Wil begon Thuiskomst van Tarwins Kloof te fluiten, en drie of vier vielen hem bij. Na een tijdje begon Ban te zingen met een heldere en diepe stem.
Meer stemmen vielen in bij het tweede vers, tot iedereen zong, zelfs Ihvon. En Faile. Maar niet Perijn; hem was al vaak genoeg verteld dat zijn gezang klonk als dat van een platgestampte kikker. Een paar gingen zelfs lopen op de maat van de muziek.
Perijn schudde zijn hoofd. Nog geen dag geleden dachten ze erover om weg te rennen en zich te verstoppen en vandaag zongen ze over een slag die zo lang geleden had plaatsgevonden, dat die strijd enkel in dit lied in Tweewater herinnerd werd. Misschien werden het wel krijgslieden. Ze moesten wel, tenzij het hem lukte om die poort te sluiten. Er kwamen vaker boerderijen in zicht, dichter bij elkaar, tot ze over een plat gereden weg reden, tussen akkers en achter heggen of lage ruwstenen muurtjes. Verlaten boerderijen. Hier bleef niemand zich aan de grond vastklampen.
Ze kwamen op de Oudeweg, die van de Witte Rivier, van de Manetherendrelle, door Devenrit naar Emondsveld liep. Eindelijk zagen ze grote kudden schapen in de weilanden, alsof de schapen van verschillende boeren bij elkaar waren geplaatst, met tien schaapherders waar er vroeger maar één stond, en de helft bestond uit volwassen mannen. De met bogen bewapende schaapherders zagen hen voorbijtrekken terwijl ze luidkeels zongen, en wisten eigenlijk niet wat ze ervan denken moesten.
Bij zijn eerste blik wist Perijn ook niet wat hij van Emondsveld moest denken, en dat gold ook voor de anderen, want hun zingen haperde en stierf weg.
De bomen, hekken en heggen nabij het dorp waren gewoon verdwenen, opgeruimd. De huizen aan de westkant van Emondsveld hadden ooit aan de rand van het Westwoud gestaan. De eiken en lederbladbomen tussen de huizen waren gebleven, maar nu lag de zoom vijfhonderd pas verder, de lengte van een flink boogschot. Hij hoorde het doffe gehak van bijlen, waar mannen de zoom nog verder terugdrongen. Even buiten de huizen werd het dorp omringd door vele rijen heuphoge staken die schuin in de grond waren gedreven en zo een dichte heg van scherpe punten vormden, behalve daar waar de weg het dorp inliep. Achter de staken stonden op regelmatige afstand schildwachten. Enkelen droegen oude stukken wapenrusting of leren wambuizen met opgenaaide roestige metalen ringen. Anderen hadden oude, geblutste stalen helmen op en droegen varkensprikken of hellebaarden die op vlieringen waren gevonden, of lange staken waaraan snoeimessen waren bevestigd. Weer andere mannen en jongens stonden met bogen op een paar rietdaken. Toen zij Perijn en de anderen zagen aankomen, stonden ze op en begonnen ze de mensen onder hen aan te roepen.
Naast de weg en achter de staken stond een geval van hout en dik, gedraaid touw, met ernaast een stapel stenen die groter waren dan een mannenhoofd. ‘Blijde,’ zei de zwaardhand. ‘Tot nu toe zes stuks. Jouw timmerlieden wisten wat hun te doen stond, toen Tomas en ik het hadden uitgelegd. Die staken kunnen aanvallende Trolloks of Witmantels tegenhouden, wat je maar wilt.’ Het klonk alsof hij de kans op nog meer regen besprak.
‘Ik zei je toch dat jouw dorp zich op de verdediging voorbereidde.’ Faile klonk heftig en trots, alsof het haar eigen dorp was. ‘Voor zo’n zachtmoedig land zijn het harde mensen. Het zouden bijna Saldeanen kunnen zijn. Moiraine had gelijk over dat sterke bloed van Manetheren in deze mensen.’ Perijn kon slechts het hoofd schudden.
De straten waren bijna net zo vol als die van een stadje. Tussen de huizen stond het vol wagens en karren, en achter open deuren en ramen waren nog meer mensen zichtbaar. De menigte ging voor Ihvon en de Aiel opzij en ze werden begeleid door een ruisend gefluister in de straat. ‘Het is Perijn Guldenoog.’
‘Perijn Guldenoog.’
‘Perijn Guldenoog.’
