Hij wilde nagaan hoever zijn boodschap verspreid was en zigzagde halverwege naar Devenrit met passen van een span of meer, waarbij hij ook nog op zijn schreden terugkeerde of zijn eigen pad kruiste. De meeste boerderijen die hij zag, zagen er net zo verlaten uit; amper een op de vijf toonde tekenen van bewoning: open deuren en omhoog geschoven ramen, wapperend wasgoed aan de lijn, poppen, hoepels of schommelpaardjes bij een dorpel. Vooral het speelgoed deed zijn maag ineenkrimpen. Zelfs al hadden ze zijn waarschuwing niet geloofd, dan vertelden de vele uitgebrande boerderijen in de omgeving hun eigen verhaal – ingestorte hopen van verkoolde balken en zwart beroete schoorstenen die als naakte, dode vingers omhoogstaken. Hij bukte zich en raapte een pop op met een glimlachend glazen gezichtje en een met bloemen geborduurd jurkje – hier woonde een moeder die veel van haar dochter gehouden had om al dat fijne borduurwerk te maken – en hij knipperde met zijn ogen. Dezelfde pop lag nog steeds op de stenen dorpel waar hij haar had opgepakt. Toen hij die wilde pakken, vervaagde de pop in zijn hand en verdween. Hij was even verbaasd, maar toen werd zijn aandacht getrokken door zwarte vlekken in de lucht. Het waren raven, een vlucht van twintig of dertig, die naar het Westwoud vlogen. Naar de Mistbergen, waar hij Slachter voor het eerst had gezien. Hij wachtte tot de raven kleiner werden, krompen tot zwarte spikkels die ten slotte verdwenen. Toen ging hij hen achterna.
Lange, snelle stappen van vijf span tegelijk brachten hem verder. Het land vervaagde behalve tussen twee stappen, van het dichtbegroeide en rotsachtige Westwoud, over de met struiken begroeide Zandheuvels en de in wolken gehulde bergen, waar spar en lederblad de beboste valleien en hellingen bedekten, tot hij hetzelfde dal bereikte waar hij de man voor het eerst gezien had die door Springer Slachter werd genoemd en hij op de berghelling stond waarop hij was beland toen hij uit Tyr was teruggekeerd.
Daar stond de saidinpoort, gesloten door het Avendesorablad, dat er net zo uitzag als een van die andere ontelbare fijngesneden bladeren en ranken. Tussen de verglaasde stenen waar Manetheren in vlammen was opgegaan, stonden hier en daar bomen in de magere grond, armetierig en door de wind vervormd. Er schitterde zonlicht op het water van de Manetherendrelle in de diepte. Een zuchtje wind vanuit de vallei voerde de lucht van herten, konijnen en vossen mee. Hij zag geen beweging.
Hij stond op het punt om weg te gaan en bleef toen stilstaan. Het Avendesorablad. Eén blad. Loial had de saidinpoort gesloten door beide bladeren aan deze kant te plaatsen. Hij draaide zich om en de haren rezen hem te berge. De saidinpoort stond open. Twee helften van bijna levend groen, dat in het briesje leek te bewegen en een dofzilveren oppervlak onthulde; hij kon zijn spiegelbeeld erin zien glanzen. Hoef vroeg hij zich af. Loial heeft die bloedpoort toch gesloten? Hij wist niet eens dat hij die afstand had afgelegd tot hij opeens pal voor de poort stond. Tussen de groene massa aan de binnenzijde van de poorthelften zat geen drievoudig blad. Het was vreemd om te bedenken dat er op dit moment iemand – of iets – in de andere wereld door de poort kwam op de plek waar hij stond. Hij raakte het doffe oppervlak aan en gromde. Het had net zo goed een spiegel kunnen zijn; zijn hand gleed eroverheen alsof het een spiegel van het fijnste geslepen glas was.
