Выбрать главу

Met een ruk werd hij wakker en lag in de donkere hitte te huiveren. Zweet doorweekte zijn ondergoed en de linnen lakens onder hem. Zijn zijde brandde waar een oude wond nooit goed was genezen. Met zijn vinger voelde hij aan het ruwe litteken, een rondje van bijna een duim groot, na al die maanden nog steeds gevoelig. Zelfs de Heling van Moiraine Aes Sedai kon het niet geheel dichten. Maar ik rot nog niet weg. En ik ben ook niet gek. Nog niet. Nog niet. Die twee woorden zeiden genoeg. Hij wilde lachen en vroeg zich af of dat inhield dat hij al gek was.

Dromend over Min en Elayne, op die manier over hen dromend... Nou ja, het was geen waanzin, maar het was zeker dwaasheid. Geen van beiden had hem ooit op die manier aangekeken als hij wakker was. Egwene was hem al sinds hun kindertijd zo goed als beloofd. De belofte was nooit in de vrouwenkring uitgesproken, maar iedereen in en rond Emondsveld wist dat ze op een mooie dag zouden trouwen. Die mooie dag zou natuurlijk nooit komen, nu niet meer, niet met het lot dat een geleider zou treffen. Egwene moest dat ook hebben beseft. Dat moest wel. Ze had zich helemaal op haar opleiding tot Aes Sedai gestort. Maar ja, vrouwen waren vreemd. Misschien dacht ze wel dat ze Aes Sedai kon zijn en ook nog met hem trouwen, of hij nou wel of niet geleidde. Hoe kon hij haar uitleggen dat hij niet meer met haar wilde trouwen en dat hij meer als een zus van haar hield? Maar het zou niet nodig zijn het haar te vertellen, wist hij. Hij kon zich verbergen achter wat hij was. Dat moest ze wel begrijpen. Welke man kon een vrouw vragen om met hem te trouwen met het besef dat hij nog maar enkele jaren had, als hij geluk had, voor hij krankzinnig werd, voor hij levend begon weg te rotten? Hij rilde ondanks de hitte. Ik heb slaap nodig. De hoogheren zouden morgenochtend terugkeren en hun spelletjes spelen om zijn gunst. Om de gunst van de Herrezen Draak. Misschien krijg ik ditmaal geen droom. Hij begon zich om te draaien op zoek naar een droog plekje van de lakens en verstarde, luisterde naar het zachte geritsel in de duisternis. Hij was niet alleen. Het Zwaard dat geen zwaard is, lag aan de andere kant van de kamer, buiten zijn bereik op een hoge standaard die wel een troon leek. Een geschenk van de hoogheren, die daarmee ongetwijfeld hoopten te bereiken dat hij nu Callandor uit hun zicht zou houden. Iemand wil Callandor stelen. Een tweede gedachte kwam op. Of de Herrezen Draak vermoorden. Hij had Thoms gefluisterde waarschuwingen niet nodig om te weten dat de betuigingen van onsterfelijke trouw van de hoogheren slechts gelegenheidswoorden waren.

Hij maakte zich vrij van gedachten en gevoel en nam de leegte aan. Die kwam tenminste moeiteloos. Zwevend in de kille leegte in hemzelf, met gedachte en gevoel daarbuiten, reikte hij naar de Ware Bron. Deze keer was het gemakkelijk, wat niet altijd het geval was. Saidin vulde hem als een vloedgolf van witte hitte en licht, uitbundig van leven, ziekelijk van de smerige smet van de Duistere, als een vuil vlies dat op zuiver zoet water drijft. De stroom dreigde hem mee te sleuren, hem te verbranden, hem te verdrinken.

Terwijl hij de vloed bevocht, overwon hij door pure wilskracht en rolde het bed uit, de Kracht geleidend terwijl hij op zijn voeten landde in de houding voor een zwaardvorm die Appelbloesem in de wind heette. Er konden niet veel vijanden zijn, anders hadden ze meer lawaai gemaakt. De zwaardvorm met de zo lieflijke naam was bedoeld voor meerdere tegenstanders.

