Выбрать главу

‘Nee,’ zei Elayne snel als antwoord op de eerste vraag en ze antwoordde even snel op de tweede vraag. ‘Er zijn geen Aes Sedai bij ons.’ Misschien hoorde ze te vertellen dat zij eigenlijk geen Aes Sedai waren. Maar dat was haar niet gevraagd. Nynaeve keek haar woest aan, de knokkels wit rond haar vlechten, woedend dat zij niet als eerste had geantwoord.

‘Waarom zijn jullie in deze stad?’ vroeg de vrouw.

‘We zijn op jacht naar Zwarte zusters,’ barstte Nynaeve los en wierp Elayne een triomfantelijke blik toe.

De knappe vrouw lachte. ‘Daarom heb ik jullie vandaag pas voor het eerst voelen geleiden. Wijs om onopvallend te blijven als er gevaar dreigt. Datzelfde streef ik altijd na. Laat de dwazen maar in de kijkerd lopen. Ze kunnen worden verslagen door de spin die zich in de spleten verbergt, de spin die ze pas zien als het te laat is. Vertel me alles wat jullie over die Zwarte zusters hebben ontdekt, alles wat jullie van hen weten.’

Elayne gaf alles prijs en streed met Nynaeve om daarbij de eerste te zijn. Het was niet zoveel. Hun uiterlijk, de gestolen ter’angrealen, de moorden in de Toren en de vrees dat er nog meer Zwarte zusters waren achtergebleven. Dat ze een Verzaker hadden geholpen vóór de val van de Steen, hun overtocht hierheen om iets te zoeken wat voor Rhand gevaarlijk was. ‘Ze waren bij elkaar in een huis,’ besloot Elayne hijgend, ‘maar ze zijn gisteravond vertrokken.’

‘Het lijkt me dat jullie er dichtbij waren,’ zei de vrouw langzaam. ‘Heel dichtbij. Ter’angreaal. Keer jullie beurs op de tafel om, jullie zakken.’ Dat deden ze en de vrouw keek snel de munten, het naaigerei, de doekjes en dergelijke na. ‘Hebben jullie een ter’angreaal in je kamer? Een angreaal of een sa’angreaal?’

Elayne was zich bewust van de stenen ring tussen haar borsten, maar dat was haar niet gevraagd. ‘Nee,’ zei ze. Dat soort dingen hadden ze niet in hun kamer.

De vrouw schoof alles opzij en leunde achterover, half in zichzelf sprekend. ‘Rhand Altor. Dus zo heet hij nu.’ Haar gezicht plooide zich tot een korte grimas. ‘Een opschepper die stonk naar mededogen en goedheid. Is hij nog steeds dezelfde? Nee, doe maar geen moeite. Een zinloze vraag. Dus Belal is dood. Die ander zal Ishamael wel zijn. Al zijn opschepperij over dat hij maar half gevangenzat, wat de prijs daarvoor ook was. Hij was minder menselijk dan ieder ander toen we hem weer ontmoetten. Ik denk dat hij half geloofde zelf de Grote Heer van het Duister te zijn. En na al die drieduizend jaren van listen en plannen komt er een ongeoefende jongen die hem verslaat. Mijn manier is de beste. Zachtjes aan, zachtjes aan, in de schaduw. Iets om een geleider te beheersen. Ja, dat zou het moeten zijn.’ Haar ogen namen hen weer scherp op, keken hen aan. ‘Tja. Wat zullen we met jullie doen?’ Elayne wachtte geduldig. Nynaeve toonde een domme glimlach, haar lippen verwachtingsvol geopend. Ze leek nog dommer door de wijze waarop ze haar vlecht vasthield.

‘Jullie zijn te sterk om te verknoeien. Op een dag kunnen jullie nog nut hebben. Ik zou Rahvins ogen weieens willen zien op de dag dat hij jou zonder blok ontmoet,’ zei ze tegen Nynaeve. ik zou jullie van die jacht af willen halen, als ik dat kon. Een beetje dwang is zo beperkt. Nou ja, jullie weten zo weinig dat jullie te ver achter liggen om dat nog in te halen. Ik neem aan dat ik jullie later wel kan ophalen om voor jullie... herscholing te zorgen.’ Ze stond op en opeens voelde Elayne een prikkeling over haar hele lijf. Haar hersens leken te trillen. Ze was zich nergens van bewust, maar een vrouwenstem klonk als van een grote afstand donderend in haar oren. ‘Jullie pakken je spullen van de tafel en als jullie ze terug hebben gestopt waar ze horen, zul je je niets herinneren van wat hier is gebeurd. Jullie zullen alleen weten dat ik meende mijn vrienden van het platteland te ontmoeten. Ik had het mis. Ik heb een kop thee gedronken en ben weggegaan.’ Elayne knipperde met haar ogen en vroeg zich af waarom ze haar spullen weer in haar beurs terugdeed. Nynaeve zat fronsend naar haar handen te kijken en schoof haar beurs goed.

‘Een aardige vrouw,’ zei Elayne, die over haar voorhoofd wreef. Er kwam een hoofdpijn opzetten. ‘Heeft ze haar naam genoemd? Ik weet het niet meer.’

‘Aardig?’ Nynaeves hand kwam omhoog en gaf een scherpe ruk aan haar vlecht. Ze staarde naar haar hand alsof die vanzelf had bewogen. ‘Ik... denk het niet.’

