‘Ik neem aan dat je de vrouwe van Bashere of zoiets bent,’ zei hij. ‘Hoe ben je er ooit toe gekomen een gewone smid aardig te vinden?’
‘Het woord is “houden van”, Perijn Aybara.’ Haar strenge stem stond in scherpe tegenstelling met de zachtheid waarmee ze zijn gezicht depte met de doek. ‘En zo’n gewone smid ben jij nu ook weer niet, geloof ik.’ De doek lag stil. ‘Perijn, wat bedoelde die jongen met jagen met wolven? Raen heeft die Elyas ook al genoemd.’ Hij bevroor even, ademde zelfs niet. Maar hij had haar net bestraffend toegesproken, omdat ze geheimen voor hem verzwegen had. Dit was het gevolg als je haastig en boos was. Zwaai de hamer al te haastig en hij belandt gewoonlijk op je eigen duim. Hij liet zijn adem langzaam ontsnappen en vertelde het haar. Hoe hij Elyas Machera was tegengekomen en geleerd had met wolven te spreken. Hoe zijn ogen van kleur veranderd en scherper geworden waren, en hoe zijn gehoor en zijn reuk zo scherp werden als van een wolf. Over de wolfsdroom. Over wat hem zou overkomen als hij ooit de greep op zijn menselijkheid zou verliezen. ‘Het gaat zo makkelijk. Soms, vooral in een droom, vergeet ik dat ik een man ben en geen wolf. Als ik me dat ooit niet snel genoeg herinner, als ik mijn grip verlies, dan bén ik een wolf. In ieder geval in mijn eigen geest. Een soort van half verkeerd beeld van een wolf. Er zal niets meer van mij over zijn.’ Hij hield op en wachtte tot ze zich van hem zou terugtrekken.
‘Als je oren echt zo scherp zijn,’ zei ze kalm, ‘zal ik moeten uitkijken met wat ik in je nabijheid zeg.’
Hij greep haar hand zodat ze de doek stilhield. ‘Heb je eigenlijk wel gehoord wat ik gezegd heb? Wat zullen je vader en moeder wel denken, Faile? Een smid en een halve wolf. Je bent een vrouwe! Licht!’ ik heb ieder woord gehoord. Vader zal ermee instemmen. Hij heeft altijd gezegd dat ons bloed te dun wordt; dat het niet meer zo sterk is als in de goede oude tijd. Ik weet dat hij mij verschrikkelijk weekhartig vindt.’ Ze gaf hem een glimlach die woest genoeg was voor elke wolf. ‘Natuurlijk wilde moeder altijd dat ik een koning zou huwen die Trolloks met één houw doormidden splijt. Ik ga er maar van uit dat jouw bijl goed genoeg is, maar zou je haar kunnen vertellen dat je de koning van de wolven bent? Ik geloof niet dat er iemand naar voren zal stappen om jouw aanspraak op die troon te betwisten. Om je de waarheid te zeggen, ik denk dat het doormidden splijten van Trolloks voor moeder genoeg is, maar ik geloof echt dat ze het andere prachtig zou vinden.’
‘Licht!’ zei hij hees. Ze klonk bijna alsof ze het meende. Nee, ze meende het echt. Als ze maar half ernstig was, betwijfelde hij of het splijten van Trolloks niet te verkiezen zou zijn boven het ontmoeten van haar ouders.
‘Hier,’ zei ze, en ze hield de mok water tegen zijn lippen. ‘Je klinkt alsof je keel is uitgedroogd.’
Hij slikte en sputterde door de bittere smaak. Ze had Ila’s poeder erdoorheen geroerd! Hij wilde het tegenhouden, maar ze vulde zijn mond en het was een zaak van slikken of stikken. Tegen de tijd dat hij de mok kon wegduwen, had ze de helft al in zijn mond gegoten. Waarom smaakten drankjes altijd zo smerig? Hij dacht dat vrouwen dat met opzet deden. Hij zou durven wedden dat hun eigen drankjes niet zo vies smaakten. ‘Ik had je gezegd dat ik dat spul niet wilde hebben. Aaagh!’
‘Zei je dat? Ik zal het niet gehoord hebben, Maar of je het nu deed of niet, je hebt slaap nodig.’ Ze streek over zijn krulharen. ‘Welterusten, mijn Perijn.’