Toen zijn voeten het tapijt raakten, lag er een zwaard in zijn handen met een lang gevest en een licht gebogen kling die maar aan een kant scherp was. Het leek uit vlammen te zijn gevormd, maar het voelde niet eens warm aan. Het beeld van een reiger stak zwart af tegen het geelrood van de kling. Op hetzelfde ogenblik ontsprongen vlammen uit iedere kaars en in de vergulde lampen, versterkt door de kleine spiegeitjes erachter. Grotere spiegels aan de muren en twee grote staande spiegels kaatsten het rond tot het zo licht was, dat hij overal in het vertrek met gemak kon lezen.

Callandor was niet aangeraakt; het zwaard leek wel van kristal en stond op een standaard die even hoog was als een mens en bijna even breed. Het hout was prachtig bewerkt, verguld en afgezet met kostbare stenen. Al zijn meubels – bed, stoelen en banken, kleerkasten, kisten en wastafel – waren eveneens verguld en versierd met edelstenen. De lampetkan en de kom waren van verguld Zeevolkporselein, zo dun als een bloemblaadje. Het brede Tarabontapijt, met scharlakenrode, gouden en blauwe krullen, was zo kostbaar dat het een groot dorp maandenlang voedsel had kunnen verschaffen. Bijna overal stonden dun Zeevolkporselein, roemers, kommen en gouden beeldjes afgewerkt met zilver, en zilveren bekers verfraaid met goud. Op de brede marmeren haardmantel probeerden twee zilveren wolven met robijnogen een gouden hert van ruim drie voet hoog neer te trekken. Scharlakenrode wandkleden toonden goudborduursel in de vorm van adelaars en hingen voor de smalle vensters, zachtjes in de lichte bries bewegend. Overal waar maar plaats was, lagen boeken, in leer gebonden, in hout gevat, sommige gescheurd en nog stoffig van de donkerste planken in de librije van de Steen.

Maar waar hij moordenaars of dieven meende te zien, stond een mooie jonge vrouw midden op het tapijt, aarzelend en verrast, met zwarte haren die in glanzende golven tot op haar schouders vielen. Haar dunne witzijden gewaad benadrukte meer dan het verborg. Berelain, heerseres van de stadstaat Mayene, was wel de laatste die hij hier had verwacht.

Haar opengesperde ogen toonden haar schrik, maar ze maakte een sierlijke diepe buiging, waardoor haar kleding zich nog strakker spande. ‘Ik ben ongewapend, mijn Heer Draak. Ik onderwerp me aan uw onderzoek, als u twijfelt.’ Haar glimlach deed hem plots verontrust beseffen dat hij alleen onderkleren droeg.

Het Licht mag me branden als ik voor haar rond ga scharrelen om mezelf te bedekken. De gedachten dreven buiten de leegte. Ik heb haar niet gevraagd binnen te komen. Binnen te sluipen! Boosheid en verlegenheid dreven eveneens aan de rand van de leegte, maar zijn gezicht werd toch rood. Hij was het zich vaag bewust, besefte dat die wetenschap zijn wangen nog roder kleurde. Zo koel en kalm in de leegte, maar daarbuiten... Hij kon ieder druppeltje zweet langs zijn borst en rug voelen glijden. Koppig en verbeten wilde hij zo voor haar blijven staan. Haar onderzoeken? Het Licht sta me bij! Hij liet de zwaardvorm en het zwaard verdwijnen, maar hield de smalle stroom vast die hem met saidin verbond. Het was of hij door een gaatje in een dijk dronk, terwijl de grote zandberg dreigde weg te spoelen door water zo zoet als honing en zo vies als een stroompje afval. Hij wist niet veel van deze vrouw, alleen dat ze hier rondliep of ze zich in haar paleis in Mayene bevond. Thom had verteld dat de Eerste van Mayene aan iedereen voortdurend vragen stelde. Vragen over Rhand. Wat misschien best heel gewoon was, als hij bedacht wie hij was, maar dat maakte zijn gedachten er niet gemakkelijker op. En ze was niet naar Mayene teruggekeerd. Dat was ongewoon. Ze had hier tot zijn komst feitelijk maandenlang gevangengezeten, al was het niet zo gesteld. Ver weg van haar troon en van het leiden van haar kleine natie. De meeste mensen zouden de eerste de beste kans hebben aangegrepen om van een geleider weg te komen.

‘Wat doet u hier?’ Hij wist dat het ruw klonk, maar gaf er niet om. ‘Er stonden Aiel op wacht bij die deur toen ik ging slapen. Hoe bent u hen voorbij gekomen?’