‘Waar hadden we het over toen ze binnenkwam? Egeanin was net vertrokken.’ Wat was het geweest?

‘Ik herinner me wat ik wilde zeggen.’ Nynaeves stem klonk fermer. ‘We moeten de Zwarte zusters vinden zonder dat ze achterdocht koesteren, of we zullen nooit de kans krijgen hen te volgen naar dat ding dat zo gevaarlijk voor Rhand is.’

‘Dat weet ik,’ zei Elayne geduldig. Had ze dat al niet gezegd? Natuurlijk niet. ‘We hebben er al over gesproken.’

Bij de boogdoorgang van het kleine erf naar de straat bleef Egeanin staan en bekeek de mannen met harde gezichten die daar barrevoets en vaak met ontblote bovenlijven, tussen de leeglopers aan deze kant van de smalle straat rondhingen. Ze zagen er allemaal uit of ze de kortelas aan hun riem of achter hun buikband konden gebruiken, maar geen enkel gezicht kwam haar bekend voor. Als er een op het schip van Baile Domon was geweest, toen ze dat enterde en naar Falme opbracht, wist ze dat niet meer. Als er iemand bij was geweest, dan was het te hopen dat niemand in een vrouw met een rijbroek de vrouw in wapenrusting herkende die hun schip had geënterd. Opeens besefte ze dat ze vochtige handen had. Aes Sedai. Vrouwen die de Kracht beheersten en niet behoorlijk beteugeld waren. Ze had aan dezelfde tafel gezeten, met ze gepraat. Ze waren absoluut niet wat ze had verwacht en ze kon zich niet van die gedachte losmaken. Ze konden geleiden en daarom waren ze gevaarlijk voor de goede orde en dus moesten ze veilig worden beteugeld... maar toch... Helemaal niet wat ze had geleerd. Het kon geleerd worden. Geleerd! Zolang ze Baile Domon kon ontlopen – die zou haar zeker herkennen – zou ze terug kunnen komen. Ze moest er meer over horen. Meer dan ooit, ze moest wel.

Ze wenste dat ze een mantel met een grote kap had, greep haar staf stevig vast en liep de straat in, een weg zoekend door de langskomende menigte. Geen enkele bootsmaat gunde haar een tweede blik en ze hield hen in de gaten om daar zeker van te zijn. Wat ze niet zag, was een man met lichte haren in smerige Tanchicaanse kleding die tegen de gevel leunde van een witgekalkte wijnwinkel aan de overkant van de straat. Zijn ogen, blauw boven een groezelige sluier en een dikke snor die met lijm op zijn plaats werd gehouden, volgden haar voor ze teruggleden naar de Driepruimenhof. Hij stond op, stak de straat over en negeerde de mensen die tegen hem opbotsten. Egeanin had hem bijna opgemerkt toen hij zichzelf had laten gaan en de arm van die stommeling had gebroken. Een man van het Bloed, zoals dat in deze landen gezien werd, vervallen tot bedelarij en zonder voldoende eer om zijn aderen te openen. Walgelijk. Misschien kon hij in deze herberg meer over haar plannen te weten komen, zodra ze doorkregen dat hij meer munten had dan zijn kleren deden vermoeden.

47

De waarheid van de beelden

De stapels papieren op de werktafel van Siuan Sanche waren voor haar van weinig belang, maar ze hield vol. Anderen handelden natuurlijk de alledaagse zaken van de Witte Toren af, waardoor de Amyrlin Zetel zich aan belangrijke beslissingen kon wijden, maar het was altijd haar gewoonte geweest zonder waarschuwing vooraf zo hier en daar enkele zaken na te lopen, en daar wilde ze zich aan houden. Ze wilde zich zeker niet door de zorgen laten afleiden. Alles lag volgens plan op de juiste koers. Ze schoof haar gestreepte stola goed, doopte de pen zorgvuldig in het potje inkt en zette een tekentje bij een verbeterde optelling.

Vandaag bekeek ze de aankopen van de keuken en de rekening van de steenvoegers voor een aanbouw aan de librije. Dat veel mensen zo vaak met pekelzonden dachten weg te komen, verbaasde haar altijd. Ook dat er zoveel aan de aandacht ontsnapte van de vrouwen die op deze zaken moesten toezien, verbaasde haar. Laras, bijvoorbeeld, leek te denken dat het nakijken van de rekeningen beneden haar waardigheid was, sinds ze van eenvoudige kokkin verheven was tot Meesteres van de Keukens. Danelle daarentegen – de jonge Bruine zuster die verondersteld werd een oogje te houden op baas Jovarin, de steenvoeger – had zich waarschijnlijk weer laten meeslepen door de boeken die de kerel steeds weer voor haar opdook. Alleen zo kon ze verklaren waarom ze niet had gevraagd naar het aantal werkmensen dat baas Jovarin had aangenomen, terwijl de eerste schepen met stenen uit Kandor net in de Noorderhaven waren afgemeerd. Met zoveel man kon hij de hele librije bouwen. Danelle was gewoon te dromerig, zelfs voor een Bruine zuster. Misschien zou de straf om korte tijd op een boerderij te moeten werken, haar wakker schudden. Laras was moeilijker in het gareel te brengen. Ze was geen Aes Sedai, dus haar gezag over de keukenhelpsters, schoonmaaksters en keukenhulpjes kon al te gemakkelijk in her moeras zakken. Maar mogelijk kon ook zij voor wat ‘rust’ naar de boerderij worden gestuurd. Dat zou...