‘O, lieve help,’ zei vrouw Alveren hoofdschuddend, ‘dat doe je helemaal verkeerd.’ Ze boog zich naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar zachtjes iets toe, maar Perijn ving ieder woord op. ‘Toen hij nog klein was, kon je heel gemakkelijk iets klaar krijgen, als je hem goed aanpakte. Maar als je hem probeerde te dwingen, was hij nog koppiger dan alle andere ezels in Tweewater. Mannen veranderen eigenlijk niet zoveel, ze worden slechts groter. Als je hem zegt wat hij moet doen en niet moet doen, legt hij zeker zijn oren in de nek en zet hij zich schrap. Ik zal het je laten zien.’ Marin wierp hem een stralende glimlach toe en negeerde zijn woeste blikken. ‘Perijn, vind je niet dat mijn ganzenveren matrassen beter zijn dan de vloer? Ik zal je wat van mijn nierpasteitje laten brengen zodra we je weer in bed hebben gestopt. Je zult best trek hebben nu je gisteravond geen eten hebt gehad. Kom, laat me je overeind helpen.’
Hij duwde haar handen opzij en ging zelf staan. Nou ja, met behulp van de muur. Hij dacht dat hij de helft van alle spieren in zijn lijf verrekt moest hebben. Koppig als een ezel? Dat was hij nooit van z’n leven geweest. ‘Vrouw Alveren, kunt u Hu of Tad vragen of ze Stapper willen zadelen?’
‘Als je beter bent,’ zei ze en probeerde hem naar de trap te schuiven. ‘Vind je niet dat je beter nog wat langer kunt rusten?’ Faile pakte hem bij de andere arm beet.
‘Trolloks!’ De schreeuw buiten werd door de muren gedempt, maar werd herhaald door tientallen stemmen. ‘Trolloks! Trolloks!’
‘Daarover hoef je je vandaag geen zorgen te maken,’ zei vrouw Alveren vastberaden en geruststellend tegelijk. Het zorgde ervoor dat hij met z’n tanden wilde knarsen. ‘De Aes Sedai kunnen die zaken heel goed aan. Over enkele dagen loop je weer kiplekker rond. Je zult het zien.’
‘Mijn paard!’ zei hij en probeerde zich los te trekken. Ze hadden hem goed bij zijn mouwen vast; het lukte hem alleen maar beiden heen en weer te zwaaien. ‘Om de liefde van het Licht, willen jullie niet zo aan me trekken, zodat ik mijn paard kan pakken? Laat me los!’ Faile keek hem recht in de ogen, zuchtte en liet zijn arm los. ‘Vrouw Alveren, kunt u zijn paard laten zadelen en voor zetten?’
‘Maar lief kind, hij heeft echt...’
‘Alstublieft, vrouw Alveren,’ zei Faile ferm. ‘En mijn paard ook.’ De twee vrouwen keken elkaar aan alsof hij er niet bij stond. Ten slotte knikte de herbergierster.
Fronsend keek Perijn haar na toen ze snel de gelagkamer doorliep en in de keuken verdween om naar de stal te gaan. Wat had Faile nou anders gezegd dan hij? Hij richtte zijn aandacht op haar en zei: ‘Waarom ben je van mening veranderd?’
Terwijl ze zijn hemd in de broek stopte, mompelde ze iets in zichzelf. Ongetwijfeld werd hij niet geacht het zo goed te horen dat hij het verstond. ik moet dus niet “moet” zeggen, hè! Ik moet hem sturen met honing en glimlachjes, hè?’ Ze wierp hem een blik toe die zeker geen honing inhield en glimlachte toen opeens zo lief dat hij bijna achteruitdeinsde. ‘Mijn hartje,’ koerde ze bijna, zijn jas goed schikkend. ‘Wat er buiten ook te gebeuren staat, ik hoop echt dat je in je zadel blijft en zo ver mogelijk van Trolloks vandaan blijft. Je bent gewoon nog niet zo ver dat je het tegen een Trollok kunt opnemen, nietwaar? Misschien morgen. Denk er alsjeblieft aan dat je een generaal bent, een leider, en tot aan je vingertoppen een zinnebeeld voor die mensen, net als die banier buiten. Als je voor iedereen zichtbaar rondloopt, zal iedereen er moed door vatten. En het is veel gemakkelijker om te zien wat er gedaan dient te worden en bevelen te geven als je zelf niet bij het vechten betrokken bent.’ Ze pakte zijn riem van de vloer en sloeg hem die om, waarbij ze de bijl keurig naast zijn heup schoof. Verdraaid, ze knipperde zelfs met haar wimpers. ‘Zeg alsjeblieft dat je dat doet. Alsjeblieft?’
