Bain en Chiad spraken zacht maar dringend met Faile. Perijn ving genoeg op om te begrijpen dat ze probeerden haar over te halen de nacht samen met hen tussen de bomen door te brengen, en niet met ‘de Verlorenen’. Ze klonken geschokt bij de gedachte met ketellappers te moeten praten, laat staan bij hen te eten of te slapen. Faile weigerde echter, kalm maar beslist, en haar hand klemde zich om zijn been. De twee Speervrouwen keken elkaar somber aan. Blauwe ogen staarden in grijze, met een groot gevoel van onbehagen, maar voordat de wagens van her Trekkende Volk dichterbij kwamen, liepen ze weg en draafden ze achter Gaul aan. Ze leken echter wel beter gestemd. Perijn hoorde hoe Chiad voorstelde Gaul over te halen om een of ander spel te spelen dat ze ‘Maagdenkus’ noemden. Lachend verdwenen ze uit zijn gehoor. In het kamp waren mannen en vrouwen aan het werk. Ze naaiden, kookten, wasten kleren en kinderen, herstelden tuigen of krikten een wagen omhoog om een wiel te vervangen. Andere kinderen holden spelend rond of dansten op de wijsjes van de fluiten of vedels van een handvol mannen. Jong en oud droegen kleren die nog bonter waren dan hun woonwagens, een oogverblindend samenraapsel dat met de ogen dicht moest zijn gekozen. Geen man en maar weinig vrouwen met enig verstand zouden zich zo bont hebben uitgedost. Toen de rampzalige groep de wagens naderde, viel er een stilte. De mensen hielden op met hun bezigheden en keken hen afwachtend aan. De vrouwen omklemden hun kleintjes en kinderen renden weg en verborgen zich achter de grote mensen. Ze gluurden om een been heen of verborgen hun gezichten in hun moeders rokken. Een kleine, pezige, grijsharige man kwam naar voren en maakte een ernstige buiging met beide handen voor de borst. Hij droeg een helderblauwe jas met een hoge kraag en een wijde broek die zo groen was dat hij bijna leek te gloeien, weggestopt in zijn laarzen. ‘U bent welkom bij onze vuren. Kent u het lied?’
Even vergat Perijn zijn pijn en keek hij de man met open mond aan. Hij kende hem, de Mahdi, de Zoeker van deze groep. Hoe groot is zo’n kans? vroeg hij zich af. Om van alle ketellappers ter wereld juist iemand te vinden die ik ken? Toevalligheden lagen hem niet lekker; als het Patroon een toevalligheid opleverde, leek het Rad gebeurtenissen te beïnvloeden. Bloedvuur, ik lijk wel een Aes Sedai. Hij kon zich de buiging niet herinneren, maar wel de plechtige begroeting. ‘Uw welkom verwarmt mijn geest, Mahdi, zoals uw vuren mijn vlees verwarmen, maar ik ken het lied niet.’
Faile en Ihvon keken hem verbaasd aan, net als de mensen van Tweewater. Te horen aan het gemompel van Ban en Tel en anderen had hij hen zojuist weer iets gegeven om over te praten. ‘Dan zoeken wij nog,’ zei de man plechtig. ‘Zoals het was, zal het zijn, als we het maar herinneren, zoeken en vinden.’ Met een bezorgde uitdrukking keek hij naar de bebloede gezichten die hem aanstaarden. Hij wendde zijn blik haastig af van de wapens. Het Trekkende Volk zou nimmer iets aanraken wat zij als een wapen beschouwden. ‘U bent welkom bij ons vuur. Er zal heet water zijn, en zalf en verbanden. U kent mijn naam,’ voegde hij eraan toe, en keek Perijn onderzoekend aan. ‘Natuurlijk, uw ogen.’
Terwijl Raen sprak, kwam zijn vrouw naast hem staan. Ze was een mollige vrouw met grijs haar, maar met nog gladde wangen, en een hoofd groter dan haar man. Haar rode lijfje, haar heldergele rok en een sjaal met groene kwasten deden pijn aan het oog, maar ze had iets moederlijks. ‘Perijn Aybara!’ zei ze. ‘Ik dacht al je gezicht te herkennen. Is Elyas bij je?’
Perijn schudde zijn hoofd. ‘Ik heb hem al heel lang niet gezien, Ila.’
‘Hij leidt een gewelddadig leven,’ zei Raen bedroefd. ‘Zoals jij doet. Een gewelddadig leven is een bezoedeld leven, hoe lang je ook leeft.’
‘Probeer hem nu niet te bekeren tot de Weg van het Blad, Raen,’ zei Ila ferm, maar niet onvriendelijk. ‘Hij is gewond. Ze zijn allemaal gewond.’
