‘Je bent altijd al een ouwe zot geweest, Cen Buin,’ snoof Daise. ‘Denk je echt dat wij die kinderen naar de Trolloks terug zouden sturen?’
Cens kaken bewogen woedend, maar voor hij iets kon zeggen, zette Daise haar hand tegen zijn smalle borst en duwde hem opzij. Ze mat zich een glimlach aan, schreed naar de Tuatha’an en sloeg een troostende arm om Ila heen. ‘Kom maar met mij mee. Ik zal ervoor zorgen dat jullie allemaal een heet bad krijgen en een plekje om te slapen. Elk huis is overvol, maar we zullen voor iedereen best wel een plekje vinden. Kom maar mee.’
Marin Alveren kwam haastig tussen de menigte aansnellen, evenals Alsbet Lohan. Natti Cauton, Neysa Ayellin en de andere dorpsvrouwen pakten de kinderen op of sloegen hun armen om de vrouwen en leidden ze weg, de mannen van Tweewater opzij scheldend. Niet dat iemand nog dwars durfde te liggen. Het kostte gewoon wat tijd voor zoveel mensen achteruit konden stappen om een pad vrij te maken. Faile keek Perijn bewonderend aan, maar hij schudde zijn hoofd. Dit had niets met ta’veren te maken; het volk van Tweewater had zo nu en dan iets nodig wat hun de goede richting wees, maar als dat gebeurde, begrepen ze dat best. Zelfs Hari Kopin, die naar de ketellappers stond te kijken, keek niet meer zo zuur. Nou ja, niet echt verschrikkelijk zuur. Het had geen zin wonderen te verwachten. Toen Raen langs strompelde, keek hij Perijn dof aan. ‘De Weg van het Blad is de juiste weg. Alles gaat op de daarvoor bestemde tijd dood en...’ Zijn stem stierf weg alsof hij niet meer wist wat hij verder had willen zeggen.
‘Ze kwamen vannacht,’ zei Ila, moeizaam pratend door haar opgezette gezicht. Haar ogen stonden bijna even glazig als die van haar man. ‘De honden hadden ons kunnen waarschuwen om op tijd weg te komen, maar de Kinderen hebben alle honden gedood en... Niets... we konden helemaal niets doen.’ Aram stond in zijn geelgestreepte jas achter haar, rilde en staarde naar de gewapende mannen. De meeste kinderen van de ketellappers huilden nu.
Perijn keek fronsend naar de opstijgende rook in het zuiden. Hij keerde zich om in z’n zadel en kon in het noorden en oosten nog meer rookpluimen zien. Als die van reeds verlaten boerderijen kwamen, dan hadden de Trolloks een drukke nacht gehad. Hoeveel zouden er nodig zijn om zoveel boerenhuizen in brand te steken? Stel dat ze van de ene plek naar de andere hadden gerend en het maar weinig tijd kostte om een fakkel in een verlaten huis of op een onbewaakte akker te gooien. Misschien evenveel als ze er vandaag hadden gedood. Gaf dat enige aanwijzing over hoeveel Trolloks er al in Tweewater waren? Het leek niet mogelijk dat één bende dit alleen had gedaan, al die huizen in brand steken en tevens de karavaan van het Trekkende Volk vernietigen.
Toen zijn ogen op de Tuatha’an vielen die werden weggebracht, voelde hij een steek van verlegenheid. Ze hadden gezien hoe familie en vrienden vannacht waren gedood en hij zat aan kille getallen te denken. Hij hoorde enkele mannen van Tweewater gissen wiens boerderij in rook opging. Voor al die mensen betekende een brand een zwaar verlies, betekende het mogelijk dat hun bestaan opnieuw moest worden opgebouwd, en niet een rijtje cijfers. Hij kon hier verder niets doen. Nu Faile druk bezig was om de Tuatha’an te helpen, kreeg hij tijd om achter Loial en Gaul aan te gaan.
Baas Lohan, in zijn smidsjas en lange leren voorschoot, greep het bit van Stapper. ‘Perijn, je moet me helpen. De zwaardhanden willen dat ik onderdelen voor meer blijden smeed, maar twintig man staan me toe te roepen dat ik stukken wapenrusting moet herstellen die de grootvaders van hun suffe grootvaders een keer van suffe wapenknechten van kooplui hebben gekocht.’
‘Ik zou je graag willen helpen,’ zei Perijn, ‘maar ik moet dringend iets anders doen. Waarschijnlijk ben ik inmiddels toch te roestig geworden. Het afgelopen jaar heb ik weinig werk aan het smidsvuur verricht.’
