Выбрать главу

‘Zijn verraad heeft mijn vader gedood in Falme,’ schreeuwde Bornhald. Hij beefde van woede. ‘Hij heeft hem verraden aan Duistervrienden en de heksen van Tar Valon, die duizend Kinderen van het Licht met de Ene Kracht hebben gedood.’ Byar knikte heftig. Enkele mensen van Tweewater bewogen zich verontrust. Wat Alanna en Verin met de stenen van de blijde hadden gedaan, was als een lopend vuurtje rondgegaan, en de verhalen hadden het behoorlijk aangedikt. Wat ze ook van Perijn vonden, de honderden verhalen over Aes Sedai die bijna allemaal gelogen waren, konden hen gemakkelijk overtuigen dat Aes Sedai duizenden Witmantels hadden omgebracht. En als ze overtuigd waren, zouden ze al het andere ook gemakkelijk geloven.

‘Ik heb niemand verraden,’ zei Perijn luid, zodat iedereen het kon horen. ‘Als je vader in Falme is gestorven, dan kwam het door de mannen die Seanchanen werden genoemd. Ik weet niet of zij Duistervrienden zijn, maar ik weet wel dat zij in de strijd de Ene Kracht gebruiken.’

‘Leugenaar!’ Speeksel spatte van Bornhalds lippen. ‘De Seanchanen zijn een bedenksel van de Witte Toren om hun smerige daden te verbergen! Jij bent een Duistervriend.’

Bran schudde verbaasd zijn hoofd en duwde krabbend in zijn grijze haar de stalen hoofdkap scheef, ik weet niets van die... Seanchanen?... van die Seanchanen. Wat ik wel weet is dat Perijn geen Duistervriend is en dat u niemand gevangenneemt.’

De toestand werd elk moment gevaarlijker, besefte Perijn. Byar zag het en trok fluisterend aan Bomhalds arm, maar de kapitein kon of wilde misschien niet meer terugkrabbelen nu Perijn in levenden lijve voor hem stond. Bran en de Emondsvelders hadden zich ook schrap gezet. Ze waren niet bereid hem aan de Witmantels over te laten, misschien zelfs niet eens als hij elke beschuldiging van Bornhald bekende. Tenzij iemand snel water op de vlammen gooide, zou alles ontploffen als een hand droog stro op een smidsvuur.

Hij had er een hekel aan snel te moeten denken. Loial had gelijk; haastig denken leidde tot gewonden en doden. Maar hij meende een uitweg te zien. ‘Ben je bereid te wachten om mij gevangen te nemen, Bornhald? Tot de Trolloks zijn verslagen? Voor die dag ga ik toch nergens heen.’

‘Waarom zou ik dat doen?’ De man was verblind door haat. Als hij doorzette, zouden heel veel goede mannen sterven, onder wie waarschijnlijk hijzelf, maar dat zag hij niet in. Het had geen zin hem erop te wijzen.

‘Heb je niet gezien hoeveel boerderijen vanmorgen in brand zijn gestoken?’ zei Perijn in plaats daarvan. Hij maakte een weids gebaar dat alle verdwijnende rookslierten omvatte. ‘Kijk om je heen. Je hebt het zelf gezegd. De Trolloks stellen zich niet meer tevreden met elke nacht enkele boerderijen in brand te steken. Ze vallen nu dorpen aan. Als jullie proberen terug te gaan naar Wachtheuvel, halen jullie dat wellicht niet eens. Je hebt geluk gehad dat je zover bent gekomen. Maar als jullie hier blijven, in Emondsveld...’ – Bran draaide zich geschokt om en andere mannen schreeuwden luid ‘nee!’ Faile reed naar hem toe en greep hem bij de arm, maar hij negeerde alles – ‘... dan weten jullie waar ik ben en je soldaten zullen bij de verdediging meer dan welkom zijn.’

‘Weet je het zeker, Perijn?’ vroeg Bran, Stappers stijgbeugel pakkend terwijl Faile aan de andere kant fel uitvieclass="underline" ‘Nee, Perijn! Het gevaar is veel te groot. Je moet dat niet... ik bedoel... alsjeblieft doe... O, Licht, bloed en as! Je moet dit niet doen!’

‘Ik wil niet dat mensen tegen mensen strijden als ik dat kan voorkomen,’ zei hij vastbesloten. ‘We gaan het werk van de Trolloks niet voor ze opknappen.’

Faile duwde zijn arm wild weg. Ze keek Bornhald grimmig aan, pakte een wetsteen uit haar buidel, een mes ergens anders vandaan en begon het lemmet zijdezacht zoevend te wetten.

