Выбрать главу

Het was niet moeilijk de wezelige man in deze mensenmassa in het oog te houden, al moest ze zo nu en dan een ossenkar of een zeldzame wagen ontwijken die meestal niet door paarden werd getrokken maar door zwetende mannen met ontblote bovenlijven. Gelb en zeven of acht van z’n vrienden, bonkige mannen met ruwe gezichten, liepen dicht bij elkaar en lieten een spoor van scheldwoorden achter. Die kerels maakten haar kwaad. Gelb was weer van plan iemand te ontvoeren. Hij had drie vrouwen gevonden sinds ze hem het gevraagde goud had overhandigd, en ook al hadden ze op iemand van haar lijst geleken, ze waren het niet, waarna hij had staan jammeren toen ze hen had afgewezen. Ze had hem nooit moeten betalen voor de eerste vrouw die hij op straat had opgepakt. Hebzucht en de herinnering aan goud hadden hem blijkbaar de pijnlijke boze woorden doen vergeten die ze hem samen met de beurs had geschonken.

Geschreeuw achter haar deed haar snel omkijken en de handen om haar staf klemmen. Er was een kleine opening ontstaan, wat bij moeilijkheden altijd gebeurde. Een jammerende man in een eens mooie, gescheurde jas zat op z’n knieën op de straat en omklemde zijn rechterarm die de verkeerde kant was opgebogen. Beschermend stond een huilende vrouw in een bevlekt groen gewaad over hem heengebogen, terwijl ze een gesluierde kerel nariep die al in de menigte was verdwenen. ‘Hij vroeg alleen maar een munt! Hij vroeg het alleen maar!’ De menigte vulde de open plek rond hen reeds op. Met een grimlach draaide Egeanin zich om. En bleef staan met een vloek die verbaasde blikken trok. Gelb en zijn trawanten waren verdwenen. Ze drong naar een kleine fontein in de vorm van een bronzen vis, voor een wijnwinkel met een plat dak, waarbij ze ruw twee vrouwen opzij drong die potten aan het vullen waren. Ze sprong op de rand en negeerde hun verontwaardigde scheldpartij. Vandaar kon ze over de hoofden van de mensen heen kijken. De overvolle straten liepen alle kanten op en volgden de hellingen van de heuvels. De bochten en witgepleisterde gebouwen beperkten haar zicht tot zo’n honderd pas, maar in die korte tijd kon Gelb nooit veel verder zijn gekomen.

Opeens zag ze hem, verborgen in een diepe portiek, dertig pas verder, terwijl hij de straat afloerde. Toen waren de anderen ook gauw gevonden. Ze stonden tegen de gebouwen aan de overkant geleund en probeerden niet op te vallen. Ze waren niet de enigen bij de gevels, maar terwijl alle anderen dof neerhurkten, straalden hun gezichten met gebroken neuzen angstige verwachting uit.

Dus hier zou hun ontvoering plaatsvinden. Op deze plek zou zeker niemand tussenbeide komen, net zo min als men gereageerd had toen de arm van die man gebroken werd. Maar wie? Als Gelb eindelijk iemand van haar lijst had gevonden, kon ze beter teruggaan en op hem wachten tot hij de vrouw kwam verkopen. Gewoon afwachten tot ze de kans kreeg zelf te zien of een a’dam behalve Bethamin ook andere sul’dam kon beheersen. Ze was echter niet van plan weer voor de keus geplaatst te worden om die ongelukkige vrouw te laten ombrengen of als slavin te laten verkopen.

Er kwamen genoeg vrouwen de hellende straat op naar de plek waar Gelb stond, de meesten droegen die doorzichtige sluiers en hadden vlechten in het haar. Egeanin hoefde geen tweede keer te kijken om twee vrouwen in draagstoelen met een lijfwacht uit te sluiten. Gelbs straatschenners zouden het niet opnemen tegen een groepje mannen, zeker niet als ze het met hun vuisten tegen zwaarden moesten opnemen. Ze wist niet wie, maar de vrouw die zij wilden oppakken, zou zich op z’n hoogst door twee of drie ongewapende mannen laten begeleiden. Dus kon het iedereen zijn die gekleed ging in lompen, grauwe boerse kledij of in de nauwsluitende kleding waar de Taraboonse vrouwen van hielden.

Opeens vielen haar twee vrouwen op die in de verte pratend de hoek omkwamen. Met hun dunne vlechten en doorzichtige gezichtssluiers leken ze van Tarabon, maar ze hoorden hier niet thuis. Die dunne, gewaagd gesneden gewaden, de een groen, de ander blauw, waren van zijde, niet van linnen of fijne wol. Een vrouw in zulke kledij zat in een draagstoel, die liep niet, zeker hier niet. En die had geen vatijzer als een knuppel op de schouder.