‘Licht, dat bedoel ik niet. Jij hoeft niet meer met de hamer aan de slag.’ De smid klonk geschokt. ‘Iedere keer dat ik een van de geitenkoppen met zijn gezeur wegstuur, is hij bijna meteen weer terug met een nieuwe reden. Ik kom niet aan mijn werk toe. Naar jou zullen ze wel luisteren.’
Perijn betwijfelde dat, als ze al niet eens naar baas Lohan wilden luisteren. Haral Lohan was niet alleen lid van de dorpsraad, maar ook zo groot dat hij bijna iedere man in Emondsveld op kon tillen en hem zo nodig bij zijn lurven de smidse uit kon gooien. Maar hij ging mee naar de tijdelijke smidse die baas Lohan had opgezet onder een haastig opgetrokken schuur zonder zijwanden bij de Brink. Er stonden zes man rond de aambeelden die waren gered uit de smidse die de Witmantels in brand hadden gestoken en een ander pompte wezenloos aan de grote lederen blaasbalg, tot de smid hem met een schreeuw van de lange handvatten verjoeg. Tot Perijns verrassing luisterden ze wel toen hij zei dat ze moesten gaan. Ze schikten zich blijkbaar zonder omhaal naar de wens van een ta’veren, nadat hij had gezegd dat baas Lohan het druk had. De smid had het best zelf afgekund, maar hij pompte onder uitbundige dank Perijns hand voor hij weer aan het werk ging. Perijn boog zich voorover vanuit z’n zadel en greep een van de mannen, een kale boer die Gert Eldin heette, bij de schouder en vroeg hem te blijven en iedereen weg te jagen die hierna baas Lohan nog wilde lastig vallen. Gert moest wel driemaal zo oud zijn geweest als hij, maar de verweerde rimpelige man knikte slechts en stelde zich vlak bij de werkplek van baas Lohan op, die nu met zijn hamer het hete ijzer aan het bewerken was. Nu kon hij ervandoor voor Faile kwam opdagen. Maar nog voor hij Stapper had gekeerd, verscheen Bran, met een speer op zijn schouder en de stalen hoofdkap onder een dikke arm. ‘Perijn, er moet een snellere manier zijn om de herders en knechten hier te krijgen als we opnieuw worden aangevallen. Zelfs met onze snelste lopers kon Abel maar de helft terugkrijgen voor de Trolloks uit het bos te voorschijn kwamen.’
Dat was gemakkelijk op te lossen, een kwestie van denken aan een oude, zwart verkleurde bugel die Cen Buin aan zijn muur had hangen en het afspreken van een sein van drie lange stoten die zelfs de verste schaapherder kon horen. Het zorgde er natuurlijk ook voor dat er voor andere zaken nog meer seinen werden bedacht, zoals om iedereen naar z’n plek te sturen wanneer er een aanval dreigde. Bain, Chiad en de zwaardhanden bleken meer dan bereid het verkennerswerk op te knappen, maar vier was amper voldoende, dus moesten er goede woudlopers en speurders gevonden worden. En die moesten weer over paarden beschikken, zodat ze Emondsveld konden bereiken vóór de Trolloks hen ontdekten.
Daarna moest Buul Datrijn worden gekalmeerd. De witharige oude pijlenmaker, met zijn neus die bijna even scherp was als een breed-pijlpunt, wist heel goed dat de meeste boeren gewoonlijk zelf hun pijlen maakten, maar hij wees vierkant elke hulp uit het dorp af, alsof hij persoonlijk elke pijlkoker gevuld kon houden. Perijn wist achteraf niet eens meer hoe hij Buuls opgewonden bui had gekalmeerd, maar op de een of andere manier liet hij de man tevreden achter met een stel jongens die de ganzenveren aan de schachten bonden en vastlijmden. Ewar Kanwin, de gezette kuiper, had een ander probleem. Nu zoveel mensen water nodig hadden, moest hij meer emmers en vaten maken dan hij in weken in z’n eentje aankon. Het kostte weinig tijd om helpers voor hem te vinden waarvan hij geloofde dat ze op z’n minst duigen af konden schimmen, maar er kwamen nog meer mensen met vragen en problemen. Die dachten dat alleen Perijn de antwoorden wist, zoals waar de lijken van de Trolloks verbrand moesten worden, en of het veilig was om terug te gaan naar de boerderij en te redden wat er gered kon worden. Hij antwoordde met een ferm ‘nee’ wanneer die laatste vraag werd gesteld – en hij hoorde hem vaker dan elke andere vraag – door mannen en vrouwen die fronsend naar de rookwolken keken die van het land opstegen. Maar meestal vroeg hij slechts wat de vragensteller zelf de beste oplossing vond en zei hem dan dat te gaan doen. Het gebeurde maar zelden dat hij zelf iets moest bedenken. De mensen wisten wat ze moesten doen, ze hadden alleen dat dwaze idee dat ze het hem moesten vragen.