‘Bijt hierin, mijn lief,’ zei Faile van heel ver weg. ‘Het zal pijn doen.’ Hij wilde haar vragen wat er pijn zou doen, maar ze drukte een in leer gewikkelde stok tussen zijn tanden. Hij rook het leer, het koorts-struikhout en Faile. Zou ze met hem meegaan op jacht, over de eindeloze grasvlakten mee willen rennen achter eindeloze kudden herten? Een ijzige koude huiverde door hem heen. Vaag herkende hij het gevoel van de Ene Kracht. Toen kwam de pijn. Hij hoorde het stokje knappen tussen zijn tanden voor het zwart alles toedekte.
44
De storm barst los
Langzaam deed Perijn zijn ogen open en staarde omhoog naar het eenvoudige witgekalkte plafond. Het duurde even voor hij besefte dat hij in een bed met vier hoge posten lag, op een donzen matras, onder een deken en met een kussen van ganzenveren onder zijn hoofd. Een weelde aan geuren kringelde zijn neus in: veren en wol van de deken, de braadlucht van een gans en de baklucht van brood en honingkoekjes. Een kamer in De Wijnbron. En het onmiskenbare heldere ochtendlicht dat door de witte gordijnen voor de vensters naar binnen viel. Ochtend. Hij voelde aan zijn zij. Zijn vingers voelden een gave huid, maar hij voelde zich toch zwakker dan toen hij getroffen was. Dat was echter een kleine prijs ervoor en niet meer dan eerlijk. Zijn keel voelde uitgedroogd.
Toen hij bewoog, sprong Faile op van een stoel naast de kleine stenen haard, gooide een rode deken opzij en rekte zich uit. Ze had zich verkleed en droeg nu een strakke donkere rijrok en de kreukels in de grijze zijde verrieden dat ze in die stoel had liggen slapen. ‘Alanna zei dat je slaap nodig had,’ zei ze. Hij wilde de witte kan van het tafeltje naast zijn bed pakken en haastig schonk ze een beker water voor hem in en hield hem die voor. ‘Je moet echt nog twee of drie dagen in bed blijven, tot je je kracht terug hebt.’
Het klonk heel gewoon, maar er klonk iets onder de woorden door wat hij nog net opving; bovendien stonden haar ooghoeken strak. ‘Wat is er mis?’
Ze zette de beker voorzichtig op het tafeltje terug en streek haar rok goed. ‘Er is niets mis.’ De nauwelijks hoorbare spanning viel hem nu nog sterker op. ‘Faile, lieg niet tegen me.’
‘Ik lieg niet!’ bitste ze terug. ‘Ik zal je ontbijt naar boven laten brengen en je mag van geluk spreken dat ik dat doe. Mij zomaar een...’
‘Faile.’ Hij sprak haar naam zo streng mogelijk uit en ze aarzelde, haar meest hooghartige blik met de kin omhoog veranderde in een bezorgde frons en werd opnieuw hooghartig. Hij bleef haar strak aankijken; het zou haar niet lukken aan hem te ontkomen met die arrogante kunstjes van een dure vrouwe.
Uiteindelijk slaakte ze een zucht, ik neem aan dat je het recht hebt het te weten. Maar je blijft in bed tot Alanna en ik zeggen dat je op mag staan. Loial en Gaul zijn weg.’
‘Weg?’ Zijn ogen knipperden van verwarring. ‘Wat bedoel je met weg? Zijn ze vertrokken?’
‘In zekere zin. De wachten zagen ze vanmorgen bij het eerste licht vertrekken. Ze liepen samen op een drafje het Westwoud in. Niemand stond er eigenlijk bij stil en ze hebben ook zeker niet getracht hen tegen te houden. Trouwens, een Ogier en een Aiel tegenhouden! Ik heb het zelf net pas gehoord. Ze hadden het over bomen, Perijn. En over hoe de Ogier bomen toezingen.’
‘Bomen?’ bromde Perijn. ‘Het is die bloedpoort, van de saidinwegen! Bloedvuur, ik heb hem nog zo gezegd... Voor ze het halen, lopen ze hun dood tegemoet!’
Hij gooide de deken opzij, zwaaide zijn benen uit het bed en ging beverig staan. Hij besefte dat hij niets aan had, zelfs geen onderkleren. Maar als ze dachten dat ze hem hiermee onder de dekens konden houden, hadden ze het mooi mis. Bij de deur zag hij alles netjes opgevouwen over de hoge rugleuning van een stoel hangen, met zijn laarzen ervoor, en zijn riem hing met de bijl aan een muurhaak. Hij schuifelde naar zijn kleren toe en begon zich zo snel mogelijk aan te kleden. ‘Wat ben jij aan het doen?’ wilde Faile weten. ‘Ga terug je bed in!’ Met de vuist in haar zij wees ze bevelend naar het bed alsof hij als een klein jongetje onder de dekens terug zou kruipen.
