Выбрать главу

Danel, Ban en de anderen vonden hem en stonden erop met hun banier achter hem aan te rijden, alsof de grote banier op de Brink nog niet erg genoeg was, tot hij hen opdroeg de wacht te houden bij de mannen die opnieuw in het Westwoud bomen gingen vellen. Het bleek dat Tham ze een of ander verhaal had verteld over llliaanse krijgslieden die de Gezellen werden genoemd, en die met de generaal van het llliaanse leger meereden en overal werden ingezet waar de strijd het felst was. Uitgerekend Tham! Gelukkig namen ze de banier mee, want Perijn voelde zich een enorme dwaas met dat ding in zijn kielzog. Halverwege de ochtend kwam Luc binnenrijden, hooghartig tot in zijn hoogblonde haren. Hij beantwoordde met kleine knikjes het korte gejuich, hoewel de reden daarvoor Perijn een raadsel was. Hij bracht in een leren zak een trofee mee, die hij op een speer stak aan de rand van de Brink, waar iedereen er zich aan kon vergapen. Het oogloze hoofd van een Myrddraal. De man was er op een kleinerende manier redelijk bescheiden over, maar hij liet zich wel ontvallen dat hij de Schim had gedood toen hij op een horde Trolloks was gestuit. Een groep bewonderaars trok hem mee naar de plek van de veldslag – zo noemden ze het al in het dorp – waar paarden de Trolloks naar grote vuren sleepten die enorme vettige, zwarte rookwolken deden opwalmen. Luc op zijn beurt sprak zijn bewondering uit en maakte slechts twee schampere opmerkingen over hoe Perijn zijn mannen had opgesteld. Dat vertelden de mensen van Tweewater in ieder geval, dat Perijn iedereen erbij had gehaald en voor het eerst van zijn leven dat soort bevelen had gegeven.

Luc schonk Perijn neerbuigend een goedkeurende blik. ‘Je hebt het heel goed gedaan, jongen. Je hebt natuurlijk geluk gehad, maar ja, er bestaat zoiets als beginnersgeluk, niet?’

Toen hij zich terugtrok in zijn kamer in De Wijnbron, liet Perijn het hoofd weghalen en verbranden. Zoiets hoefde men niet te zien, zeker de kinderen niet.

De vragen gingen door terwijl de dag verstreek, tot hij opeens besefte dat de zon recht boven hem stond en dat hij nog niets gegeten had, en zijn maag maakte hem dat nadrukkelijk duidelijk. ‘Vrouw Alcaar,’ zei hij vermoeid tegen de vrouw met het lange gezicht bij zijn stijgbeugel, ik neem aan dat de kinderen overal kunnen spelen, zolang iemand er maar op let dat ze zich niet buiten het dorp zelf wagen. Licht, vrouw, dat weet je allang. Je weet beslist meer af van kinderen dan ik. Hoe heb je het anders bij je eigen vier klaargespeeld?’ Haar jongste was zes jaar ouder dan hij!

Nela Alcaar fronste en wierp het hoofd in de nek zodat haar grijs-gelokte vlecht rondzwaaide. Heel even dacht hij dat ze hem aan wilde vliegen omdat hij zo tegen haar sprak. Hij wilde bijna dat ze het zou doen, ter afwisseling van iedereen die wilde weten wat hij vond dat gedaan moest worden. ‘Natuurlijk weet ik hoe ik met kinderen moet omgaan,’ zei ze. ik wil er alleen maar zeker van zijn dat het op jouw manier wordt gedaan. Nou, dan doen we het maar zo, nietwaar?’

Zuchtend wachtte hij tot ze was weggelopen en stuurde toen Stapper naar De Wijnbron. Twee of drie stemmen riepen hem aan, maar hij weigerde te luisteren. Op jouw manier. Wat was er mis met deze mensen? Mensen uit Tweewater deden zo niet. Zeker Emondsvelders niet. Die wilden overal over meepraten. Ze kletsten de raadsleden suf, kletsten zich in de dorpsraad de blaren op de tong, maar pas als het tot een slaande ruzie kwam, lieten ze hun afkeuring woord voor woord horen. En misschien dacht de vrouwenkring dat ze haar zaken binnen de kring hield, maar iedere man wist wat het betekende als een vrouw met een strakke kaak door het dorp beende, terwijl haar vlecht bijna als een kattenstaart recht omhoog wees.

Wat ik wil’ dacht hij kwaad. Wat ik wil is iets eten, ergens waar niemand tegen me staat te zaniken. Hij stapte voor de herberg af, struikelde en bedacht dat hij best een bed aan zijn eigen wensen kon toevoegen. Het was nog maar middag en Stapper had het werk gedaan, maar hij voelde zich al zo moe als een hond. Misschien had Faile wel gelijk. Misschien was het echt een slecht idee om achter Loial en Gaul aan te gaan.

