen die de kookpot niet hadden gezien, er wel over gehoord. Brullend schoten ze hun pijlen af, waarin een tevreden woestheid klonk, een woestheid die niet minder woest was dan de kelige Trollokkreten. De in het zwart geklede Myrddraal was als laatste gedood, een stekelvarken doorzeefd met pijlen. Niemand wenste die pijlen terug te halen, zelfs niet nadat de stuiptrekkingen eindelijk ophielden. Die avond kwam de tweede regenbui, een urenlange stortregen die alles doordrenkte. De lucht hing vol rollende zwarte wolken en knetterende bliksemflitsen. Daarna had Perijn geen Trollokgeur meer geroken, en waren de sporen weggespoeld. Veel tijd ging toen verloren aan het ontwijken van de Witmantels, van wie iedereen zei dat die vaker uitreden dan vroeger. De boeren met wie Perijn had gesproken, zeiden dat de verkenners de ontsnapte gevangenen en hun bevrijders belangrijker leken te vinden dan het opsporen van Trolloks. Er stonden nu behoorlijk veel mannen om Luc heen. Hij was zo lang dat zijn roodgouden haar zichtbaar was boven hun donkere hoofden. Hij scheen te praten en zij luisterden. En knikten. ‘Laten we maar eens horen wat hij te zeggen heeft,’ zei Perijn grimmig.
Hij hoefde maar een beetje te duwen voor de mannen Faile en hem doorlieten. Ze luisterden allemaal aandachtig naar de edelman in zijn rode jas, die waarachtig open hof hield.
‘... dus het dorp is nu helemaal veilig. Genoeg mensen bij elkaar om het te verdedigen. Ik moet zeggen dat ik het plezierig vind om onder een dak te slapen, als ik kan. Vrouw Alveren zet je in de herberg een goed maal voor. Haar brood behoort tor het beste dat ik ooit gegeten heb. Er gaat werkelijk niets boven versgebakken brood met versgekarnde boter, je voeten ’s avonds lekker hoog en genieten van een beker goede wijn of het beste bier van meester Alveren.’
‘Heer Luc zei dat we naar Emondsveld horen te gaan, Perijn,’ zei Kenlie Ahan. Hij wreef met de rug van een smerige hand over zijn neus. Hij was niet de enige die zich weinig had kunnen wassen, en ook niet de enige die een verkoudheid had opgelopen.
Luc glimlachte naar Perijn zoals hij naar een hond zou kijken in de verwachting een kunstje te zien. ‘Het dorp is behoorlijk veilig, maar er is altijd behoefte aan meer sterke mannen.’
‘We jagen op Trolloks,’ zei Perijn koeltjes. ‘Niet iedereen heeft zijn boerderij verlaten, en elke bende die we vinden en doden, betekent minder verbrande boerderijen en meer mensen die een kans krijgen om in veiligheid te komen.’
Wil Alseen lachte blaffend. Hij zag er niet meer zo knap uit met zijn rode, opgezwollen neus en baard van zes dagen. ‘We hebben al dagen lang geen Trollok meer geroken. Wees eerlijk, Perijn. Misschien hebben we ze allemaal al gedood.’ Er klonk instemmend gemompel. ‘Het is niet mijn bedoeling om verdeeldheid te zaaien.’ Luc spreidde argeloos zijn handen. ‘Je hebt zonder twijfel al heel veel succes behaald, naast alles wat we al hebben gehoord. Honderden Trolloks gedood, denk ik. Het is mogelijk dat je ze inderdaad allemaal verjaagd hebt. Ik kan je zeggen dat Emondsveld klaarstaat jullie allemaal als helden in te halen. Dat geldt ook voor de mannen uit Wachtheuvel. Zijn er mensen uit Devenrit?’ Wil knikte, en Luc klopte hem met valse hartelijkheid op de schouder. ‘Een welkom voor helden, dat lijdt geen twijfel.’
‘Iedereen die naar huis wil, kan gaan,’ zei Perijn vlak. Faile wierp hem een waarschuwende blik toe; zo praatte een krijgsheer niet. Maar hij wilde er niemand bij hebben die zelf niet wilde. Hij wilde trouwens helemaal geen krijgsheer zijn. ‘Zelf geloof ik niet dat het werk gedaan is, maar het is jullie keuze.’
