Выбрать главу

Berelains lippen krulden zich nog iets meer en Rhand kreeg de indruk dat het slaapvertrek opeens veel warmer was geworden. ‘Ze lieten me meteen langs toen ik zei dat ik door de Drakenheer was opgeroepen.’

‘Opgeroepen? Ik heb niemand opgeroepen.’ Hou daarmee op, dwong hij zich. Ze is een koningin, of althans bijna. Je weet evenveel van wat een koningin wil als van vliegen. Hij probeerde wat beleefder te worden, maar hij wist niet hoe je de Eerste van Mayene aansprak. ‘Mijn vrouwe...’ Dat moest maar. ‘Waarom zou ik u op dit uur van de nacht oproepen?’

Er klonk een zacht, vol lachje, diep in haar keel, zelfs in zijn gevoelloze leegheid gehuld, leek het aan zijn huid te kriebelen, liet de haartjes op zijn armen en benen rechtop staan. Ineens viel hem haar nauwe kledij op, of hij het nu pas zag, en voelde zich wederom rood worden. Ze bedoelt toch niet... Of tocht Licht, ik heb nog geen twee woorden met haar gewisseld.

‘Misschien wil ik met u praten, mijn Heer Draak.’ Ze liet het lichte gewaad op het tapijt zakken en onthulde daarmee een nog dunner witzijden kledingstuk dat hij alleen maar een nachtjapon kon noemen. Die liet haar gladde schouders geheel onbedekt en gaf een aanzienlijk oppervlak van fraaie borsten vrij. Ergens vroeg hij zich verbaasd af waarom het ding niet afzakte. Het was moeilijk niet te staren. ‘U bent net als ik een heel eind van huis. Vooral de nachten zijn eenzaam.’

‘Morgen zal ik met plezier met u praten.’

‘Maar overdag wordt u omringd door mensen. Mensen met een verzoek, hoogheren, Aiel.’ Ze rilde even. Hij wilde echt de andere kant opkijken, maar het was gemakkelijker niet te ademen. Nooit eerder was hij zich zo bewust geweest van zijn lichaam als hij in de leegte verkeerde. ‘De Aielmannen maken me bang en ik houd niet van de Tyreense heren, van geen enkele.’

Wat de Tyreners betrof, kon hij haar best geloven, maar hij dacht niet dat er verder iets bestond wat deze vrouw angst aanjoeg. Bloedvuur, ze staat hier in de slaapkamer van een vreemde man, midden in de nacht, half bloot, en ik sta te springen als een bange kat in een hondenhok. Leegte of niet. Het werd tijd hier een eind aan te maken voor het te ver zou gaan.

‘Het is beter als u terugkeert naar uw eigen slaapvertrekken, mijn vrouwe.’ Een deel van hem wilde haar ook vertellen een mantel aan te trekken. Een grote mantel. Een deel van hem. ‘Het is... het is eigenlijk te laat voor een gesprek. Morgen. Overdag.’

Ze keek hem schuins en vragend aan. ‘Hebt u nu reeds die suffe manieren van de Tyreners overgenomen, mijn Heer Draak? Of is deze terughoudendheid iets uit uw Tweewater? In Mayene... zijn we... niet zo... vormelijk.’

‘Mijn vrouwe...’ Hij probeerde vormelijk te klinken. Als zij er niet van hield, hij in ieder geval wel. ‘Ik ben Egwene Alveren beloofd, mijn vrouwe.’

‘U bedoelt die Aes Sedai, mijn Heer Draak? Als ze tenminste echt een Aes Sedai is. Ze is heel jong – misschien te jong – om de ring en de stola te dragen.’ Berelain praatte of ze het over een kind had, hoewel ze zelf nog geen jaar ouder kon zijn dan Rhand, zo niet minder, en hij was maar twee jaar ouder dan Egwene. ‘Mijn Heer Draak, ik heb niet de bedoeling tussen u en haar te komen. Trouw met haar als ze van de Groene Ajah is. Ik zou nooit de drang willen hebben om met de Herrezen Draak zelf te huwen. Vergeef me als ik me iets aanmatig, maar ik heb u gezegd dat we in Mayene niet zo... vormelijk zijn. Mag ik je Rhand noemen?’

Rhand merkte verbaasd dat hij spijtig zuchtte. Er was even een glans in haar ogen verschenen, een kleine verandering in haar gezicht, die snel weer was verdwenen toen ze het had over trouwen met de Herrezen Draak. Als ze dat niet eerder had overwogen, dan deed ze het nu wel. De Herrezen Draak, niet Rhand Altor, wel de man van de voorspellingen, niet de schaapherder van Tweewater. Hij voelde zich eigenlijk niet geschokt; sommige meisjes thuis dweepten met de jongen die bewees de snelste of de sterkste te zijn tijdens de spelen op Beltije of Zomerdag, en nu en dan zette een vrouw haar zinnen op de man met de beste akkers of de grootste kudde. Het zou fijn zijn geweest als ze Rhand Altor had gewild. ‘Het is tijd om te gaan, mijn vrouwe,’ zei hij kalm.