‘Hari Kopin zal niet weten wat hij hiervan moet denken,’ zei Bran droog. Hij schoof zijn pothelm recht, wendde zich weer tot de Witmantels en plantte de speer ferm naast zich neer. ‘U hebt zijn voorwaarden gehoord. Hoor nu de mijne. Als jullie Emondsveld binnenkomen, wordt zonder de toestemming van de dorpsraad niemand in de boeien geslagen. Die toestemming krijgt u niet, dus gebeurt dat gewoon niet. Jullie gaan niemands huis binnen, tenzij je wordt uitgenodigd. Jullie maken geen moeilijkheden en je helpt mee bij de verdediging, waar en wanneer jullie worden gevraagd. En zelfs op een hooischuur wil ik nog geen streepje van een Drakentand zien! Stemt u daarmee in? Zo niet, rij dan maar over dezelfde weg terug.’ Byar staarde de gezette man aan alsof er vlak voor hem opeens een schaap op zijn achterpoten was gaan staan om hem uit te dagen. Bornhald bleef Perijn strak aankijken. ‘Afgesproken,’ zei hij eindelijk. ‘Tot het Trollokgevaar is geweken. Afgesproken.’ Hij wendde zijn paard en galoppeerde terug naar zijn linie soldaten, zijn sneeuwwitte mantel bolde wapperend achter hem omhoog.

Toen de dorpsmeester beval de karren van de weg te rijden, zag Perijn dat Luc hem aankeek. De kerel zat onderuitgezakt in zijn zadel, een lome hand op het zwaard, vermaak in zijn blauwe ogen. ‘Als ik denk aan jouw gestook tegen de Witmantels,’ zei Perijn, ‘rekende ik op enkele protesten van jouw kant.’

Luc stak gladjes zijn handen op. ‘Als deze mensen Witmantels willen, mogen ze Witmantels hebben. Maar jij kunt maar beter voorzichtig zijn, mijn jonge Guldenoog. Ik heb ervaring met een vijand die je aan je boezem drukt. Zijn wapen glijdt sneller naar binnen als hij nabij is.’ Lachend spoorde hij zijn hengst aan en reed door de menigte terug het dorp in.

‘Hij heeft gelijk,’ zei Faile die nog steeds haar mes op de wetsteen sleep. ‘Misschien houdt die Bornhald zich wel aan zijn belofte, maar wat houdt een van zijn mannen tegen een dolk in je rug te planten? Je had dit niet moeten doen.’

‘Ik moest wel,’ zei hij. ‘Het is beter dan het werk voor de Trolloks op te knappen.’

De Witmantels kwamen naar binnen rijden, Bornhald en Byar voorop. Het tweetal keek hem woest aan, met onverminderde haat, en de anderen die naast elkaar binnenreden... Kille harde ogen in kille har de gezichten richtten zich op hem en bekeken hem terwijl ze langsreden. Zij haatten hem niet, maar ze herkenden een Duistervriend als ze er een zagen. Zeker Byar was tot alles in staat.

Hij had dit moeten doen, maar hij vond het eigenlijk geen slecht idee om aan de wens te voldoen van Danel, Ban en de anderen en zich te laten volgen. Zonder een wacht voor zijn deur zou hij niet rustig kunnen slapen. Schildwachten. Net als zo’n stomme heer. Faile zou er we blij mee zijn. Kon hij er maar voor zorgen dat de jongens die banier kwijtraakten.

46

Sluiers

Er bevond zich een grote menigte in de doolhof van kronkelende straatjes bij de Grote Kring op Calpene. Rook van talloze kookvuurtjes kringelde boven de hoge witte muren op en gaf de reden voor die drukte. De drukkende zurige lucht van rook, koken en het zweet van ongewassen lijven vermengde zich in de vochtige ochtendlucht met het gehuil van kinderen en het onduidelijke geroezemoes dat altijd gepaard gaat met grote, dicht opeengepakte mensenmassa’s. Zelfs het schrille gekrijs van hoog cirkelende meeuwen werd erdoor overstemd. De winkels in deze wijk hadden reeds lang en voorgoed de ijzeren hekken voor hun deuren gesloten.

Vol afkeer baande Egeanin zich een weg door het opeengepakte volk. Het was al erg genoeg dat er zo weinig orde was overgebleven dat deze vluchtelingen zonder penner op zak de Kringen hadden overgenomen en tussen de stenen banken sliepen. Het was even erg dat hun heersers hen lieten verhongeren. Ze zou eigenlijk blij moeten zijn – dit moedeloze gepeupel zou nooit tegenstand kunnen bieden aan de Corenne en dan zou de orde weer worden hersteld – maar ze vond het een afschuwelijk gezicht.

De meeste haveloze mensen om haar heen leken te verslagen om zich te verbazen over een vrouw in hun midden die in keurig schone, blauwzijden rijkleding, zij het van eenvoudige snit, rondliep. Hier en daar zag ze in de menigte mannen en vrouwen in vuile kreukelige kleren die vroeger mooi geweest waren, dus misschien vormde ze toch niet zo’n tegenstelling met anderen. De enkeling die zich afvroeg of haar kleding hem munten zou opleveren, werd afgeschrikt door het gemak waarmee ze de dikke vechtstok hanteerde en door haar lengte. Lijfwachten, stoel en dragers konden vandaag beter vergeten worden. Met zo’n stoet zou Floran Gelb zeker hebben gemerkt dat hij werd gevolgd. Haar broekrok verschafte haar gelukkig wat bewegingsvrijheid.