‘O, fijn dat te horen,’ zei ze met een glimlach. ‘Waarvoor ben je hier echt gekomen, Verin?’
Ze leek hem niet te horen. Of wilde het niet. ‘Laten we eerst eens kijken naar dat ding in jou. En die andere jongens moeten ook verzorgd worden. Alanna kan de ergste gevallen bekijken, maar...’ De jongemannen bij hem waren al even stomverbaasd over wat ze hier zagen als hij. Ban krabde zijn hoofd toen hij de banier zag, en een paar staarden verbaasd in het rond. Maar de meesten keken toch met grote ogen naar Verin en voelden zich niet op hun gemak; ze hadden beslist het gefluister van ‘Aes Sedai’ gehoord. Ook Perijn zelf ontsnapte niet aan die blikken, zoals hij met een Aes Sedai praatte alsof het een gewone vrouw uit het dorp was.
Verin keek kalmpjes terug, en trok toen opeens zonder om te kijken een meisje van tien, twaalf jaar uit de omstanders, met lang zwart haar dat opgestoken was met blauwe linten. Ze verstijfde van schrik. ‘Ken jij Daise Kongar, meisje?’ vroeg Verin. ‘Goed, zoek haar op en zeg haar dat hier gewonde mannen zijn die haar kruiden nodig hebben. En zeg haar dat ze haast maakt. Zeg haar dat ik geen geduld heb met haar maniertjes. Goed gehoord? Hup, lopen.’
Perijn herkende het meisje niet, maar kennelijk kende ze Daise, want ze betrok toen ze de boodschap hoorde. Maar Verin was een Aes Sedai. Even woog het meisje de twee af – Daise Kongar tegen Aes Sedai – en dook toen de menigte in.
‘En Alanna neemt jou onder haar hoede,’ zei Verin, die naar hem omhoog tuurde.
Hij wenste dat hij dat niet op twee manieren kon uitleggen.
43
Zorg voor de levenden
Verin pakte de halster van Stapper en leidde hem zelf naar De Wijnbron. De menigte week uiteen om haar door te laten en sloot zich achter haar. Danel en Ban en de anderen volgden te paard of lopend, terwijl hun kin zich bij hen voegde. Hoewel ze stomverbaasd waren van de veranderingen in Emondsveld, toonden de jongens hun trots door ondanks hun verwondingen toch stevig door te stappen of nog wat rechter in het zadel te gaan zitten. Ze hadden tegen Trolloks gevochten en waren desondanks thuis. De vrouwen streelden echter hun zoons, neven en kleinzoons, verbeten bittere tranen, en hun gekreun vormde een zacht en verdrietig gemompel. Mannen met strakke ogen probeerden hun bezorgdheid te verbergen achter trotse glimlachjes, schouderklopjes en geroep over eerste baardgroei, maar hun omarmingen gingen meestal over in een schouder waar een hoofd op gelegd werd. Vriendinnen snelden toe met luid geroep en met zoenen, hun blijheid en medeleven gelijkelijk verdeeld, en onzekere kleinere broertjes en zusjes hadden te kiezen tussen huilbuien of zich met grote ogen van verbazing vastklampen aan een broer die opeens door iedereen een held werd gevonden.
Maar Perijn had die andere woorden veel liever niet gehoord. ‘Waar is Kenlie?’ Vrouw Ahan was een knappe vrouw met witte lokken in haar bijna zwarte vlecht, maar haar frons was een en al tranen toen ze gezichten afzocht en zag hoe die zich afwendden. ‘Waar is Kenlie, mijn zoon?’
‘Bili?’ riep de oude Hu Aldaai onzeker. ‘Heeft iemand Bili Aldaai gezien?’
‘Hu...!’
‘Jared...!’
‘Tim...!’
‘Kollie...!
Voor de herberg liet Perijn zich bijna uit het zadel vallen om zo snel mogelijk aan die namen te ontsnappen, hij voelde niet eens de handen die hem opvingen. ‘Breng me naar binnen!’ zei hij schor. ‘Naar binnen.’
‘Teven...!’
‘Haral...!’
‘Had...!’
De dichte deur smoorde de hartbrekende kreten en het geroep van Dal Altarons moeder of iemand haar kon vertellen waar haar zoon was. In een Trollokketel, dacht Perijn toen ze hem op een stoel in de gelagkamer lieten zakken. In de buik van een Trollok, en ik heb hem erin gestopt, vrouw Altaron. Daar heb ik hem in gestopt. Faile omvatte zijn hoofd en keek hem bezorgd recht in de ogen. Zorg voor de levenden, dacht hij. Later zal ik om de doden huilen. Later. ‘Met mij is alles goed,’ vertelde hij haar. ‘Ik voelde me alleen wat zweverig toen ik afstapte. Ik ben nooit zo’n goede ruiter geweest.’ Ze leek hem niet te geloven.
