Geschokte gezichten staarden hem aan. Een paar vrouwen verzamelden hun kinderen om zich heen en de kinderen verborgen zich achter hun rokken, alsof de gedachte alleen al hun schrik aanjoeg. ‘Zie je, Perijn?’ zei Raen. ‘Onze veiligheid ligt in het trekken, niet in dorpen. Ik verzeker je dat we geen twee nachten op dezelfde plek doorbrengen, en we zullen de hele dag verder trekken voor we weer stoppen.’
‘Dat kan weieens niet genoeg zijn, Raen.’
De Mahdi trok zijn schouders op. ‘Je zorg doet ons goed, maar we zullen veilig zijn, zo het Licht dat wil.’
‘De Weg van het Blad is niet alleen geweldloosheid,’ zei Ila vriendelijk, ‘maar ook aanvaarding van wat komt. Het blad valt zonder klacht op zijn eigen tijd. Het Licht zal ons beschermen in onze eigen tijd.’ Perijn wilde er tegenin gaan, maar onder al die meelevende warmte op hun gezichten lag een onverzettelijke vastberadenheid. Hij bedacht dat hij nog eerder Bain en Chiad – met Gaul erbij! – zover kon krijgen dat ze vrouwenkleren aantrokken en hun speren opgaven, dan dat hij deze mensen een handbreedte kon laten toegeven. Raen schudde Perijn de hand en daarop begonnen de vrouwen Ihvon en de jongens van Tweewater te omhelzen. De mannen schudden iedereen de hand en lachten, zeiden vaarwel, wensten iedereen een behouden reis en hoopten dat ze nog eens zouden komen. Bijna alle ketellappers. Aram hield zich met een stuurse blik en de handen in zijn zak afzijdig. De vorige keer dat Perijn hem gezien had, leek hij ook al zo stuurs te zijn, wat vreemd was voor een ketellapper. De mannen stelden zich niet tevreden met Faile een hand te geven. Iedereen moest haar omhelzen. Ook bij enkele zeer uitbundige jongere mannen hield Perijn zijn gezicht in de plooi. Hij perste slechts zijn tanden op elkaar en slaagde erin een glimlach op te brengen. Geen enkele vrouw die jonger was dan Ila omhelsde hém. Terwijl Faile zomaar toeliet dat een magere ketellapper in een vreselijke jas haar omhelsde en zowat platdrukte, bewaakte ze hem als een bloedhond. De vrouwen die geen grijs in hun haar hadden, keken haar één keer aan en kozen dan iemand anders. Wil leek ondertussen iedere vrouw in het kamp te kussen. Net als Ban met zijn neus. En zelfs Ihvon vermaakte zich uitstekend. Het zou Failes verdiende loon zijn als die kerels haar ribben zouden kneuzen.
Eindelijk trokken alle ketellappers, behalve Raen en Ila, zich terug en maakten ze ruimte voor de mannen van Tweewater. Raen boog plechtig met zijn handen voor zijn borst. ‘Jullie kwamen in vrede. Ga nu in vrede. Altijd zullen onze vuren jullie in vrede verwelkomen. De Weg van het Blad is vrede.’
‘Vrede zij altijd met u,’ antwoordde Perijn, ‘en met heel het Volk.’ Licht, laat dat ook zo zijn. ‘Ik zal het lied vinden of een ander zal het lied vinden, maar het lied zal worden gezongen, dit jaar of in een komend jaar.’ Hij vroeg zich af of er ooit een lied geweest was of dat de Tuatha’an hun eindeloze reis begonnen waren op zoek naar iets anders. Elyas had hem verteld dat ze niet wisten om welk lied het ging, alleen dat ze het zouden weten zodra ze het hadden gevonden. Laat hen tenminste de veiligheid vinden. Tenminste dat. ‘Zoals het eenmaal was, zo zal het weer zijn, een wereld zonder einde.’
‘Wereld zonder einde,’ mompelden de Tuatha’an ernstig. ‘Wereld en tijd zonder einde.’
Nog enkele laatste handdrukken en omhelzingen, terwijl Ihvon en Faile Perijn op Stapper hielpen. Nog een paar laatste kussen voor Wil. En voor Ban. Ban! Met zijn neus! De andere gewonden werden min of meer in het zadel getild en de ketellappers wuifden hen toe alsof zij oude buren waren die een lange reis gingen maken. Raen kwam Perijn de hand schudden. ‘Wil je er niet over nadenken?’ vroeg Perijn. ik herinner me nog dat je eens zei dat het kwaad op de wereld was losgelaten. Het is erger nu, Raen, en het bestaat hier.’
‘Vrede zij met jou, Perijn,’ zei Raen glimlachend. ‘En met jou,’ zei hij berustend.
