Выбрать главу

‘Ik heb je al verteld wat ze heeft gezegd,’ zuchtte Elayne. Nynaeve had haar tot diep in de nacht wakker gehouden om te praten over de Eerste Wijze die die nacht in Tel’aran’rhiod bij Egwene was geweest en in de vroege ochtend, nog voor het ontbijt, was ze er opnieuw over begonnen. Egwene had om de een of andere reden haar haren in twee vlechten, had gemelijk en fronsend naar de Eerste Wijze gekeken en bijna niets gezegd, behalve dat het met Rhand goed ging en dat Aviendha op hem paste. De witharige Amys was het meest aan het woord geweest met een strenge les over de gevaren van de Wereld der Dromen, waardoor Elayne zich het meisje van tien had gevoeld dat door Lini, haar oude kinderverzorgster, was betrapt toen ze uit bed sloop om snoep te pikken. Na die les volgden waarschuwingen over de vastberaden beheersing die zij volgens Amys bij het betreden van Tel’aran’rhiod diende te bezitten. Hoe kon je je gedachten beheersen? ik dacht echt dat Perijn bij Rhand en Mart was.’ Dat was, na Amys, de tweede grote verrassing geweest. Egwene had blijkbaar gedacht dat Perijn bij haar en Nynaeve was.

‘Hij en dat meisje zijn waarschijnlijk ergens heen waar hij vreedzaam in een smidse kan werken,’ zei Nynaeve, maar Elayne schudde haar hoofd.

‘Ik denk het niet.’ Ze had zo haar vermoedens over Faile, en als die ook maar een beetje klopten, dan zou Faile zich er niet mee tevredenstellen dat ze de vrouw van een smid was. Opnieuw spuwde ze de sluier uit haar mond. Stom ding.

‘Nou ja, waar hij ook is,’ zei Nynaeve, die weer met haar vlechten liep te rommelen, ‘ik hoop dat hij veilig is en dat het goed met hem gaat, maar hij is niet hier en kan ons niet helpen. Je hebt die Amys toch wel gevraagd of ze een manier wist om met behulp van Tel’aran’rhiod die...’ Een gezette kalende man in een versleten bruine jas schoof door de menigte en probeerde zijn dikke armen om haar heen te slaan. Ze hief het vatijzer van haar schouder en mepte hem midden in zijn brede gezicht, waardoor hij achteruit wankelde en zijn neus vasthield, die nu zeker voor de tweede keer was gebroken.

Elayne haalde net diep adem voor een geschrokken schreeuw, toen een tweede man, even groot en met een dikke snor, haar opzij stootte om Nynaeve te grijpen. Ze vergat alle angst. Precies toen zijn handen de andere vrouw aanraakten, haar opzij duwend, liet ze met van woede strakke kaken haar eigen staaf boven op zijn hoofd neerkomen met alle kracht die ze kon opbrengen. De benen van de vent klapten dubbel en hij viel heel bevredigend plat op zijn tronie neer. De menigte week uiteen. Niemand wilde betrokken raken bij andermans problemen. En helemaal niemand schoot te hulp. En ze hadden hulp nodig, besefte Elayne. De man die Nynaeve had geraakt, stond nog, zijn mond verwrongen tot een snauw, terwijl hij het uit zijn neus stromende bloed weglikte en zijn dikke vingers kromde alsof hij haar de keel wilde dichtknijpen. Nog erger, hij was niet alleen. Nog zeven man kwamen verspreid op hen af en sneden elke vluchtweg af, allemaal even groot als de eerste, met van littekens voorziene gezichten en handen die al vele jaren stenen leken te vermorzelen. Een magere kerel met een smal gezicht stond als een zenuwachtige vos te grijnzen en te hijgen: ‘Laat haar niet ontsnappen! Ze betekent goud, zeg ik je. Puur goud!’

Ze wisten wie zij was. Dit was geen aanslag op hun beurs, ze waren van plan Nynaeve om te brengen en de erfdochter van Andor te ontvoeren. Ze voelde hoe Nynaeve saidar omhelsde – als dit haar niet boos genoeg maakte om te geleiden, zou niets dat doen – en ze opende zichzelf eveneens voor de Ware Bron. De Ene Kracht stroomde door haar heen, een zoete vloed vervulde haar van top tot teen. Een paar stromen Lucht voor ieder van hen kon deze schurken wel aan. Maar ze geleidde niet, en Nynaeve evenmin. Samen konden ze deze kerels even goed een afranseling geven als hun moeders hadden gedaan. Maar ze durfden het niet, tenzij ze geen keus hadden. Als de Zwarte Ajah dichtbij was, dan hadden ze zich met hun saidar-gloed al verraden. Het geleiden van die paar stromen Lucht kon hen al verraden aan een Zwarte zuster in een andere straat op ruim honderd pas afstand, afhankelijk van haar kracht en gevoeligheid. Daarmee hadden zij zich de afgelopen vijf dagen beziggehouden. Ze waren de stad doorgelopen en hadden geprobeerd of ze een geleidster konden voelen in de hoop dat die hen naar Liandrin en de anderen zou voeren.

