‘Weerhaken,’ zei Ihvon ontspannen. ‘Trolloks gebruiken niet vaak een boog, maar als ze het doen, hebben de pijlen weerhaken.’
‘Eruit!’ zei Ila ferm. ‘En jij ook, Raen. Het verzorgen van zieken is geen mannenzaak. Waarom ga je niet even kijken of Mojse dat wiel al op zijn wagen heeft zitten?’
‘Een goed idee,’ zei Raen. ‘Misschien kunnen we morgen verder trekken. Het was een zware reis, vorig jaar,’ vertrouwde hij Perijn toe. ‘Helemaal naar Cairhien, toen terug naar Geldan, vervolgens Andor in. Morgen, denk ik.’
Toen de rode deur achter hem en Ihvon dichtviel, wendde Ila zich bezorgd tot Faile. ‘Als het weerhaken heeft, geloof ik niet dat ik het eruit kan halen. Als het moet, wil ik het proberen, maar als er iemand in de buurt is die meer van dit soort zaken afweet...’
‘Er is iemand in Emondsveld,’ verzekerde Faile haar. ‘Maar is het veilig om die pijl erin te laten zitten tot morgen?’
‘Misschien wel veiliger dan dat ik ga snijden. Voor de pijn kan ik iets te drinken maken, en tegen de ontsteking een zalf bereiden.’ Perijn keek nijdig naar de twee vrouwen. ‘Hallo? Weten jullie nog wie ik ben? Ik ben hier! Hou op over mij te praten alsof ik er niet ben.’ Ze keken hem even aan. ‘Hou hem rustig,’ zei Ila tegen Faile. ‘Hij kan praten, maar hij mag niet rondlopen. Hij zou zichzelf nog meer kunnen verwonden.’ ik zal ervoor zorgen,’ zei Faile.
Perijn klemde zijn tanden op elkaar en deed zijn best om te helpen zijn jas en hemd uit te krijgen, maar zij moesten het meeste werk doen. Hij voelde zich net zo zwak als het slechtst gesmede ijzer dat bij de geringste druk buigt. De pijlschacht stak een handbreedte boven zijn onderste rib naar buiten door een dichtgetrokken snede vol gedroogd bloed. Ze duwden zijn hoofd terug op het kussen, omdat hij er om de een of andere reden niet naar mocht kijken. Faile waste de wond, terwijl Ha haar zalf bereidde met een stenen vijzel en stamper. Ze waren gemaakt van gewone, gladde, grijze steen en de eerste dingen die hij in het kamp van de ketellappers had gezien die niet felgekleurd waren. Ze smeerden de zalf rond de pijl en wikkelden hem in verband.
‘Raen en ik zullen vannacht onder de wagen slapen,’ zei de Tuathaanse ten slotte en veegde haar handen af. Ze keek nadenkend naar het stuk van de pijl dat uit het verband stak en schudde het hoofd. ‘Ik heb ooit gedacht dat hij misschien de Weg van het Blad zou vinden. Een zachtaardige jongen, dacht ik.’
‘De Weg van het Blad is niet voor iedereen,’ zei Faile zacht, maar Ila schudde weer haar hoofd. ‘Hij is voor iedereen,’ zei ze al net zo zacht, en met iets van droefheid, ‘als ze het maar wisten.’ Toen ging ze weg en Faile ging op de rand van het bed zitten en veegde zijn gezicht af met een opgevouwen doek. Hij zweette maar wist niet waarvan.
‘Ik blunderde,’ zei hij na een tijdje. ‘Nee, dat is te zwak uitgedrukt. Ik weet het juiste woord niet.’
‘Je hebt niet geblunderd,’ zei ze ferm. ‘Je deed wat volgens jou op dat moment het juiste was. Het was juist; ik kan me niet voorstellen hoe ze om ons heen zijn gekomen. Gaul maakt geen vergissing over waar zijn vijanden zitten. Ihvon had gelijk, Perijn. Iedereen kan in omstandigheden terechtkomen die veranderd zijn zonder dat hij het weet. Je hield iedereen bij elkaar. Je hebt ons er uitgehaald.’ Hij schudde woest zijn hoofd, wat de pijn in zijn zij nog erger maakte. ‘Ihvon heeft ons er uitgehaald. Ik heb zevenentwintig mensen de dood ingejaagd,’ zei hij bitter en probeerde overeind te komen om haar aan te kijken. ‘Enkelen waren mijn vrienden, Faile. En door mij vonden ze de dood.’
Faile duwde uit alle macht tegen zijn schouders en drukte hem terug. Het gemak waarmee ze hem bedwong, gaf aan hoe zwak hij was. ‘Daarvoor is morgen nog tijd genoeg,’ zei ze streng, en tuurde in zijn gezicht, ‘als we je weer op je paard moeten hijsen. Ihvon heeft ons er niet uit gehaald. Ik geloof niet dat hij er veel om gaf wie het, behalve jij en hij, zou overleven. Je mannen zouden alle kanten opgestoven zijn, als jij er niet geweest was, en dan zouden we allemaal zijn gedood. Voor Ihvon, een vreemdeling, zouden ze niet bij elkaar zijn gebleven. En wat je vrienden aangaat...’ Ze zuchtte en ging weer rechtop zitten. ‘Perijn, mijn vader zegt dat een krijgsheer kan zorgen voor de levenden of huilen om de doden, maar hij kan het niet allebei.’ ik ben geen krijgsheer, Faile. Ik ben een dwaze smid die dacht dat hij andere mensen kon gebruiken om genoegdoening te krijgen, of misschien wraak te nemen. Dat wil ik nog steeds, maar ik wil daarvoor niemand meer gebruiken.’
