Выбрать главу

‘Aanvankelijk waren het er niet meer dan een paar honderd, Guldenoog. Net genoeg om die dwaze Witmantels uit hun evenwicht te brengen en ervoor te zorgen dat de afvallige zou sterven.’ Slachters stem werd boos. ‘De Schaduw moge me verteren als die man niet meer geluk heeft dan de Witte Toren.’ Hij grinnikte ineens. ‘Toen kwam jij, Guldenoog. Jouw aanwezigheid was een verrassing. Er zijn lieden die je hoofd op een speer willen steken. Nu zal jouw geliefde Tweewater tot aan de grenzen worden opengereten om jou eruit te wieden. Wat heb je daarop te zeggen, Guldenoog?’

Perijn bevroor, staande naast de knoestige stam van een grote eik. Waarom praatte de man zoveel? Praatte hij eigenlijk wel? Hij leidt me recht naar hem toe. Hij leunde tegen de dikke stam van de eik en spiedde het woud af. Geen beweging. Slachter wilde dat hij naar hem toekwam. In een hinderlaag zou lopen, ongetwijfeld. En hij wilde de man vinden en hem aan stukken scheuren. Maar hij kon er evengoed zelf de dood vinden, en als dat gebeurde, zou niemand weten dat de poort open was en zouden er honderden of misschien wel duizenden Trolloks doorheen komen. Hij ging Slachters spelletje niet meespelen. Met een vreugdeloze glimlach stapte hij uit de wolfsdroom en spoorde zich aan wakker te worden en...

... Faile sloeg haar armen om zijn nek en hapte naar zijn baard met haar kleine, witte tanden, terwijl de vedels van de ketellappers een wilde, opzwepende wijs rond de kampvuren speelden. Ila’s poeder. Ik kan niet wakker worden! Het besef dat het een droom was, vervaagde. Lachend tilde hij Faile in zijn armen op en droeg haar de schaduw in, waar het gras zacht was.

Het ontwaken nam een lange tijd in beslag en draaide rond de doffe pijn in zijn zijde. Het daglicht stroomde door de kleine ramen naar binnen. Helder licht. Ochtend. Hij probeerde te gaan zitten en viel kreunend weer neer.

Faile sprong van haar lage krukje overeind; haar donkere ogen zagen eruit alsof ze niet geslapen had. ‘Lig stil,’ zei ze. ‘Je hebt al genoeg in je slaap liggen woelen. Ik heb niet de hele nacht al die moeite gedaan om ervoor te zorgen dat je je niet omdraaide om in de vroege ochtend toe te zien hoe je zelf dat ding er nog dieper in drukt.’ Ihvon leunde als een donkere kling tegen de deurpost.

‘Help me overeind,’ zei Perijn. Het praten deed pijn, maar dat deed ademhalen ook, en hij moest het zeggen, ik moet naar de bergen. Naar de saidinpoort.’

Ze fronste en legde haar hand op zijn voorhoofd. ‘Geen koorts,’ mompelde ze. Toen harder: ‘Je gaat naar Emondsveld, waar een Aes Sedai je kan genezen. Je gaat jezelf niet om zeep helpen door met een pijl in je zij naar de bergen te rijden. Hoor je me? Als ik nog één woord hoor over bergen of poorten, laat ik Ila iets klaarmaken waardoor je weer in slaap valt, en dan reis je op een draagbaar. Ik weet niet of dat eigenlijk toch niet het beste is.’

‘De Trolloks, Faile! De saidinpoort is weer open! Ik moet ze tegenhouden!’

Faile schudde haar hoofd zonder te aarzelen, in jouw toestand kun je daar niets tegen doen. Jouw richting is Emondsveld.’

‘Maar...!’

‘Niets te maren, Perijn Aybara. Geen woord meer.’ Hij knarste met zijn tanden. Het ergste was dat ze gelijk had. Als hij niet eens zelf kon opstaan, hoe kon hij dan helemaal tot Manetheren in het zadel blijven? ‘Emondsveld,’ gaf hij toe, maar ze snoof en mompelde nog iets van ‘stijfkoppig’. Wat wilde ze nou? Drakenvuur; ik gaf toch toe door haar koppigheid!

‘Dus er komen nog meer Trolloks aan,’ zei Ihvon nadenkend. Hij vroeg niet hoe Perijn het wist. Toen schudde hij zijn hoofd, alsof hij de Trolloks uit zijn gedachten zette, ik zal de anderen zeggen dat je wakker bent.’ Hij glipte naar buiten en sloot de deur. ‘Ben ik de enige die het gevaar ziet?’ mopperde Perijn. ‘Ik zie een pijl in je,’ zei Faile beslist.

