Выбрать главу

Een tel lang gaapte Perijn. Alanna wilde hem vinden en had Ihvon gestuurd? Net op tijd om zijn leven te redden. Hij schudde zijn hoofd en verhief zijn stem weer. ‘Tweewater, naar mij toe! Uit liefde voor het Licht, kom naar me toe! Hier! Kom!’

Deze keer bleef hij doorgaan totdat er bekende gezichten verschenen, die door de bomen struikelden. De helft had met bloed besmeurde gezichten. Geschokte, starende gezichten. Een paar mannen werden ondersteund en sommigen hadden hun bogen verloren. De Aiel kwamen met hen mee. Ze waren kennelijk ongedeerd, maar Gaul hinkte een beetje.

‘Ze kwamen niet van de kant die we verwacht hadden,’ was alles wat de Aielman zei. ‘De nacht was kouder dan we verwacht hadden. Er was meer regen dan we verwacht hadden.’ Zo zei hij het. Faile was er schijnbaar ineens, met de paarden. Met de helft van de paarden, waaronder Zwaluw en Stapper, en negen van de twaalf mannen die hij bij haar had achtergelaten. Een schram ontsierde haar wang, maar ze leefde. Hij probeerde haar te omarmen, maar ze duwde zijn armen weg en mopperde boos over de afgebroken pijl terwijl ze voorzichtig zijn jas wegtrok van de dikke schacht en probeerde te onderzoeken waar de pijl hem precies had verwond.

Perijn bekeek de mannen om hem heen. Er kwamen er niet meer, maar er waren gezichten verdwenen. Kenlie Ahan. Bili Aldaai. Teven Marwin. Hij dwong zichzelf de ontbrekende namen uit te spreken, dwong zich om hen te tellen. Zevenentwintig. Zevenentwintig die er niet waren. ‘Hebben jullie alle gewonden meegenomen?’ vroeg hij dof. is er nog iemand achtergebleven?’ Failes hand op zijn zijde beefde; haar gezichtsuitdrukking was een mengeling van bezorgdheid en woede. Ze had het recht om woedend te zijn. Hij had haar nimmer hierin mogen betrekken.

‘Alleen de doden,’ zei Ban Alseen met een stem die net zo zwaar klonk als zijn gezicht stond.

Wil scheen naar iets te kijken dat net buiten het gezicht lag. ik heb Kenlie gezien,’ zei hij. ‘Zijn hoofd stak in de vork van een eikentak, maar de rest van hem lag aan de voet. Ik heb hem gezien. Hij heeft nou geen last meer van verkoudheid.’ Hij niesde en keek geschrokken op.

Perijn zuchtte zwaar en wenste dat hij dat niet gedaan had; de pijn die in zijn zij omhoogschoot, deed hem zijn tanden opeenklemmen. Faile had een groen gouden sjaal in haar hand gepropt en probeerde zijn hemd uit zijn broek te trekken. Hij duwde ondanks haar protesten haar handen weg; er was geen tijd om wonden te verzorgen. ‘Gewonden op de paarden,’ zei hij, toen hij weer kon spreken. ‘Ihvon, zullen ze ons aanvallen?’ Het woud scheen te stil te zijn. ‘Ihvon?’ De zwaardhand verscheen met een donkergrijze ruin met fiere ogen aan de hand. Perijn herhaalde zijn vraag.

‘Misschien. Misschien niet. Als ze aan zichzelf zijn overgelaten, doden Trolloks wat het makkelijkste is. Zonder een Halfman zullen ze waarschijnlijk liever een boerderij aanvallen dan iemand die hen met zijn pijlen kan treffen. Zorg ervoor dat iedereen die nog kan staan een boog draagt met een aangelegde pijl, zelfs als ze hem niet kunnen trekken. De Trolloks zouden kunnen besluiten dat de prijs voor het plezier te hoog is.’

Perijn huiverde. Als de Trolloks zouden aanvallen, zouden ze net zoveel plezier hebben als tijdens een dans op Zonnedag. Ihvon en de Aiel waren de enigen die echt konden terugvechten. En Faile. Haar donkere ogen smeulden van woede. Hij moest haar in veiligheid brengen. De zwaardhand bood zijn eigen paard niet aan voor de gewonden, wat heel verstandig was. Het dier zou waarschijnlijk niemand anders op zijn rug dulden, en een geoefend krijgsros met zijn meester in het zadel zou een krachtig wapen zijn als de Trolloks weer zouden opdagen. Perijn probeerde Faile op Zwaluw te krijgen, maar ze hield hem tegen. ‘Je had het over de gewonden,’ zei ze zacht. ‘Weet je nog?’ Tot zijn afkeer stond zij erop dat hij Stapper bereed. Hij verwachtte dat de anderen zouden protesteren, nadat hij hen in het ongeluk gestort had, maar er was niemand die dat deed. Er waren net genoeg paarden voor degenen die niet konden lopen of niet in staat waren om een grotere afstand af te leggen. Hij moest met tegenzin erkennen dat hij er een van was, dus eindigde hij in zijn zadel. De helft van de ruiters moest zich stevig vasthouden. Hij zat kaarsrecht en klemde zijn tanden op elkaar om het vol te houden.