Ze had gelijk. Hij zou het niet lang tegen een Trollok volhouden. En tegen een Schim nog veel korter. Hij wilde het eigenlijk helemaal niet toegeven, maar hij zou geen twee span in het zadel kunnen blijven als hij achter Loial en Gaul aan zou gaan. Stomme Ogier. Je bent een schrijver, geen held. ‘Goed,’ zei hij. Er viel hem iets ondeugends in. Om op die manier met vrouw Alveren over hem te staan praten en nu dat geknipper van haar wimpers, alsof hij een zot was. ‘Ik kan je niets weigeren wanneer je zo lief glimlacht.’
‘Daar ben ik blij om.’ Glimlachend borstelde ze zijn jas af en nam pluisjes weg die hij niet eens zag zitten. ‘Want als je dat niet doet en je overleeft het, dan zal ik bij jou doen wat jij me de eerste dag op de saidinweg hebt geflikt, en ik denk niet dat je al zo sterk bent dat je me tegen kunt houden.’ Dezelfde glimlach straalde opeens naar zijn gezicht, vol voorjaarsblijheid en lieflijkheid. ‘Begrijp je me?’ Ondanks alles grinnikte hij. ‘Je zegt het alsof ik me beter kan laten doden.’ Ze leek dat niet erg leuk te vinden.
Hu en Tad, de magere stalknechten, leidden net Stapper en Zwaluw om de herberg heen toen ze naar buiten kwamen. Alle anderen leken aan het andere eind van het dorp bijeen te zijn gestroomd, aan de andere kant van de Brink met de schapen, koeien en ganzen, waar de banier met de wolfskop in de ochtendbries rimpelde. Zodra hij en Faile te paard zaten, snelden de stalknechten er ook heen, zonder verder iets te zeggen.
Wat er ook aan de hand was, het was duidelijk geen aanval. Hij kon vrouwen en kinderen in de menigte zien staan en het geschreeuw van ‘Trolloks’ was afgezwakt tot een gebabbel als van een groep ganzen. Hij reed langzaam om niet in het zadel heen en weer te zwaaien. Faile reed vlak naast hem op Zwaluw en hield hem in de gaten. Als zij zonder enige reden opeens van gedachte kon veranderen, kon ze dat ook een tweede keer en hij wilde absoluut geen ruzie over de vraag of hij hier nu wel of niet hoorde te zijn.
Iedere Emondsvelder leek in de roezemoezerige menigte te staan, zowel dorpelingen als boeren, schouder aan schouder samengedrongen, maar ze maakten ruim pad voor hem en Faile toen ze hem herkenden. Zijn naam drong in de gesprekken door, gewoonlijk gevolgd door het woord Guldenoog. Hij ving ook het woord ‘Trolloks’ op, maar eerder verbaasd dan bevreesd. Hoog op de rug van Stapper kon hij over hen uitkijken.
De samengestroomde massa nam de hele weg in beslag vanaf de laatste huizen tot aan de afwering van puntige staken. De woudzoom, bijna zeshonderd pas verder, achter een veld met nauwelijks boven de aarde uitstekende stoppels, lag er verlaten bij; er waren geen mannen met bijlen aan het werk. Die mannen vormden met ontbloot bovenlijf een bezwete kring in de menigte rond Alanna en Verin en twee mannen. Jon Tan, de molenaar, veegde een streep bloed van zijn ribben en drukte zijn vierkante kin tegen de borst zodat hij goed kon zien wat zijn handen deden. Alanna richtte zich op van de andere man, een onbekende grijze kerel die overeind sprong en een stapje danste alsof hij niet kon geloven dat hij daartoe in staat was. Zowel hij als de molenaar keek de Aes Sedai bewonderend aan.
De groep rond de Aes Sedai stond zo dicht opeen dat niemand voor Stapper en Zwaluw opzij kon stappen, maar rond Ihvon en Tomas op hun krijgsrossen waren enkele kleine openingen. De mensen wilden niet vlak naast die fel kijkende dieren staan die rondblikten alsof ze wachtten op een kans om te bijten of te slaan.
Het lukte Perijn Tomas zonder veel moeite te bereiken. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Een Trollok. Eentje maar.’ Ondanks de ontspannen toon van de grijze zwaardhand, bleven zijn donkere ogen niet lang op Perijn en Faile rusten, maar hielden zowel Verin als de woudzoom in de gaten, in hun eentje zijn ze meestal niet al te slim. Sluw, maar niet zo slim. De houthakkers hebben hem verjaagd voor zijn zwaard kon toeslaan.’ Tussen de bomen verschenen twéé rennende Aielvrouwen, gesluierd met hun sjoefa, zodat hij niet wist wie wie was. Ze hielden in om tussen de scherpe punten van de staken door te glippen en schoven toen behendig tussen de mensen door, die ondanks het gedrang zover mogelijk opzij schoven. Tegen de tijd dat ze bij Faile waren, hadden ze de sluiers afgedaan en gaven ze hun nieuws door aan Faile, die zich naar hen had toegebogen.