Ze lette verder niet op de vrouw met het roodblonde haar, maar nam de andere nauwkeurig op. Haar donkere vlechten waren ongewoon lang, bijna tot op haar middel. Op deze afstand leek de vrouw heel veel op een sul’dam die Surine heette, maar het was Surine niet. Deze vrouw zou amper tot haar kin reiken.

In zichzelf mompelend sprong Egeanin van de fonteinrand en drong zich door de dichte menigte naar Gelb toe. Met wat geluk kon ze hem op tijd bereiken en hem tegenhouden. De stommeling. Die hebzuchtige dwaas met zijn muizenverstand!

‘We hadden stoelen moeten huren, Nynaeve,’ zei Elayne opnieuw. Ze vroeg zich voor de honderdste keer af hoe een Taraboonse kon praten zonder de sluier in de mond te krijgen. Ze blies die eruit en voegde eraan toe: ‘We zullen deze dingen moeten gebruiken.’ Toen Nynaeve haar staaf dreigend optilde, liet een magere kerel met een smal gezicht zich niet langer door de menigte naar hen toedrukken. ‘Daar hebben we ze toch voor.’ Haar woeste blik vergrootte zijn plotselinge gebrek aan belangstelling behoorlijk. Elayne vroeg zich af wanneer Nynaeve eraan zou wennen dat ze niet meer aan haar dikke vlecht kon rukken. ‘En voeten zijn om te lopen. Hoe kunnen we rondkijken en vragen stellen als we worden rondgereden als varkens voor de markt? Ik zou me belachelijk voelen in een van die stomme stoelen. Ik vertrouw in ieder geval meer op mijn eigen zintuigen dan op onbekende mannen.’

Elayne wist zeker dat Baile Domon betrouwbare mannen voor hen had kunnen vinden. En anders het Zeevolk wel. Ze wou maar dat de Golfdanser niet was afgevaren, maar de zeilvrouwe en haar zuster wilden heel graag het bericht over de Coramoor in Dantora en Cantorin verspreiden. Ze had het best gevonden als ze twintig lijfwachten bij zich hadden gehad.

Meer onbewust dan dat ze het echt merkte, voelde ze iets langs de beurs aan haar riem strijken. Terwijl ze met een hand de beurs vasthield, draaide ze rond en hief haar eigen staaf. De langsstromende menigte week iets uiteen, men keek haar amper aan terwijl men elkaar verdrong, maar van een mogelijke beurzensnijder viel niets te bekennen. Gelukkig kon ze de munten erin nog voelen. Sinds die keer dat ze haar beurs bijna was kwijtgeraakt, droeg ze net als Nynaeve haar Grote Serpent-ring en de stenen ter’angreaal aan een koord rond haar nek. Vijf dagen in Tanchico en ze was er drie kwijtgeraakt. Zo’n twintig lijfwachten zouden wel genoeg zijn. En een koets. Met gordijntjes voor de deuren.

Terwijl ze naast Nynaeve weer verder de hellende straat opklom, zei ze: ‘Dan zouden we deze kleren niet moeten dragen. Ik herinner me nog dat je mij een boerenrok liet dragen.’

‘Het is een goede vermomming,’ antwoordde Nynaeve kortaf. ‘We gaan in de menigte op.’

Elayne snoof even. Alsof gewone kleren niet veel beter pasten. Nynaeve wilde niet toegeven dat ze nu veel liever mooie zijden kleren droeg. Elayne wilde maar dat ze niet zo overdreef. Het was waar dat iedereen hen voor Taraboonse vrouwen hield – tot ze hun mond opendeden – maar zelfs met een halslijn van kant die tot de kin toe gesloten was, voelde dit nauwe zijden gewaad bloter dan alles wat ze ooit had gedragen. Zeker niet iets voor in het openbaar. Nynaeve daarentegen stapte de overvolle straat door alsof helemaal niemand naar hen keek. Nou, misschien deed niemand dat – niet vanwege hun kledij in ieder geval – maar het leek net of ze dat wel deden. In hun ondergoed zouden ze bijna even gekleed zijn geweest. Met een rode blos probeerde ze er niet meer aan te denken hoe de zijde zich naar haar lichaam voegde. Hou ermee op! Het is bier gepast. Echt! ‘Heeft die Amys je iets verteld wat ons zou kunnen helpen?’