‘Denk je dat de Trolloks zullen verdwijnen, omdat je bedacht hebt dat je drijfveer niet zo zuiver is?’ Hij tilde zijn hoofd op door de heftigheid in haar stem, maar ze duwde hem bijna ruw in het kussen terug. ‘Worden ze dan minder monsterlijk? Heb je een betere reden voor je strijd nodig dan wat ze zijn? Nog iets wat mijn vader zegt. Het ergste wat een krijgsheer kan doen, erger nog dan een blunder begaan, het allerergste, is de mannen in de steek laten die afhankelijk van hem zijn.’ Er werd op de deur geklopt en een slanke, knappe jonge ketellapper in een roodgroen gestreepte jas stak zijn hoofd naar binnen. Hij schoot een glimlach op Faile af, vol witte tanden en uitbundige innemendheid, voordat hij naar Perijn keek. ‘Grootvader zei dat jij het was. Ik dacht al dat dit de plaats was waar Egwene vandaan kwam.’ Hij keek plotseling misprijzend. ‘Je ogen. Ik zie dat je Elyas bent gevolgd, om met de wolven te jagen. Ik wist wel dat je de Weg van het Blad nooit zou vinden.’
Perijn kende hem; het was Aram, de kleinzoon van Raen en Ila. Hij mocht hem niet; zijn glimlach was net als die van Wil. ‘Ga weg, Aram. Ik ben moe.’
‘Is Egwene bij jou?’
‘Egwene is nu een Aes Sedai, Aram,’ gromde hij, ‘en ze zou je hart er met de Ene Kracht uitrukken als je haar ten dans zou vragen. Ga weg!’ Arams ogen knipperden en hij deed haastig de deur dicht. Met hemzelf aan de andere kant.
Perijn liet zijn hoofd terugvallen. ‘Hij glimlacht te veel,’ mompelde hij. ik kan een man die te veel glimlacht niet uitstaan.’ Faile maakte een verstikt geluidje en hij keek haar achterdochtig aan. Ze beet op haar onderlip.
‘Ik heb iets in mijn keel,’ zei ze met een geknepen stem, en kwam snel overeind. Ze haastte zich naar de brede plank aan de voet van het bed, waar Ha haar zalfje had klaargemaakt, en stond met de rug naar hem toe, terwijl ze water uit een groen-rode kan in een blauw-gele mok schonk. ‘Wil je ook wat drinken? Ila heeft een poedertje tegen de pijn achtergelaten. Het helpt je om in slaap te komen.’ ik wil geen poedertje,’ zei hij. ‘Faile, wie is je vader?’ Ze verstijfde. Na een paar tellen draaide ze zich om met de mok in beide handen en een onleesbare blik in haar schuinstaande ogen. Er ging nog een tijdje voorbij voordat ze sprak: ‘Mijn vader is Davram van Huis Bashere, Heer van Bashere, Tair en Sidona, Wachter aan de Verwordingsgrens, Verdediger van het Hartland, Opperste Krijgsheer van Koningin Tenobia van Saldea. En haar oom.’
‘Licht! En jouw verhaal dan, dat hij een wolkoopman was, of een bonthandelaar? Ik meen me een gelegenheid te herinneren dat hij volgens jou in ijspepers handelde.’
‘Dat was geen leugen,’ zei ze scherp, en toen zwakjes: ‘Alleen... niet de hele waarheid. De landerijen van mijn vader brengen timmerhout op, en fijne houtsoorten, ijspepers en bont, en nog meer. En zijn beheerders verkopen alles voor hem, dus handelt hij erin. Min of meer.’
‘Waarom kon je het me niet gewoon zeggen? Dingen verbergen. Liegen. Je komt van een Huis!’ Hij keek haar beschuldigend aan. Dit had hij niet verwacht. Een kleine koopman als vader, misschien een voor malig krijgsman, maar niet dit. ‘Licht, waarom ren je rond als een Jager op de Hoorn? Ga me niet vertellen dat de heer van Bashere en wat nogmeer, jou gewoon heeft weggestuurd om het avontuur te zoeken Ze hield de mok nog steeds vast toen ze naast hem kwam zitten. Om de een of andere reden keek ze hem heel strak aan. ‘Mijn twee oude re broers zijn gestorven, Perijn. De een in de strijd tegen Trolloks, de ander na een val van zijn paard tijdens de jacht. Dat maakte mij de oudste, en dat betekende dat ik over handel moest leren en de boeken moest bijhouden. Terwijl mijn jongere broers leerden voor krijgsman moest ik leren hoe ik de landerijen moest besturen. Dat is de plicht van de oudste. Plicht! Het is saai, droog en vervelend. Begraven te worden in papieren, tussen de klerken. Toen vader Madin meenam naar de Verwordingsgrens – hij is twee jaar jonger – was dat meer dan ik kon verdragen. In Saldea worden meisjes niet onderwezen in de zwaardkunst of de krijg, maar vader had mij een oude krijgsman uit de tijd van zijn eerste bevel als dienaar toegewezen, en Erin heeft mij met veel plezier bijgebracht hoe ik een dolk kon gebruiken en met mijn handen kon vechten. Ik denk dat hij het wel leuk vond. Hoe dan ook, toen vader Madin meenam, kwam het nieuws over de Grote Jacht op de Hoorn, dus... ben ik vertrokken. En ik kwam op tijd in Illian aan om de eed van Jager af te leggen.’ Ze nam de doek weer op en depte het zweet van zijn gezicht. ‘Je zou echt moeten proberen wat te slapen.’