Egeanin aarzelde niet om met hen in de eerste de beste zijstraat te verdwijnen. Rond de neergeslagen mannen verzamelde zich reeds een menigte. Elayne vermoedde dat als die kerels weer bij bewustzijn kwamen, alles van enige waarde gestolen zou zijn, tot aan hun kleren en laarzen toe. Ze wou dat ze wist hoe die mannen hadden geweten wie zij waren, maar ze wist niet hoe ze een van die mannen moest meenemen om dat uit te zoeken. Ze zouden van nu af aan zéker een lijfwacht nemen, wat Nynaeve ook mocht zeggen.
Egeanin had dan wel niet geaarzeld, maar ze voelde zich niet op haar gemak. Elayne kon het aan haar ogen zien toen ze door de menigte schoven. ‘Je hebt het gezien, hè?’ vroeg ze. De vrouw verstapte zich en dat zei Elayne genoeg. Ze voegde er haastig aan toe: ‘We zullen je geen kwaad doen. Zeker niet nu je ons geholpen hebt.’ Opnieuw moest ze haar sluier uitspugen. Nynaeve leek dat probleem niet te hebben. ‘Je hoeft me niet zo moeilijk aan te kijken, Nynaeve. Ze heeft gezien wat ik deed.’
‘Dat weet ik,’ zei Nynaeve droogjes. ‘En het was het enige dat je kon doen. Maar we zitten niet gezellig in het paleis van je moeder in een veilig hoekje waar niemand ons kan afluisteren.’ Ze gebaarde naar de mensen om hen heen. Door Egeanins vechtstok en hun staven liepen de meesten met een wijde boog om hen heen. Tegen Egeanin zei ze: ‘De meeste geruchten die je hebt opgevangen, zijn niet waar. Weinig geruchten zijn dat. Je hoeft niet bang voor ons te zijn, maar je zult begrijpen dat er zaken zijn waar we op straat liever niet over willen praten.’
‘Bang van jullie?’ Egeanin keek geschokt, ik had niet gedacht dat ik dat moest zijn. Ik zal mijn mond houden tot jullie wensen te praten.’ Ze hield zich aan haar woord. Ze liepen de hele weg van het schiereiland in stilte door het geroezemoes van de menigte naar de Drie-pruimenhof. Elayne kreeg pijn aan haar voeten van al dat geloop. Een handvol mannen en vrouwen zat ondanks het vroege uur al in de gelagkamer diepzinnig in hun wijn of bier te staren. De vrouw met het hamerhakkebord werd begeleid door een magere man die een fluit bespeelde die even ijl klonk als hijzelfwas. Juilin zat aan een tafeltje bij de deur en rookte een pijpje. Toen zij weg waren gegaan, was hij nog niet van zijn nachtelijke zoektocht terug geweest. Elayne zag tot haar genoegen dat hij ditmaal geen blauwe plek of messteek had opgelopen. War hij de onderbuik van Tanchico noemde, leek zo mogelijk nog woester dan wat men elders over de stad vertelde. Zijn enige aanpassing aan de Tanchicaanse kledij was zijn hoofddeksel. De strohoed was vervangen door een donkere hoogronde vilthoed, die hij schuin achter op zijn hoofd liet staan.
‘Ik heb ze gevonden,’ zei hij, van zijn bank opspringend en zijn hoed afgrissend voor hij zag dat ze niet alleen waren. Hij schonk Egeanin een behoedzame blik en een kleine buiging. Ze beantwoordde die met een knikje en was even waakzaam.
‘Heb je ze gevonden?’ riep Nynaeve uit. ‘Weet je het zeker? Spreek, man. Heb je je tong ingeslikt?’ En zij moest haar zo nodig waarschuwen dat mensen hen konden horen.