Ze moesten ook aan de menigte denken. Enkele mensen liepen nog met een boog om hen heen, vlak langs de gevels schuivend. Anderen draalden wat en zochten andere paden naar hun bestemming. Slechts enkelen erkenden dat de twee vrouwen in gevaar waren door beschaamd hun ogen af te wenden. Maar als zij zagen hoe grote mannen door iets onzichtbaars weggeslingerd werden... De Aes Sedai en de Ene Kracht hadden in Tanchico momenteel geen goede naam. Niet nu oude geruchten uit Falme de ronde deden, naast nieuwere verhalen dat de Witte Toren de aanhangers van de Draak steunde. Deze mensen zouden ervandoor gaan als ze zagen dat de Kracht werd gebruikt. Of het zou op relletjes uitlopen. Zelfs als zij en Nynaeve konden voorkomen dat ze ter plekke in stukken werden gescheurd – ze wist niet zeker of ze dat konden – bestond er geen enkele kans dat naderhand geheim te houden. De Zwarte Ajah zou nog voor zonsondergang horen dat er Aes Sedai in Tanchico waren. Terwijl ze met haar rug tegen die van Nynaeve ging staan, greep Elayne haar ijzer stevig beet. Ze wilde als een gek gaan lachen. Als Nynaeve het ooit nog waagde om er alleen – en te voet – op uit te gaan, zou zij persoonlijk Nynaeves hoofd in een emmer water duwen. Gelukkig leek niemand van deze pummels erg happig te zijn om als eerste net zo’n barst in z’n kop te krijgen als de vent die nog steeds op de straatstenen lag.

‘Vooruit,’ drong de magere man aan, met zijn handen zwaaiend. ‘Vooruit! Het zijn maar twee vrouwen!’ Zelf verzette hij echter geen voet. ‘Vooruit, zeg ik. We hebben alleen die ene nodig! Ze is goud, zeg ik jullie.’

Opeens klonk er een harde plof en een van de schurken zakte door zijn knieën, terwijl hij versuft naar het gat in z’n kop greep. Een donkerharige vrouw met een streng gezicht in een blauwe rijbroek stormde langs hem heen en draaide zich opeens scherp om. Ze stompte een andere kerel in z’n gezicht, sloeg met een staf zijn benen onder hem vandaan en schopte hem bij zijn val tegen zijn hoofd. Dat er toch nog hulp kwam, was al verbazingwekkend, maar dat die hulp van een vrouw kwam, was ronduit verbijsterend. Elayne had echter geen zin kieskeurig te zijn. Met een woordeloos gebrul voelde ze Nynaeve van haar wegspringen en zij sprong eveneens schreeuwend naar voren: ‘Voorwaarts de Witte Leeuw!’ om de meest nabije man zo stevig en snel mogelijk te bewerken. Toen die zijn armen ophief on zich te beschermen, leek hij tot in z’n botten geschokt. ‘Voorwaarts di Witte Leeuw!’ riep ze weer, de strijdkreet van Andoi; en de man hoi de met de staart tussen zijn benen weg.

Ondanks alles moest ze lachen en draaide ze rond om iemand ander: te zoeken voor een klap. Er waren er nog maar twee die niet waren gevallen of gevlucht. De eerste man met de gebroken neus had ziel omgedraaid om weg te hollen en Nynaeve gaf hem nog een enorms mep op zijn rug. De onbekende vrouw slaagde er op de een of andere manier in haar staf langs zijn arm en schouder te steken, hem naai zich toe te trekken en tegelijk op z’n tenen te laten bungelen. Op z’r platvoeten was hij zeker een hoofd groter dan zij en hij woog tweemaal zoveel, maar ze sloeg driemaal snel achter elkaar met de muis van haar hand tegen zijn kin. Zijn ogen schoten omhoog, maar toer hij in elkaar zakte, zag Elayne dat de magere man zichzelf van de straal omhoogwerkte. Met een bloedende neus en half glazige ogen trok Hij een mes uit zijn riem en sprong van achteren op de vrouw toe. Zonder verder te denken geleidde Elayne. Een vuist Lucht sloeg de man met zijn mes neer. De onbekende vrouw draaide zich om, maar hij krabbelde op handen en knieën weg tot hij weer kon staan en in de menigte verderop kon wegduiken. Er waren mensen blijven staan om die vreemde vechtpartij te zien, maar niemand had een vinger uitgestoken, afgezien van deze donkerharige vrouw, die Elayne en Nynaeve nu onzeker stond aan te kijken. Elayne vroeg zich af of ze gezien had dat die tanige kerel blijkbaar door niets was neergeslagen. ‘Ik bied je mijn dank aan,’ zei Nynaeve een tikkeltje buiten adem terwijl ze naar de vrouw stapte en haar sluier goed schikte, ik denk dat we hier maar beter kunnen vertrekken. Ik weet dat de burgerwacht niet vaak in deze straten verschijnt, maar ik heb geen zin om iets uit te leggen als ze toevallig wel opdagen. Onze herberg is niet zo ver. Wil je ons vergezellen? We willen toch minstens een kop thee aanbieden aan iemand die een hand uitsteekt en echt helpt in deze Lichtverzaakte stad. Ik heet Nynaeve Almaeren en dit is Elayne Trakand.’ De vrouw aarzelde zichtbaar. Ze had het gezien, ik... zou... dat op prijs stellen. Ja, zeker.’ Ze had een lijzige manier van spreken die moeilijk te verstaan was, maar op de een of andere manier toch bekend klonk. Het was echt een knappe vrouw en haar gezicht leek zelfs nog witter door haar schouderlange, zwarte haar. Ze was iets te hard om een schoonheid genoemd te worden. Haar ogen keken streng, alsof ze gewend was bevelen re geven. Een koopvrouw misschien, aan haar kleding te zien. ik heet Egeanin.’