Degenen die liepen of strompelden en een paar die reden, hielden hun bogen vast alsof hun leven ervan afhing. Perijn droeg er ook een, net als Faile, al betwijfelde hij of zij een Tweewaterse voetboog kon spannen. Het ging nu om vertoon; om het ophouden van een schijn die hun redding kon betekenen. De drie Aiel zagen er niet anders uit, maar net als Ihvon waren ze zo waakzaam als een opgerolde zweep, terwijl ze voortgleden met hun speren in de riemen van hun pijlkokers gestoken en de hoornboog gereed in hun handen. De rest, waaronder hijzelf, vormde een verfomfaaid stel. Het leek in niets op de groep die hij hier naartoe had geleid, zo zeker en zo trots van zichzelf. Maar de schijn werkte net zo goed als de werkelijkheid. In het eerste span door het kreupelhout brachten opwaaiende briesjes hem de stank van Trolloks die hen schaduwden en beslopen. De stank zakte langzaam weg en verdween toen de Trolloks achteropraakten, voor de gek gehouden door hun vertoning van strijdvaardigheid.

Faile liep naast Stapper, met een hand op Perijns been alsof ze hem in het zadel wilde houden. Nu en dan keek ze op en glimlachte bemoedigend, maar haar bezorgdheid trok diepe rimpels in haar voorhoofd. Hij glimlachte terug zo goed als hij kon, probeerde haar te laten denken dat het wel met hem ging. Zevenentwintig. De namen bleven door zijn hoofd spoken. Kollie Garren en Jared Aydaer, Dal Aitaron en Ren Candijn. Zevenentwintig streekgenoten die hij door zijn dwaasheid had gedood. Zevenentwintig.

Ze namen de kortste weg uit het Waterwold en kwamen ergens in de middag het woud uit. Het was moeilijk om een juiste tijd te geven, met een lucht die nog steeds grijs was, met alles in vage schaduwen gehuld. Voor hen strekte zich een weiland uit met hoog gras, met hier en daar war bomen en verspreide schapen en enkele boerderijen in de verte. Uit geen enkele schoorsteen kwam rook; als er iemand geweest was, zou er iets warms op het vuur hebben gestaan. De dichtstbijzijnde rookpluim leek minstens vijf span verder op te stijgen. ‘We moeten voor de nacht een boerderij zien te vinden,’ zei Ihvon. ‘Een beschutte plek, voor het geval het weer gaat regenen. Een vuur. Voedsel.’ Hij keek naar de Emondsvelders en voegde eraan toe. ‘Water en verband.’

Perijn knikte slechts. De zwaardhand wist beter dan hij wat er gedaan moest worden. Zelfs de oude Bili Kongar, met zijn kop vol bier, zou het waarschijnlijk beter weten. Hij liet Stapper gewoon Ihvons grijze paard volgen.

Voordat ze een span verder waren, ving Perijns oor de vage flarden van muziek op. harpen en fluiten, die vrolijke wijsjes speelden. Eerst dacht hij dat hij droomde, maar toen hoorden de anderen het ook. Ze wisselden verbaasde blikken uit en lachten elkaar toen opgelucht grijnzend toe. Muziek betekende mensen, en zo te horen gelukkige mensen die iets vierden. Dat iemand iets te vieren had, was genoeg om hen ietwat op te beuren.

41

Bij de Tuatha’an

In het zuiden werd een groep wagens zichtbaar, die eruitzagen als huisjes op wielen. Het waren grote, houten woonwagens die geschilderd en gelakt waren in alle mogelijke felle kleuren rood, blauw, groen en geel. Ze stonden ruwweg in een grote kring rond een paar brede eiken. Daar kwam ook de muziek vandaan. Perijn had gehoord dat er ketellappers in Tweewater waren, het Trekkende Volk, maar pas nu zag hij hen voor het eerst. Dichtbij graasden gekluisterde paarden in het hoge gras.

‘Ik ga elders slapen,’ zei Gaul stijfjes, toen hij zag dat Perijn van plan was naar de woonwagens toe te gaan, en holde zonder verder iets te zeggen weg.