Toen hij de gelagkamer inliep, keek vrouw Alveren hem even aan en drukte hem toen met een moederlijke glimlach een stoel in. ‘Je kunt al die bevelen een poosje van je afzetten,’ vertelde ze hem kordaat. ‘Emondsveld overleeft het best terwijl jij ervoor zorgt dat er wat in je maag komt.’ Ze snelde al bedrijvig weg voor hij kon zeggen dat Emondsveld zonder hem helemaal beter af zou zijn. Het vertrek was bijna verlaten. Natti Cauton zat aan een tafel verband op te rollen en legde de rolletjes op de stapel voor haar, maar ze slaagde er ook in een oogje te houden op haar dochters aan de andere kant van het vertrek, hoewel beiden oud genoeg waren om hun haar in een vlecht te dragen. De reden daarvoor was overduidelijk. Bode en Eldrin zaten aan weerszijden van Aram en spoorden de ketellapper aan te eten. Ze zaten hem eigenlijk te voeren en veegden ook zijn kin nog voor hem af. Zoals ze die vent zaten toe te grijnzen, verbaasde het Perijn dat Natti er niet zelf bij ging zitten, vlechten of niet. De kerel was knap, veronderstelde hij, misschien wel knapper dan Wil Alseen. Zowel Bode als Eldrin vond dat duidelijk ook. Wat Aram betrof: af en toe glimlachte hij terug – hij zou blind zijn als hij niet had gezien dat het leuke meiden waren en Perijn dacht niet dat Aram ooit een knap meisje zou missen – maar bij elke hap gleden zijn grote ogen langs de speren en hellebaarden tegen de muur. Voor een Tuatha’an moest dat een afschuwelijk gezicht zijn.

‘Vrouw Alveren heeft me verteld dat je eindelijk genoeg van je zadel hebt gekregen,’ zei Faile, die door de deur naar de keuken naar binnen snelde. Het was verbazend maar ze droeg net zo’n wit lang schort als Marin. Ze had de mouwen tot boven haar ellebogen opgerold en had meel aan haar handen. Alsof dat nu pas tot haar doordrong, trok ze de schort af, maakte snel haar handen schoon en legde de schort over een stoelleuning, ik heb nog nooit eerder gebakken,’ zei ze en schoof haar mouwen omlaag toen ze bij hem kwam zitten. ‘Het is wel leuk, dat deeg kneden. Misschien vind ik het op een dag leuk om het weer te doen.’

‘Als je zelf niet bakt,’ zei hij, ‘waar halen we dan brood vandaan? Ik ben niet van plan mijn hele leven op reis te zijn, eten te kopen of te eten wat ik gestrikt heb of met boog of slinger heb gevangen.’ Ze glimlachte alsof hij iets heel liefs had gezegd, hoewel hij van z’n leven niet wist wat. ‘De kokkin bakt natuurlijk. Of eigenlijk een van haar helpsters, neem ik aan, maar de kokkin houdt er toezicht op.’

‘De kokkin,’ mompelde hij hoofdschuddend. ‘Of een van haar helpsters. Natuurlijk. Waarom dacht ik daar zelf niet aan?’

‘Wat is er aan de hand, Perijn? Je ziet er bezorgd uit. Afgezien van een echte stadsmuur kan de verdediging niet beter zijn.’

‘Dat is het niet, Faile. Maar die dingen rond Perijn Guldenoog lopen uit de hand. Ik weet niet voor wie ze me houden, maar ze blijven maar vragen of het in orde is, terwijl ze allang weten wat er gedaan moet worden, en dat best zelf kunnen verzinnen als ze zich tijd gunnen.’ Heel lang bleef ze hem aankijken. De donkere schuin staande ogen stonden nadenkend. Toen zei ze: ‘Hoeveel jaren is het geleden dat de koningin van Andor hier echt regeerde?’

‘De koningin van Andor? Ik weet het niet precies. Honderd jaar misschien. Tweehonderd. Wat heeft dat ermee te maken?’

‘Deze mensen weten niet meer hoe ze met een koningin of een koning moeten omgaan. Ze proberen het uit te zoeken. Je moet geduld met ze hebben.’

‘Een koning?’ zei hij zwakjes. Hij liet zijn hoofd op z’n armen op de tafel vallen. ‘O, Licht nog-an-toe.’

Zacht lachend woelde Faile door zijn haar. ‘Nou ja, misschien niet zoiets. Ik betwijfel sterk of Morgase dat goed zou vinden. Maar minstens een leider. Ze zou heel zeker goedkeuren dat iemand haar gebieden teruggaf die haar troon al ruim honderd jaar of meer niet meer heeft bestuurd. Die man zou ze zeker heer maken. Perijn van Huis Aybara, heer van Tweewater. Klinkt goed.’