Hij had liever dat ze dat niet deden. Deze mensen, sommigen kenden hem toch? Waar waren ze mee bezig? Daar was het paardengezicht van Corin Ayellin, die zijn tien jaar oude billen had bewerkt toen Mart hem had overgehaald om een kruisbessentaart van haar te pikken. En daar was Cilia Kole, met haar roze wangen en grote ogen; het eerste meisje dat hij gekust had, en nog steeds een lekker dikkerdje. En Pel Aydaer, met zijn pijp en zijn kale hoofd, die Perijn geleerd had hoe hij een snoek met zijn blote handen kon vangen, en Daise Kongar zelf, een grote, brede vrouw, bij wie Alsbet Lohan zacht leek. Daise had haar broodmagere Wit bij zich, die zoals gewoonlijk door zijn vrouw overschaduwd werd. En ze staarden hem allemaal aan en fluisterden naar de mensen die niet uit de buurt kwamen en misschien niet wisten wie hij was. Toen de oude Cen Buin een kleine jongen op zijn schouders hees, naar Perijn wees en heel uitvoerig met de jongen praatte, kreunde Perijn. Ze waren allemaal gek geworden. De dorpelingen trokken achter Perijn en de anderen aan. Het werd een optocht waarin het gefluister steeds luider werd. Overal vlogen kippen kakelend opzij. Zacht loeiende kalfjes en krijsende biggen wedijverden in hun hokken achter de huizen met de luidruchtige mensen. De Brink stond vol schapen en grazende zwart-witte melkkoeien tussen hele tomen grijze en witte ganzen.
Midden op de Brink rees een hoge mast op, met bovenaan een witte banier met rode zoom, die lui rimpelde in de wind. Er stond een rode wolfskop op. Hij keek Faile aan, maar ze schudde al even verrast haar hoofd. ‘Een teken.’
Perijn had Verin niet horen naderen, maar nu ving hij het gefluisterde ‘Aes Sedai’ op, dat om haar opklonk. Ihvon was niet verrast. Mensen staarden haar aan met ontzag in hun ogen.
‘Mensen hebben een teken nodig,’ ging Verin door en legde een hand op Stappers schouder. ‘Toen Alanna een paar dorpelingen vertelde hoe bang Trolloks voor wolven zijn, vond iedereen deze banier een geweldig idee. Vind jij ook niet, Perijn?’ Lag er iets droogs in haar stem? Haar donkere vogelogen staarden hem aan. Een vogel die naar een worm loert?
‘Ik vraag me af wat koningin Morgase ervan zal vinden,’ zei Faile. ‘Dit is een deel van Andor. Koninginnen zijn er zelden dol op dat binnen hun gebied vreemde banieren worden gehesen.’
‘Dat is niet meer dan wat lijntjes op een kaart,’ zei Perijn. De pijlwond klopte iets minder fel. ik wist zelfs niet eens dat we een deel van Andor vormden tot ik in Caemlin kwam. Ik betwijfel of veel mensen het hier weten.’
‘Heersers hebben de neiging hun kaarten te geloven, Perijn.’ Ditmaal klonk Faile onmiskenbaar droog. ‘Toen ik nog een kind was, waren er delen van Saldea die al in geen vijf geslachten een belastinggaarder gezien hadden. Toen vader eindelijk niet meer zoveel aandacht aan de Verwording hoefde te besteden, zorgde Tenobia ervoor dat iedereen wist wie hun koningin was.’
‘Dit is Tweewater,’ zei hij grinnikend, ‘niet Saldea.’ Het klonk of het daarginds in Saldea een heftig volkje was. Hij wendde zich weer tot Verin en zijn grijns veranderde in een frons, ik dacht dat u... verborg... wie u bent.’ Hij kon niet zeggen wat hem meer verontrustte: een Aes Sedai in het verborgene of een Aes Sedai die overal bekend was. De hand van de Aes Sedai zweefde op een vingerbreedte van de afgebroken pijl in zijn zijde. Er tintelde iets rond de wond. ‘O, dit is niet best,’ mompelde ze. ‘Een rib getroffen, en ondanks de zalf iets ontstoken. Daarvoor hebben we Alanna nodig, geloof ik.’ Ze knipperde met haar ogen en trok haar hand weg; ook de tinteling verdween. ‘Wat? Verbergen? O. Met al die opwinding hier konden we ons amper verborgen houden. We hadden misschien... weg kunnen gaan. Maar dat zou je toch niet hebben gewild, hè?’ Daar was die scherpe, nadenkende vogelblik weer. Hij aarzelde en zuchtte toen. ik denk het niet, nee.’