Ze kwam dichterbij. ‘Ik kan je ogen op me voelen, Rhand.’ Haar stem klonk mistig en heet. ‘Ik ben geen dorpsmeisje dat aan haar moeders schort hangt en ik weet dat je...’

‘Denk je dat ik van steen ben, vrouw?’ Ze maakte een sprongetje van schrik, maar kwam vervolgens meteen met uitgestrekte armen over het tapijt op hem af, haar ogen donkere poelen die een man haar diepten in kon sleuren.

‘Je armen lijken zo sterk als rots. Als je wild met mij wilt doen, doe dan wild, zolang je mij maar vasthoudt.’ Haar handen raakten zijn gezicht. Vonken leken uit haar vingers over te springen. Zonder nadenken geleidde hij de stromen die hem nog steeds met de Ware Bron verbonden en opeens stapte ze struikelend achteruit, de ogen groot van verbazing alsof een muur van lucht haar wegduwde. Het was Lucht, besefte hij; de dingen die hij deed, gebeurden vaker onbewust dan bewust. Gewoonlijk herinnerde hij zich gelukkig daarna wel hoe hij het had gedaan. De onzichtbare bewegende muur schaafde rimpeltjes over het tapijt, scheerde over het uitgetrokken gewaad van Berelain, over een laars die hij bij het uitkleden opzij had gegooid en over een roodleren voetenbankje waarop een opengeslagen deel lag van De geschiedenis van de Steen van Tyr van Eban Vandes. Alles werd meegetrokken toen hij haar bijna tegen de wand aandrukte en haar omheinde. Op veilige afstand. Hij bond de stroom af – dat was de enige omschrijving die hij kon bedenken – en toen hoefde hij het schild zelf niet meer in stand te houden. Heel even bestudeerde hij wat hij had gedaan, tot hij zeker was dat hij het kon herhalen. Het leek hem nuttig, vooral dat afbinden.

Met haar grote, nog steeds opengesperde donkere ogen voelde Berelain met bevende handen aan de omtrek van haar onzichtbare gevangenis. Haar gezicht was bijna even wit als haar vliesdunne zijden ondergoed. Het voetenbankje, de laars en het boek lagen bij het verfrommelde gewaad aan haar voeten.

‘Hoezeer ik het ook betreur, mijn vrouwe,’ vertelde hij haar, ‘we zullen niet meer met elkaar spreken, behalve in het openbaar.’ Hij vond het echt heel jammer. Wat voor beweegreden ze ook had, ze was mooi. Bloedvuur! Ik ben een dwaas! Hij wist niet zeker wat hij precies bedoelde – dat hij haar zo’n schoonheid vond of dat hij haar wegstuurde. in feite is het beter als u uw terugkeer naar Mayene zo spoedig mogelijk regelt. Ik beloof u dat Tyr Mayene niet langer zal lastig vallen. U hebt mijn woord.’ Het was een belofte die slechts gold zolang hij leefde, misschien zolang hij zich in de Steen bevond, maar hij moest haar iets aanbieden. Een verband voor haar gewonde trots, een geschenk om de angst in haar geest te verminderen. Maar ze had haar vrees al onder bedwang, uiterlijk tenminste. Haar gezicht stond open en eerlijk en alle inspanning van de verleiding was verdwenen. ‘Vergeef me. Ik heb dit slecht aangepakt. Ik had niet de bedoeling je te beledigen. In mijn land mag een vrouw vrijuit spreken tegen een man, of hij tegen haar. Rhand, je moet echt weten dat je een knappe man bent, groot en sterk. Ik zou degene zijn die van steen is als ik dat niet zag en bewonderde. Stuur me alsjeblieft niet van je weg. Ik wil erom smeken, als je dat wenst.’ Ze knielde soepel als in een dans neer. Haar gezicht vertelde nog steeds dat ze open was, alles eerlijk vertelde, maar aan de andere kant was ze er tijdens het neerknielen wel in geslaagd haar reeds gewaagde kledingstuk nog verder omlaag te trekken, zodat het nu werkelijk kon vallen. ‘Alsjeblieft, Rhand?’ Zelfs beschut in de leegte keek hij haar met open mond aan en dat had met haar schoonheid en haar bijna naaktheid niets te maken. Nou ja, gedeeltelijk. Als de Verdedigers van de Steen maar half zo vastberaden waren geweest als deze vrouw, half zo standvastig hun doel hadden nagestreefd, dan hadden geen tienduizend Aiel de Steen kunnen innemen.