Uit zijn ooghoeken zag hij plotseling het Avendesorablad aan de bin nenkant en hij sprong achteruit toen de saidinpoort weer dichtzwaaide. Iemand – of iets – was naar buiten gekomen, of naar binnen gegaan. Naar buiten. Het moest naar buiten zijn. Hij wilde niet gelover dat er nog meer Trolloks en Schimmen naar Tweewater kwamen. De deuren voegden zich aaneen en werden weer stenen snijwerk. De enige waarschuwing die hij kreeg, was het gevoel dat hij gadegeslagen werd. Hij sprong – zag nog half iets zwarts vlak voor zijn borsi langsschieten; een pijl – en nam een van die wereld vervagende stappen, belandde op een helling aan de andere kant en sprong weer, uil de vallei van Manetheren in een bosje hoog oprijzende sparren, en verder. Al rennend dacht hij ingespannen na, haalde zich het dal voor de geest, en de glimp van die pijl. Die was uit die richting gekomen er was onder déze hoek voorbij geflitst, dus moest hij gekomen zijn uit... Een laatste sprong bracht hem terug naar een berghelling boven de grafstenen van Manetheren, waar hij ineendook tussen magere, dooi de wind vervormde sparren, zijn boog in de aanslag. Onder hem, ergens tussen de bomen en de rotsblokken, was die pijl afgeschoten. Daai ergens moest Slachter zitten. Hij moest daarbeneden zijn... Zonder verder na te denken sprong Perijn weg, en de bergen werden een veeg van grijs en bruin en groen. ‘Bijna,’ gromde hij. Bijna had hij zijn fout in het Westwoud herhaald door aan te nemen dat de vijand zou bewegen of wachten zoals hij zou willen.
Deze keer rende hij zo hard als hij kon. In slechts drie flitsende sprongen kwam hij aan de rand van de Zandheuvels, in de hoop dat hij niet gezien was. Deze keer kwam hij terug in een wijde bocht, hoger op diezelfde berghelling, waar de lucht dun en koud aanvoelde en de eenzame bomen niet meer waren dan struiken met forse stronken die vijftig pas of meer uit elkaar stonden, boven de begroeiing waar een man vanuit zijn schuilplaats kon uitkijken naar iemand die wilde terugsluipen naar een plek waar een pijl was afgeschoten. Daar stond zijn prooi, een honderd pas onder hem, een grote man met donker haar in een donkere jas. Hij zat ineengedoken naast een granieten rotsblok dat zo groot was als een tafel. Hij had zijn boog half-getrokken in de hand en loerde met gretig geduld naar het dal onder hem. Dit was de eerste keer dat Perijn hem goed kon bekijken; voor zijn ogen was honderd pas niet veel. De jas met de hoge kraag van deze Slachter leek op een jas die in de Grenslanden werd gedragen, en zijn gezicht leek zoveel op dat van Lan dat hij door kon gaan voor de broer van de zwaardhand. Maar Lan had geen broers – helemaal geen levende verwanten, voor zover Perijn wist – en als hij ze had, zouden ze niet hier zijn. Maar een Grenslanden Misschien een Shienaraan, hoewel zijn haar lang was en niet afgeschoren tot een haarknot. Het werd bijeengehouden door een gevlochten leren band, net als bij Lan. Hij kon geen Malkieri zijn; Lan was de laatste levende Malkieri. Waar hij ook vandaan kwam, Perijn voelde totaal geen gewetensvroeging toen hij zijn boog trok en de brede pijlpunt op de rug van Slachter richtte. De man had hem vanuit een hinderlaag willen doden. Een naar beneden gericht schot zou niet makkelijk zijn. Misschien had hij te lang gewacht of misschien had de kerel zijn koude blik gevoeld, maar plotseling werd Slachter een vage veeg, die naar het oosten wegschoot. Met een vloek zette Perijn de achtervolging in. In drie passen naar de Zandheuvels, een volgende pas tot in het Westwoud. Slachter leek tussen de eiken en lederbladbomen en het kreupelhout te verdwijnen.
Perijn bleef staan luisteren. Stilte. De eekhoorns en de vogels waren verstomd. Hij haalde diep adem. Niet zo lang geleden was een kleine kudde herten die richting uitgetrokken. En er hing een vage geur, iets menselijks maar te koud om van een man te zijn, zonder gevoelens, een geur die hem vaag bekend voorkwam. Slachter was ergens in de buurt. De lucht was zo stil als het woud zelf; geen enkel briesje kon hem vertellen uit welke richting die geur kwam. ‘Een fraaie list, Guldenoog, om de saidinpoort te vergrendelen.’ Perijn verstrakte en zijn oren spitsten zich tot het uiterste. Hij kon met geen mogelijkheid zeggen waar die stem in de dichte begroeiing zat. Geen enkel blad ritselde.
‘Als je wist hoeveel Schaduwschepsels er omgekomen zijn terwijl ze probeerden van de saidinwegen af te komen, zou het je hart verwarmen. Machin Shin had een feestmaal bij die poort, Guldenoog. Maar de list was niet goed genoeg. Je hebt het gezien: de poort is weer open.’ Daar. Ergens naar rechts. Perijn glipte even geluidloos tussen de bomen als in de dagen dat hij hier gejaagd had.