‘Ze kunnen nog niet zo ver zijn,’ merkte hij op. ‘Niet te voet. Gaul rijdt niet en Loial beweert altijd dat hij meer op zijn eigen benen vertrouwt dan op welk paard ook. Op Stapper haal ik ze vanmiddag zeker in.’ Hij trok het hemd over zijn hoofd, liet het maar los over zijn broek hangen en ging zitten – viel neer eigenlijk – om zijn laarzen aan te trekken.
‘Je bent gek, Perijn Aybara! Je hebt toch geen enkele kans ze in het woud te vinden?’
‘Ik kan zelf heel behoorlijk spoorzoeken. Ik zal ze vinden.’ Hij schonk haar een glimlach die ze niet beantwoordde.
‘Het wordt je dood nog, harige lummel! Kijk naar jezelf. Je kunt nauwelijks op je voeten staan. Je valt al uit je zadel voor je een span hebt afgelegd.’
Zoveel mogelijk verbergend hoeveel inspanning het hem kostte, ging hij staan en stampte hij met zijn voeten op de vloer om de laarzen goed aan te krijgen. Stapper zou al het werk doen, hij hoefde er alleen maar op te zitten. ‘Onzin. Ik ben zo sterk als een paard. Hou op met mij te koeioneren.’ Hij schoot zijn jas aan en greep zijn riem met de bijl. Faile greep hem bij de arm toen hij de deur opendeed en werd meegetrokken, terwijl ze vergeefs probeerde hem terug in de kamer te trekken. ‘Soms heb je evenveel hersens als een paard,’ hijgde ze. ‘Nog minder! Perijn, je moet naar me luisteren. Je moet...’
De kamer aan de smalle gang lag maar enkele stappen van de trap die naar de verlaten gelagkamer leidde, en het was de trap die hem in de steek liet. Toen hij op de eerste trede stond en één been zijn hele gewicht moest dragen, hield dat hem niet meer. Hij sloeg voorover, rolde verder omlaag en probeerde vergeefs de trapleuning vast te grijpen, waarbij hij een gillende Faile met zich meesleurde. Om en om rollend bonkten ze de treden af en kwamen met een laatste klap tegen het vat onderaan in de gelagkamer tot stilstand, terwijl Faile languit over hem heenlag. Het vat wankelde en tolde rond, waardoor de zwaarden erin tegen elkaar kletterden, voor het met een doffe bons tot rust kwam. Het duurde even voor Perijn genoeg lucht had om iets te zeggen. ‘Ben je in orde?’ vroeg hij bezorgd. Ze lag slap boven op zijn borst. Hij schudde haar zachtjes heen en weer. ‘Faile, ben je...’ Langzaam tilde ze haar hoofd op. Ze veegde enkele korte slierten donker haar uit het gezicht, waarna ze hem fel aankeek. ‘Ben jij wel in orde? Want als je dat bent, doe ik je wat.’
Perijn snoof. Ze had waarschijnlijk minder pijn dan hij. Behoedzaam betastte hij de plek waar de pijl had gezeten, maar die leek niet pijnlijker te zijn dan de rest van zijn lichaam, dat uiteraard van boven tot onder uit blauwe plekken leek te bestaan. ‘Ga van me af, Faile. Ik moet Stapper halen.’
In plaats daarvan greep ze hem met beide handen bij de kraag beet en trok hem naar zich toe, tot hun neuzen elkaar bijna raakten. ‘Luister naar me, Perijn,’ zei ze fel. ‘Jij... kunt... niet... alles. Als Loial en Gaul de saidinpoort willen sluiten, moet je dat aan hen overlaten. Jij hoort hier. Zelfs als je sterk genoeg bent... en dat ben je niet! Luister je naar me? Je bent nog niet sterk genoeg! Maar zelfs als je dat wel was, moet je ze niet achternagaan. Je kunt niet alles!’
‘Nee maar, wat zijn jullie aan het doen?’ vroeg Marin Alveren. Ze kwam door de keukendeur de gelagkamer in, haar handen aan haar lange witte schort afvegend. Haar wenkbrauwen leken bijna in haar haren te willen stijgen. ‘Door al die herrie dacht ik dat het Trolloks waren, maar dit...’ Het klonk half geschokt, half vermaakt. Perijn besefte dat ze – met Faile boven op hem – precies leken op een stel dat lag te vrijen. Op de vloer van de gelagkamer. Failes wangen werden vuurrood en ze kwam snel overeind terwijl ze haar kleren afklopte. ‘Hij is zo koppig als een Trollok, vrouw Alveren. Ik heb hem gezegd dat hij nog te zwak was om op te staan. Hij moet meteen zijn bed weer in. Hij moet leren dat hij niet alles zelf kan doen, zeker niet wanneer hij niet eens in staat is gewoon een trap af te lopen.’