‘In Tweewater hebben wij geen heren nodig,’ mopperde hij tegen het eiken tafelblad. ‘Koningen en koninginnen ook met. We zijn vrije mensen.’
‘Ook vrije mensen hebben er soms behoefte aan iemand te volgen,’ zei ze zachtjes. ‘De meeste mensen willen in iets geloven wat groter is dan zijzelf, iets wat verder reikt dan hun wei of akker. Daarom bestaan er naties, Perijn, en volken. Zelfs Raen en Ila zien zich als deel van iets wat meer is dan hun eigen karavaan. Ze zijn hun wagens kwijt en heel veel familieleden en vrienden, maar andere Tuatha’an zoeken nog steeds het lied en zij zullen het ook weer doen, omdat ze bij iets groters horen dan alleen enkele wagens.’
‘Van wie zijn deze?’ vroeg Aram opeens.
Perijn keek op. De jonge ketellapper stond ongemakkelijk naar de speren tegen de muur te kijken. ‘Ze zijn van iedereen die er een wil, Aram. Niemand zal je met zo’n wapen iets doen, dat mag je van me aannemen.’ Hij wist niet zeker of de jongen hem geloofde gezien de manier waarop Aram met zijn handen in de zakken langzaam door het vertrek stapte, terwijl hij van opzij naar de speren en hellebaarden gluurde.
Perijn wilde meteen op het eten aanvallen toen Marin een bord voor hem neerzette met geroosterde dun gesneden gans, knolletjes, erwten en lekker knapperig brood. Hij zou tenminste meteen zijn begonnen, als Faile hem niet een doekje met geborduurde bloemen had voorgebonden en mes en lepel uit zijn handen had gegrist. Ze leek het heel vermakelijk te vinden hem net zo te voeden als Bode en Eldrin bij Aram hadden gedaan. De meisjes Cauton keken hem giechelig aan en ook Natti en Marin glimlachten een beetje. Perijn zag niet in wat er zo grappig was. Hij was best bereid Faile te gehoorzamen, al was het veel gemakkelijker geweest als hij het zelf kon doen. Door haar moest hij telkens zijn hals uitrekken om van de lepel te happen. Arams langzame wandeling voerde hem driemaal het vertrek rond voor hij onder aan de trap bleef staan, starend naar het allegaartje van zwaarden in het vat. Toen stak hij zijn hand uit en trok er onhandig een zwaard uit. Het in leer gewikkelde gevest was lang genoeg voor beide handen. ‘Mag ik deze gebruiken?’ vroeg hij. Perijn verslikte zich bijna.
Alanna verscheen boven aan de trap met Ila. De Tuathaanse leek moe, maar de zwelling op haar gezicht was verdwenen. ‘... het beste is slapen,’ zei de Aes Sedai net. ‘Zijn geest is geschokt, dat is bij hem het ergst, maar Heling helpt daartegen niet.’
Ila’s ogen vielen op haar kleinzoon, op wat hij vasthield en ze krijste alsof het wapen haar lichaam trof. ‘Nee, Aram! Neeeee!’ Ze viel bijna toen ze haastig de trap afsnelde en zich op Aram wierp in een poging zijn handen van het zwaard te trekken.
‘Nee, Aram,’ hijgde ze ademloos. ‘Dat moet je niet doen. Leg het weg. De Weg van het Blad. Doe het niet! De Weg van het Blad! Alsjeblieft, Aram! Alsjeblieft!’
Het leek of ze dansten toen hij probeerde haar onhandig af te weren en het zwaard buiten haar bereik te houden. ‘Waarom niet?’ riep hij boos. ‘Ze hebben moeder vermoord! Ik heb het gezien! Ik had haar kunnen redden als ik een zwaard had gehad. Ik had haar kunnen redden!’
De woorden vlijmden door Perijns borst. Een ketellapper met een zwaard leek iets onnatuurlijks, zo onwezenlijk dat zijn nekharen overeind gingen staan, maar die woorden... Zijn moeder. ‘Laat hem met rust,’ zei hij, ruwer dan hij eigenlijk wilde, ieder mens heeft het recht zich te verdedigen, zijn moe... Hij heeft het recht.’ Aram hield Perijn het zwaard voor. ‘Wil je mij leren hoe ik hem moet gebruiken?’
‘Dat kan ik niet,’ vertelde Perijn hem, ‘maar je kunt best iemand vinden.’
De tranen rolden over het verwrongen gezicht van Ila. ‘De Trolloks hebben mijn dochter genomen,’ snikte ze, bevend over haar hele lichaam, ‘en alle kleinkinderen, alleen hem niet, en die ene neem jij me af. Hij is een Verlorene, vanwege jou, Perijn Aybara. In je hart ben je een wolf geworden en nu maak je hem ook zo.’ Ze draaide zich om en wankelde de trap op, nog steeds hevig snikkend, ik had haar kunnen redden!’ riep Aram haar na. ‘Grootmoeder! Ik had haar kunnen redden.’ Ze keek geen enkele keer om en toen ze naar haar kamer verdween, zakte hij huilend tegen de trapleuning, ik had haar kunnen redden, grootmoeder, ik had haar...’ Perijn besefte dat Bode ook huilde, met de handen voor haar gezicht en dat de andere vrouwen hem gefronst aankeken alsof hij iets slechts had gedaan. Nee, niet allemaal. Alanna keek boven aan de trap strak naar hem met die onleesbare kalmte van een Aes Sedai en Failes gezicht stond even vlak.