‘Ik had beter kunnen zeggen: ik heb de plek gevonden waar ze zijn geweest.’ Hij keek geen tweede keer naar Egeanin, maar koos zijn woorden zorgvuldig. ‘De vrouw met de witte lok leidde me naar een huis waar ze met een aantal andere vrouwen verbleef, hoewel maar weinigen ooit buiten werden gezien. De bewoners daar dachten dat het rijke vluchtelingen van het platteland waren. Ze hebben weinig achtergelaten, afgezien van wat voedsel in de voorraadkamer – zelfs de bedienden zijn weg – maar uit het een en ander kan ik opmaken dat ze gisteren vrij laat of vroeg in de nacht zijn vertrokken. Ik betwijfel of ze enige vrees koesteren voor het nachtleven van Tanchico.’ Nynaeve hield een vuist vol vlecht tussen haar strakke witte knokkels. ‘Je bent naar binnen geweest?’ vroeg ze heel effen. Elayne dacht dat ze bijna op het punt stond hem een mep met haar ijzer te geven. Juilin leek hetzelfde te denken. Met een oog op de staaf zei hij: ‘Je weet heel goed dat ik met hen geen enkel gevaar wil lopen. Een leeg huis ziet er ook leeg uit, geeft een gevoel van leegte, het maakt niet uit hoe groot het is. Je kunt niet zo lang als ik op dieven jagen zonder te weten hoe zo’n huis eruitziet.’
‘En als je nu een val had laten dichtklappen?’ Nynaeve siste de woorden bijna. ‘Werkt je grote aanleg om dingen te voelen ook bij een val?’ Het donkere gezicht van Juilin werd wat grauwer. Hij likte z’n lippen alsof hij iets wilde uitleggen of zich wilde verdedigen, maar ze was hem voor. ‘We zullen er later over praten, baas Sandar.’ Haar ogen schoten even kort naar Egeanin. Eindelijk was het weer tot haar doorgedrongen dat andere oren konden luisteren. ‘Zeg tegen Rendra dat we thee zullen nemen in de Vallende Bloemenkamer.’
‘Het Vertrek van de Vallende Bloesems,’ verbeterde Elayne haar zachtjes en Nynaeve keek haar even aan. Het nieuwtje van Juilin had haar humeur er niet beter op gemaakt.
Hij maakte met gespreide armen een diepe buiging. ‘Zoals u beveelt, vrouw Almaeren, zo gehoorzaam ik vanuit het hart,’ zei hij wrokkig, waarna hij zijn donkere hoed weer opzette en wegbeende, zijn rug een welsprekend beeld van verontwaardiging. Het moest niet echt prettig zijn te merken dat je bevelen moest opvolgen van iemand met wie je eens had willen minnekozen.
‘Dwaze man,’ gromde Nynaeve. ‘We hadden ze allebei in de haven van Tyr moeten laten staan.’
‘Hij is uw bediende?’ vroeg Egeanin langzaam. ‘Ja,’ snauwde Nynaeve, terwijl Elayne zei: ‘Nee.’ Ze keken elkaar aan, Nynaeve nog steeds fronsend. ‘Misschien is hij dat in zekere zin,’ zuchtte Elayne, vlak voor Nynaeve mompelde dat hij dat strikt genomen niet was. ik... begrijp het.’
Rendra kwam druk doende tussen de tafels door met een glimlach rond haar rozenlipjes achter de sluier. Elayne wou maar dat ze niet zo veel op Liandrin leek. ‘Ach, wat zien jullie er vanmorgen lief uit. Jullie kleding, het is prachtig. Prachtig.’ Alsof de honingharige vrouw niet zelf mee had bepaald welke stof ze moesten kiezen en hoe die naar haar smaak genaaid moest worden. Haar rode gewaad was zo rood als dat van een ketellapper en duidelijk niet geschikt voor buiten. ‘Jullie zijn weer dom geweest, nietwaar? Daardoor komt het dat die knappe Juilin zo nors kijkt. Jullie zouden het hem niet zo moeilijk moeten maken.’ Een twinkeling in haar grote bruine ogen maakte duidelijk dat Juilin hier iemand anders het hof maakte. ‘Kom. Jullie kunnen in koele afzondering je thee gebruiken en als jullie weer naar buiten moeten, sta me dan toe om voor dragers en lijfwachten te zorgen, ja? De knappe Elayne zou niet zoveel beurzen zijn kwijtgeraakt als ze behoorlijk bewaakt werd. Maar over dat soort zaken zullen we het nu niet hebben. Jullie thee is bijna klaar. Kom.’ Het kunstje viel te leren, begreep Elayne nu, je moest gewoon leren hoe je kon praten zonder je sluier op te eten.