De Aiel verschenen pas toen ze een span verder naar het noorden waren getrokken. Bain en Chiad keken Faile aan voordat ze snel hun plaats weer opzochten. Perijn wist eigenlijk niet wat ze dachten dat haar bij de Tuatha’an was overkomen.
Gaul kwam soepel lopend naast Stapper. De groep reisde niet erg snel, nu bijna de helft van de mensen te voet was. Als gewoonlijk nam hij Ihvon op voor hij zich tot Perijn wendde. ‘Gaat het met je wond?’ Zijn wond brandde als een smidsvuur; elke stap van het paard deed de pijlpunt schokken. ‘Het gaat wel,’ zei hij, zonder knarsetanden. ‘Misschien kunnen we vanavond in Emondsveld dansen. En jij? Hebben jullie leuk Maagdenkus gespeeld?’ Gaul struikelde en viel bijna op zijn gezicht. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Van wie heb jij daarover gehoord?’ zei de Aielman kalm, recht voor zich uit starend. ‘Chiad. Waarom?’
‘Chiad,’ mompelde Gaul. ‘Die vrouw is een Goshien. Een Goshien! Ik zou haar als gai’shain naar Hetebron moeten sleuren.’ De woorden klonken nijdig, maar de toon niet. ‘Chiad.’
‘Wil je me vertellen wat er aan de hand is?’
‘Een Myrddraal is minder listig dan een vrouw,’ zei Gaul vlak, ‘en een Trollok vecht met meer eer.’ Hij wachtte even en voegde er toen feller aan toe: ‘En een geit heeft meer verstand.’ Hij versnelde zijn pas en rende naar voren om zich bij de Speervrouwen te voegen. Voor zover Perijn kon zien, zei hij niets, maar vertraagde slechts zijn pas en bleef naast hen lopen.
‘Begreep jij er iets van?’ vroeg Perijn aan Ihvon. De zwaardhand schudde zijn hoofd.
Faile snoof. ‘Als hij het hen moeilijk gaat maken, zullen ze hem ter afkoeling met zijn hielen aan een tak ophangen.’
‘Snap jij er iets van?’ vroeg Perijn aan haar. Ze liep door zonder hem aan te kijken of te antwoorden, wat hij maar als ontkenning opvatte, ik geloof dat ik Raens kamp nog eens moet opzoeken. Het is lang geleden dat ik de tiganza heb gezien. Het had... wel iets.’ Ze mompelde iets binnensmonds maar hij ving de woorden op: ‘Ze zouden jou ook aan je hielen moeten ophangen.’ Hij glimlachte naar haar kruin. ‘Maar ja, dat hoef ik ook niet! Je hebt beloofd die sa’sara voor me te dansen.’ Haar gezicht werd vuurrood. ‘Komt het dicht bij de tiganza? Ik bedoel, anders hoeft het niet.’
‘Hersenloze spierbundel!’ barstte ze los en keek hem woest aan. ‘Mannen hebben hun hart en fortuin aan de voeten geworpen van vrouwen die de sa’sara dansten. Als moeder ooit vermoedt dat ik...’ Haar tanden klikten op elkaar alsof ze zich had versproken en ze wierp haar hoofd in de nek en keek voor zich uit. Een bloedrode kleur van schaamte trok van haar hoofd tot de hals van haar lijfje. ‘Dan is er voor jou geen enkele reden om de sa’sara te dansen,’ zei hij zacht. ‘Mijn hart en mijn fortuin, voor wat het waard is, liggen al aan je voeten.’
Faile verstapte zich, lachte zachtjes en drukte haar wang tegen zijn laars. ‘Je bent te slim voor me,’ mompelde ze. ‘Op een dag zal ik hem voor je dansen en het bloed in je aderen laten koken.’
‘Dat doe je al,’ zei hij, en ze lachte opnieuw. Ze wrong haar arm achter de stijgbeugel en klemde onder het lopen zijn been tegen zich aan. Na een tijdje kon zelfs de gedachte aan een dansende Faile – hij probeerde het af te leiden uit de dans van de ketellappers; het moest wel iets bijzonders zijn om dat te overtreffen – niet opboksen tegen de pijn in zijn zijde. Elke stap van Stapper was een foltering. Hij dwong zichzelf rechtop te zitten. Zo leek het iets minder pijn te doen. Bovendien voelde iedereen zich door de Tuatha’an opgebeurd en dat wilde hij niet bederven. De anderen zaten ook rechtop, zelfs degenen die zich gisteren nog ineengedoken aan hun zadels hadden vastgeklemd. En Ban en Danel liepen met geheven hoofden. Hij zou niet als eerste in elkaar zakken.