‘Wat sta ik te doen?’ bromde Raen. Hij verhief zijn stem en riep: ‘Kom, mensen. Kom helpen. Ze zijn gewond. Kom helpen.’ Mannen en vrouwen verzamelden zich haastig en mompelden medelijdend toen ze de gewonde mannen van het paard hielpen en naar hun wagens brachten, of zo nodig zelfs droegen. Wil en enkele anderen maakten zich wat ongerust omdat ze van elkaar gescheiden werden, maar Perijn niet. Geweld was de Tuatha’an onbekend. Ze zouden nimmer een hand tegen iemand opheffen, zelfs niet om hun eigen leven te redden.
Perijn merkte dat hij Ihvons hulp nodig had om uit het zadel te komen. Het afstijgen stuurde pijnscheuten door zijn lichaam. ‘Raen,’ zei hij ietwat buiten adem, ‘je zou hier niet moeten staan. We hebben nog geen vijf span hier vandaan tegen Trolloks gevochten. Breng je mensen naar Emondsveld. Daar zullen ze veilig zijn.’ Raen aarzelde – en leek er zelf verbaasd over – voor hij zijn hoofd schudde. ‘Zelfs als ik het zou willen, zouden mijn mensen er tegen zijn, Perijn. We proberen nooit in de buurt van andere mensen ons kamp op te zetten, ook niet bij het kleinste dorp. Niet alleen omdat de dorpelingen ons vals zouden beschuldigen van het stelen van dingen die ze verloren hebben, of omdat wij zouden proberen hun kinderen over te halen de Weg te volgen. Waar mensen samen tien huizen bouwen, bestaat de kans op geweld. Dat hebben de Tuatha’an geweten sinds het Breken. Onze veiligheid ligt in onze woonwagens en in het trekken, altijd zoekend naar het lied.’ Over zijn gezicht gleed een smekende uitdrukking. ‘Overal horen we over geweld, Perijn. Niet alleen hier, in dit Tweewater van jou. Er hangt iets van verandering, van vernietiging in de lucht. We moeten nu toch gauw het lied vinden. Anders geloof ik niet dat het ooit gebeurt.’
‘Je zult het lied vinden,’ zei Perijn zacht. Misschien verafschuwden zij het geweld zozeer dat zelfs een ta’veren daar niet tegenop kon; misschien kon zelfs een ta’veren de Weg van het Blad niet beïnvloeden. Eens had het ook voor hem zo aantrekkelijk geleken, ik hoop waarachtig dat je daarin zult slagen.’
‘Wat zal zijn, zal zijn,’ zei Raen. ‘Alles moet sterven op zijn tijd. Misschien zelfs het lied.’ Ila sloeg troostend haar arm om haar man, maar haar ogen stonden even bezorgd als de zijne.
‘Kom,’ zei ze, trachtend haar bezorgdheid te verbergen, ‘we moeten je naar binnen zien te krijgen. Mensen staan te praten terwijl hun jas in brand staat.’ Tegen Faile zei ze: ‘Je bent heel knap, kind. Misschien zou je uit moeten kijken voor Perijn. Als ik hem zie, is hij altijd in gezelschap van een mooi meisje.’ Faile keek Perijn nietszeggend en nadenkend aan en probeerde dat toen snel te verbergen. Hij haalde het tot Raens wagen. De wagen stond naast een kookvuur in het midden van het kamp, geel afgezet met rood, met rode en gele spaken in grote wielen met rode velgen, en met rode en gele kisten die aan de buitenkant waren vastgebonden. Toen hij zijn voet op de eerste trede van het trapje aan de achterkant zette, begaven zijn knieën het. Ihvon en Raen droegen hem verder naar binnen, haastig gevolgd door Faile en Ila, en legden hem op het bed dat voor in de wagen was gebouwd, waarnaast net voldoende ruimte was om bij de schuifdeur naar de bok te komen.
Het was echt een huisje, zelfs met zachtroze gordijntjes voor de twee kleine zijramen. Hij lag naar de zoldering te staren. Ook hier werkten de Tuatha’an met kleuren; het plafond was hemelsblauw en de hoge kasten waren in groen en geel. Faile maakte zijn riem los en nam zijn bijl en pijlkoker weg, terwijl Ila in een kast zocht. Perijn leek nauwelijks belangstelling te hebben voor wat zij deden, iedereen kan verrast worden,’ zei Ihvon. ‘Leer ervan, maar ga er niet te veel onder gebukt. Zelfs Artur Haviksvleugel won niet elke slag.’
‘Artur Haviksvleugel.’ Perijn probeerde te lachen maar het veranderde in gekreun. ‘Ja,’ lukte het hem te zeggen, ‘toch ben ik beslist geen .Artur Haviksvleugel, hè?’
Ila keek fronsend naar de zwaardhand – of liever gezegd; naar zijn zwaard, dat ze zo mogelijk nog erger scheen te vinden dan Perijns bijl – en kwam naar het bed met een stapel opgevouwen verbanden. Toen ze Perijns hemd rond de afgebroken schacht had verwijderd, betrok haar gezicht, ik geloof niet dat ik bekwaam genoeg ben om dit eruit te halen. Het zit er diep in.’