‘Kunt u niet iets doen?’ wilde ze van Verin weten. De Aes Sedai schudde kalm het hoofd. ‘Het is maar beter van niet, kind. Het is jammer dat we geen Gele zuster hier hebben, maar Alanna is van ons twee toch de beste in Heling. Ik heb andere Talenten. Ihvon is haar gaan halen. Oefen geduld, kind.’
De gelagkamer was in een soort wapenkamer veranderd. Afgezien van de haard stonden de muren vol bossen speren in alle mogelijke vormen en lengten, met hier en daar een enkele hellebaard of piek. Er stonden ook lange wapenstokken met vreemd gevormde bladen, vele met donkere putjes en verkleurd waar oude roest was weggeschuurd. Nog veel verrassender was een vat aan de voet van de trap, met een heleboel zwaarden, de meeste zonder schede, die allemaal van elkaar verschilden. In de ruime omtrek moest elke zolder op z’n kop zijn gezet om deze oude herinneringen te vinden die generaties lang stof hadden verzameld. Perijn had altijd gedacht dat er in heel Tweewater amper vijf zwaarden te vinden zouden zijn. Voor de komst van de Witmantels en de Trolloks tenminste.
Gaul zocht een plekje langs de muur, dicht bij de trap naar de slaapkamers en de kamers van de Alverens, terwijl hij Perijn in het oog hield, maar hij was zich heel goed bewust waar Verin stond en wat ze deed. Aan de andere kant van het vertrek hielden de twee Speervrouwen met de speer in de kromming van hun arm een oogje op Faile en ieder ander. Ze leken er ontspannen bij te staan, maar wekten tevens de indruk dat ze klaar stonden elk moment tot daden over te gaan. De drie-jongemannen die Perijn naar binnen hadden gedragen, schuifelden wat bij de deur en staarden met even grote verbaasde ogen naar hem, de Aes Sedai en de Aiel. Verder was er niets. ‘De anderen,’ zei Perijn. ‘Ze hebben dringend...’
‘Voor hen wordt gezorgd,’ onderbrak Verin hem vlot en ging aan een andere tafel zitten. ‘Zij zullen bij hun familie willen zijn. Het is veel beter als je mensen die van je houden om je heen hebt.’ Perijn voelde een scherpe steek van pijn – de graven onder de appelbomen flitsten door zijn gedachten – maar hij onderdrukte het. Zorg voor de levenden, hield hij zichzelf ruw voor.
De Aes Sedai pakte haar pen en inktpotje en maakte met haar fijne schrift aantekeningen in haar kleine boekje. Hij vroeg zich af of zij er wat om gaf, hoeveel mensen van Tweewater gedood waren, zolang hij maar in leven bleef om voor de plannen van de Witte Toren met Rhand te worden gebruikt.
Faile gaf een kneepje in zijn hand, maar richtte zich niettemin tot de Aes Sedai. ‘Moeten we hem niet boven leggen?’
‘Nog niet,’ zei Perijn geërgerd. Verin keek op en wilde wat zeggen en hij herhaalde wat luider: ‘Nog niet.’ De Aes Sedai haalde haar schouders op en ging verder met haar aantekeningen. ‘Weet iemand waar Loial is?’
‘De Ogier?’ vroeg een jongeman bij de deur. Dav Ayellin was magerder dan Mart, maar hij had dezelfde twinkeling in zijn donkere ogen. Hij zag er even kreukelig en onverzorgd uit als Mart vroeger. Vroeger haalde Dav altijd ondeugende streken uit waar Mart niet aan toekwam, hoewel Mart hem meestal voor was. ‘Hij is naar buiten met de mannen om het veld bij het Westwoud te ruimen. Iedere keer dat we een boom omhakken, zou je bijna denken dat we zijn broer vermoorden, maar hij velt er drie met die monsterlijke bijl die hij baas Lohan heeft laten maken in de tijd dat wij er net één hebben gedaan. Als je hem hier wilt hebben: ik zag Jaim Tan wegrennen om ze te vertellen dat je terug was. Ik wed dat ze jou allemaal willen zien.’ Turend naar de afgebroken pijl, kromp hij in elkaar en wreef meevoelend over zijn eigen zij. ‘Doet het veel pijn?’