Niemand nam de uitnodiging aan, hoewel aan Wil was te zien dat hij dat graag wilde. Maar twintig anderen staarden naar de grond en schuifelden met hun laarzen in de bladeren van vorig jaar. ‘Nou,’ zei Luc achteloos, ‘als er geen Trolloks meer zijn om op te jagen, is het misschien tijd om jullie aandacht op de Witmantels te richten. Ze zijn er niet gelukkig mee dat Emondsveld besloten heeft om zichzelf te verdedigen. En ik heb begrepen dat ze vooral jullie, de vogelvrijen, willen ophangen, omdat jullie hun gevangenen weggevoerd hebben.’
Er werden bezorgde blikken gewisseld tussen de jongens van Tweewater.
Op dat ogenblik drong Gaul zich door de menigte heen, op de hielen gevolgd door Bain en Chiad. Niet dat de Aiel hoefden te duwen; zodra men besefte wie ze waren, maakte men ruim baan. Luc keek Gaul nadenkend, misschien zelfs met iets van afkeuring aan. De Aielman staarde onbewogen terug. De gezichten van Wil en Danel en de anderen klaarden op toen ze de Aiel zagen; de meesten geloofden nog steeds dat er nog een paar honderd ergens in de bosjes en wouden verborgen waren. Ze vroegen zich nooit af waarom al die Aiel zich verborgen hielden, en Perijn zou het zeker nooit ter sprake brengen. Als hun geloof in de versterking van een paar honderd Aiel de moed erin hield, nou best dan.
‘Wat heb je gevonden?’ vroeg Perijn. Gaul was twee dagen geleden verdwenen. Hij kon net zo snel bewegen als een man op een paardenrug, sneller nog in de bossen, en hij merkte meer op. ‘Trolloks,’ gaf Gaul ten antwoord, als meldde hij de aanwezigheid van schapen, ‘die door het Waterwold naar het zuiden trekken. Een goede naam voor een bos. Het zijn er niet meer dan dertig, en ik geloof dat ze van plan zijn hun kamp op te slaan aan de rand van het woud en vannacht toe te slaan.’ Hij grinnikte plotseling wolfachtig. ‘Ze hebben me niet gezien. Ze krijgen geen waarschuwing.’ Chiad boog zich naar Bain toe. ‘Voor een Steenhond beweegt hij niet slecht,’ fluisterde ze, luid genoeg om twintig voet verder gehoord te worden. ‘Alleen een kreupele stier maakt nog iets meer lawaai.’
‘En, Wil?’ zei Perijn. ‘Wil jij naar Emondsveld? Daar kun je je scheren, en misschien vind je een meisje om te kussen, terwijl die Trolloks vanavond een avondmaal hebben.’
Wil bloosde dieprood, ik ben waar jij vanavond bent, Aybara,’ zei hij met harde stem.
‘Niemand wil naar huis als er nog steeds Trolloks in de buurt zijn, Perijn,’ voegde Kenlie eraan toe.
Perijn keek de anderen aan en zag slechts instemmend geknik. ‘En jij, Luc? We zouden vereerd zijn een heer en een Jager op de Hoorn in ons midden te hebben. Je kunt ons laten zien hoe zoiets gedaan moet worden.’
Luc glimlachte heel even, een streep op een steen, een glimlach die zijn koude, blauwe ogen nimmer bereikte. ‘Het spijt me, maar de verdediging van Emondsveld vereist nog steeds mijn aanwezigheid. Ik moet ervoor zorgen dat jouw mensen beschermd worden als de Trolloks in grotere getale dan dertig komen. Of de Kinderen van het Licht. Vrouwe Faile?’ Hij hield een hand op om haar te helpen met opstijgen, maar ze schudde haar hoofd. ‘Ik blijf bij Perijn, heer Luc.’
‘Wat jammer,’ mompelde hij, en haalde de schouders op als wilde hij daarmee zeggen dat je nooit aankon op de smaak van vrouwen. Hij trok aan zijn met wolven versierde handschoenen en zwaaide soepel in het zadel van de zwarte hengst. ‘Alle geluk, meester Guldenoog. Ik hoop dat jullie allemaal geluk hebben.’ Met een halve buiging naar Faile keerde hij met veel vertoon zijn grote paard en dreef het tot een galop aan die sommige mannen dwong opzij te springen. Faile keek Perijn verwijtend aan, wat een lesje over grofheid inhield als ze alleen waren. Hij luisterde naar Lues paard tot hij niets meer hoorde en wendde zich toen tot Gaul. ‘Kunnen we voor de Trolloks uit komen? Hen ergens opwachten voordat ze de plek bereiken waar ze willen stoppen?’