De herinnering bezorgde hem een scheut pijn; hij slaagde er maar net in niet te kreunen. En zij gaf een voldaan knikje. Voldaan! Hij wilde onmiddellijk vertrekken; hoe eerder hij geheeld was, hoe sneller hij ervoor kon zorgen dat de poort weer gesloten werd, en deze keer voorgoed. Faile stond erop hem te eten te geven, een dikke soep met fijngesneden groenten, goed voor een kind, met één lepel tegelijk, terwijl ze na iedere hap zijn kin afveegde. Hij mocht van haar niet zelf eten, en telkens als hij protesteerde of haar vroeg op te schieten, smoorde ze zijn woorden met een lepel soep. Ze liet hem zelfs zijn eigen gezicht niet wassen. Tegen de tijd dat zijn haar geborsteld was en zijn baard uitgekamd, had hij zich in een waardige stilte gehuld. ‘Je ziet er leuk uit als je mokt,’ zei ze. En kneep hem in zijn neus! Ila kwam de wagen in met zijn jas en hemd, allebei gewassen en hersteld. Deze ochtend droeg ze een groen lijfje op een blauwe rok. Tot zijn ergernis moest hij toestaan dat beide vrouwen hem hielpen. Hij moest toestaan dat ze hem hielpen om rechtop te zitten zodat hij zijn kleren kon aantrekken, het hemd niet ingestopt maar openhangend rond de pijlschacht en ook zijn jas open.

‘Dank je, Ila,’ zei hij en streek over de nette steken. ‘Dit is mooi versteld.’

‘Dat is zo,’ stemde ze in. ‘Faile kan goed met naald en draad omgaan.’ Faile kleurde en hij grinnikte toen hij zich herinnerde hoe heftig ze hem verteld had dat ze nooit zijn kleren zou verstellen. Een vonk in haar ogen hield zijn tong in bedwang. Soms was zwijgen de verstandigste keus.

‘Dank je, Faile,’ zei hij ernstig. Ze bloosde zelfs nog dieper. Toen ze hem eenmaal overeind geholpen hadden, kon hij gemakkelijk bij de deur komen, maar hij moest door de vrouwen geholpen worden om zo goed mogelijk het trapje af te komen. De paarden waren gelukkig al gezadeld en alle jongemannen van Tweewater waren verzameld, met de bogen op de rug. Hun gezichten en kleren waren schoon, en slechts hier en daar zag hij verband.

Een nacht bij de Tuatha’an had kennelijk ook hun stemming goed gedaan, zelfs bij degenen die er nog steeds uitzagen alsof ze nog geen honderd pas konden lopen. De verslagenheid die gisteren in hun ogen had gelegen, was nog maar een schaduw. Natuurlijk had Wil aan elke arm een aardig ketellappersmeisje met grote ogen, en Ban Alseen, wiens verband om zijn hoofd zijn haar als een borstel omhoog liet staan, stond hand in hand met een ander meisje en glimlachte verlegen. De meeste anderen hielden kommen met dikke groentesoep vast en lepelden die naar binnen.

‘Dit is lekker, Perijn,’ zei Danel en hij gaf zijn lege kom aan een vrouw. Ze gebaarde of hij nog meer soep wilde en de bonenstaak schudde zijn hoofd, maar zei: ‘Ik geloof dat ik er nooit genoeg van zou krijgen. Jij wel?’

‘Ik heb mijn deel gehad,’ zei Perijn zuur. Soep en fijngehakte groenten. ‘Gisteravond hebben de ketellappersmeisjes gedanst,’ zei Danels neef Tel met grote ogen. ‘Alle ongetrouwde vrouwen, en ook een paar getrouwde! Je had het moeten zien, Perijn.’ ik heb de ketellappers al eens zien dansen, Tel.’ Kennelijk had in zijn stem nog iets doorgeklonken van zijn gevoelens bij die dans, want Faile zei droog: ‘Je hebt de tiganza gezien, niet? Op een dag, als je weer gezond bent, zal ik misschien de sa’sara voor je dansen en je een echte dans laten zien.’ Ila zuchtte hoorbaar toen ze dat opving en Faile werd zelfs nog roder dan toen ze in de wagen was. Perijn tuitte de lippen. Als de sa’sara het hart nog sneller liet kloppen dan de heupwiegende dans van de ketellappers – de tiganza? – zou hij Faile die heel graag zien dansen. Hij keek haar opzettelijk niet aan. Raen kwam aanlopen, gekleed in dezelfde groene jas maar in een broek die roder was dan Perijn ooit had gezien. De twee kleuren samen deden zijn hoofd bonzen. ‘Twee keer heb je ons vuur bezocht, Perijn, en voor de tweede keer vertrek je zonder vaarwelfeest. Je moet gauw terugkeren zodat we het kunnen inhalen.’

Perijn duwde Faile en Ila weg – hij kon tenminste op eigen voeten staan – en legde een hand op de schouder van de magere man. ‘Ga met ons mee, Raen. In Emondsveld zal niemand je iets doen. Op z’n slechtst is het nog altijd veiliger dan hier, met de Trolloks.’ Raen aarzelde, maar schudde toen zijn hoofd en bromde: ‘Ik weet niet hoe het je lukt dat ik er nog over na wil denken.’ Hij draaide zich om en sprak met luide stem: ‘Mensen, Perijn heeft ons gevraagd om met hem mee te gaan naar zijn dorp, waar we veilig zullen zijn voor de Trolloks. Wie wil er gaan?’