Hij probeerde haar te vertellen dat hij het wel degelijk gezegd had en dat ze het gehoord had, maar de woorden schenen zich in zijn tong te verstrikken. Zijn ogen wilden dichtvallen. Hij kon ze zelfs niet eens openhouden. Het laatste wat hij hoorde was haar zachte gemurmel. ‘Slaap, mijn wolfskoning. Slaap.’
42
Een verdwenen blad
Perijn stond onder een stralende zon naast de Tuathaanse woonwagens, alleen, zonder een pijl in zijn zijde en zonder pijn. Tussen de wagens was brandhout onder de driepoten met de ijzeren kookpotten gestapeld, klaar om aangestoken te worden, en er hingen kleren aan waslijnen. Er waren geen mensen, geen paarden. Hij droeg geen jas of hemd, maar de lange leren smidsvoorschoot, die de armen vrijliet. Het kon misschien elke droom geweest zijn, maar hij besefte dat het een droom was. En hij kende het gevoel van de wolfsdroom, voelde de tastbare werkelijkheid van het lange gras onder zijn laarzen tot aan het briesje uit het westen dat door zijn krulhaar streek, tot aan de verspreide essen en Kandoraanse dennen. Maar de bonte woonwagens van de ketellappers leken onecht; ze hadden iets onwerkelijks, een gevoel alsof ze konden gaan trillen en elk moment konden verdwijnen. Ketellappers bleven nooit lang op een plek. Geen plek kon hen vasthouden.
Hij vroeg zich af hoe sterk het land hem vasthield, legde een hand op zijn bijl – en keek verbaasd omlaag. Het was de zware smidshamer die in de lus aan zijn riem hing, niet de bijl. Hij dacht na. Ooit had hij die keuze willen maken, had zelfs gedacht dat hij gekozen had, maar nu toch zeker niet meer. De bijl. Hij had gekozen voor de bijl. Hamerkop werd plotseling sikkelblad en zware punt, flikkerde weer terug tot de massieve ronding van koud staal, bleef heen en weer gaan tussen de twee vormen. Uiteindelijk bleef het zijn bijl, en hij liet zijn adem langzaam ontsnappen. Dit was nog nooit eerder gebeurd. Hier kon hij eenvoudig dingen veranderen als hij wilde, dingen van hemzelf tenminste. ‘En ik wil de bijl,’ zei hij beslist. ‘De bijl.’
Hij keek om zich heen en kon nog net een boerderij in het zuiden ontwaren, en grazende herten op een veld, omringd door een ruwstenen muur. Hij voelde geen wolven en Springer riep hij niet. De wolf zou kunnen komen of hem misschien zelfs kunnen horen, maar Slachter kon hier ergens zijn. Plotseling trok een volle pijlkoker aan zijn riem en had hij een zware boog in zijn hand met een pijl reeds aangelegd. Een brede leren band beschermde zijn linkervoorarm. Niets bewoog, behalve de herten.
‘Ik zal wel niet gauw wakker worden,’ mompelde hij tegen zichzelf. Wat het spul ook was dat Faile hem had gegeven, het had hem meteen gevloerd. Hij herinnerde het zich zo duidelijk alsof hij over haar schouder had meegekeken. ‘Me te drinken gegeven als een klein kind,’ gromde. Vrouwen!
Hij nam een van die grote passen – het land om hem heen vervaagde – en stapte het erf op. Twee of drie kippen stoven weg; ze renden alsof ze al verwilderd waren. De schaapskooi binnen een muurtje van rotssteen was leeg en beide schuren met rieten daken waren afgesloten. Ondanks de gordijnen voor de ramen leek de boerderij verlaten. Als dit een ware afspiegeling van de werkelijke wereld was – op een vreemde manier was de wolfsdroom dat meestal ook – dan waren de mensen hier al dagen geleden vertrokken. Faile had gelijk; zijn waarschuwing was verder gekomen dan de plekken waar hij was geweest. ‘Faile,’ mompelde hij, nog steeds verbaasd. De dochter van een heer. Nee, niet zomaar een heer. Drievoudig heer, een krijgsheer, en de oom van een koningin. ‘Licht, dan is ze de nicht van de koningin!’ En ze hield van een gewone smid. Vrouwen waren wonderlijk vreemde wezens.