Hij veegde z’n mond af, gooide het doekje op de tafel en stond op. Hij kon nog steeds tegen Aram zeggen dat hij het zwaard terug moest zetten en Ila om vergeving vragen. Tijd genoeg om hem te zeggen dat-Ja, wat? Dat hij er misschien de volgende keer niet zou zijn om zijn geliefden te zien sterven? Dat hij misschien alleen hun graf zou aantreffen?
Hij legde zijn hand op de schouders van de jongeman en Aram kromp in elkaar, zijn zwaard vastklemmend alsof hij meende dat die afgepakt zou worden. De geur van de ketellapper was een kolkende stroom van gevoelens, vrees, haat en mergdiepe droefheid. Verlorene, had Ila hem genoemd. Zijn ogen stonden verloren. ‘Was je gezicht, Aram. Ga dan Tham Altor zoeken. Zeg hem dat je les moet krijgen.’ Langzaam keek de jongeman op. ‘Dank je,’ stamelde hij, met zijn mouw ruw de tranen van zijn gezicht vegend. ‘Dank je, dit zal ik nooit vergeten. Nooit. Dat zweer ik.’ Opeens hield hij het zwaard omhoog om de rechte kling te kussen. Het gevest had een koperen wolfskop als weerstang. ik zweer het. Hoort dat niet zo?’ ik neem aan van wel,’ zei Perijn bedroefd en vroeg zich af waarom hij zich bedroefd moest voelen. De Weg van het Blad was een mooi geloof, een droom over vrede, maar geen enkele droom hield stand tegen geweld. Volgens hem was vrede nergens te vinden. Het was een droom voor andere mensen, een andere tijd, voor een andere eeuw misschien. ‘Ga, Aram. Je moet nog heel veel leren en misschien krijg je de tijd niet.’ Nog steeds dankwoorden snikkend, nam de ketellapper niet eens de moeite zijn tranen weg te wassen; hij rende meteen de herberg uit, het zwaard met beide handen voor zich uit dragend. Perijn was zich bewust van Eldrins afkeuring, van Marins vuisten op haar heupen en van Bodes gesnik. Hij liep terug naar zijn stoel. Alanna stond niet meer boven aan de trap. Faile keek toe toen hij zijn lepel en mes oppakte. ‘Keur je het af?’ vroeg hij kalm. ‘Elke man heeft het recht zichzelf te verdedigen, Faile. Ook Aram. Niemand kan hem dwingen de Weg van het Blad te volgen.’ ik vind het niet fijn als je pijn lijdt,’ zei ze heel zachtjes. Zijn mes hield stil boven een plak ganzenvlees. Pijn? Die droom bestond niet voor hem. ik ben alleen maar moe,’ zei hij glimlachend. Hij dacht dat ze hem niet geloofde.
Voor hij een tweede hap had kunnen nemen, stak Bran zijn hoofd om de voordeur. Hij droeg weer zijn ronde stalen helm. ‘Er komen ruiters uit het noorden, Perijn. Heel veel mannen te paard. Ik denk dat het Witmantels zijn.’
Faile schoot weg toen Perijn opstond, en tegen de tijd dat hij buiten naast Stapper stond, kwam ze op haar zwarte merrie rond de herberg aanrijden, terwijl de dorpsmeester iets mompelde over wat hij tegen de Witmantels ging zeggen. Er waren meer mensen die naar het noorden holden en hun werk lieten liggen. Perijn had niet zoveel haast. De Kinderen van het Licht kwamen hem natuurlijk gevangennemen. Waarschijnlijk kwamen ze daarvoor. Hij was niet van plan hier in boeien te vertrekken, maar hij stond ook niet te trappelen om de mensen te vragen hem tegen de Witmantels te verdedigen. Hij reed achter Bran aan en voegde zich bij de stroom mannen, vrouwen en kinderen die de Wijnvloed via de Wagenbrug overstaken. De hoeven van Stapper en Zwaluw bonsden op de dikke planken. Langs het water rezen enkele hoge wilgen op. De brug vormde het begin van de Noorderweg, liep naar Wachtheuvel en vervolgens naar Tarenveer. Enkele rookzuilen in de verte waren nu niet meer dan dunne rookslierten nu de branden vanzelf doofden.
Waar het dorp eindigde, zag hij enkele karren die de weg versperden en mensen die met hun bogen en speren en andere wapens achter de puntige schuine staken samendromden. Ze roken naar opwinding, mompelden onderling en schoven naar elkaar toe om te zien wat daar over de weg aankwam: een lange dubbele colonne van witgeklede ruiters die een stofwolk opwierp. Punthelmen en glimmende pantsers en maliën glinsterden in de middagzon en de van stalen punten voorziene lansen stonden allemaal precies even schuin. Vooraan reed een jongere man, met een stijve rug en een strak gezicht, die Perijn vaag bekend voorkwam. Bij de aankomst van de dorpsmeester werd het verwachtingsvolle gemompel sissend gestild. Of misschien was het de aankomst van Perijn die hen tot stilte maande.