Выбрать главу

Elaida’s gezicht toonde geen teleurstelling. ‘Ik beloof je, Siuan, dat je me ieder woord dat verbrand is, gaat vertellen, voor wie het bestemd was en met welk doel.’

‘Jullie zijn door de Draak gebeten,’ snauwde Siuan. ik laat je hiervoor villen, Elaida. Jullie allemaal. Jullie mogen van geluk spreken als de Zaal van de Toren niet verklaart dat jullie allemaal gestild moeten worden.’

Het glimlachje van Elaida raakte haar ogen niet. ‘De Zaal is zojuist bijeen geweest, met genoeg eensgezinde Gezetenen als de wet eist, en je bent geen Amyrlin meer. Het is gedaan en we zijn hier om ervoor te zorgen dat het besluit wordt uitgevoerd.’

Siuans maag voelde als ijs en een klein stemmetje in haar achterhoofd krijste: Wat weten ze? Licht, hoeveel weten ze al? Dwaas! Blinde dwaze vrouw die ik ben! Ze hield haar gezicht echter effen. Dit was niet de eerste keer dat ze in een hoek was gedreven. Een vijftienjarig meisje met slechts haar vismesje was ooit een steeg ingetrokken door vier kerels met harde ogen en een maag vol goedkope wijn. Daaraan te ontsnappen was moeilijker geweest dan dit. Dat hield ze zichzelf nadrukkelijk voor.

‘Genoeg volgens de regels,’ spotte ze. ‘Amper meer dan het kleinste aantal, voornamelijk je eigen vriendinnen en vrouwen die je kunt beïnvloeden of overdonderen.’ Dat Elaida in staat was geweest om zelfs een betrekkelijk kleine groep Gezetenen te overtuigen, was al zo erg dat ze er een droge keel van kreeg, maar dat wilde ze niet laten merken. ‘Als de volledige Zaal met alle Gezetenen bijeen is, zul je weten dat je een fout hebt gemaakt. Maar dan is het te laat. Er is in de Tohen nog nooit een opstand geweest en nog duizend jaar zullen ze jullie geschiedenis, jullie lot, aanhalen om Novices te leren wat er met afvalligen gebeurt.’ Er dreven slierten twijfel over sommige gezichten. Blijkbaar had Elaida toch minder greep op de andere samenzweersters dan zij dacht. ‘Het is de hoogste tijd om te gaan hozen in plaats van het gat in de romp verder open te hakken. Zelfs jij kunt je misdrijf nog minder erg maken, Elaida.’

Elaida wachtte stil en kalm af tot ze was uitgesproken. Toen gaf ze uit alle macht een harde klap in Siuans gezicht. Ze wankelde en zilver-zwarte vlekjes dansten voor haar ogen.

‘Met jou is het afgelopen,’ zei Elaida. ‘Dacht je dat ik... dat wij aan jou zouden toestaan de Toren te vernietigen? Voer haar weg.’ Siuan struikelde toen twee Rode zusters haar naar voren stompten. Ze bleef amper overeind en keek hen woest aan, maar liep toch in de richting die ze aanduidden. Aan wie moest ze dit alles doorgeven? Elke ingebrachte aanklacht kon ze weerleggen, als ze er de tijd voor kreeg. Zelfs aanklachten over Rhand Altor. Ze konden daar niet meer dan geruchten over hebben opgevangen en zij had het Grote Spel te lang gespeeld om door geruchten te worden verslagen. Tenzij ze Min in handen hadden. Min kon de geruchten staven. Ze perste haar tanden op elkaar. Bloedvuur, ik voer dit stel aan de vissen! In de voorkamer struikelde ze weer, maar nu niet door een duw. Ze had half gehoopt dat Leane niet op haar werkplek had gezeten, maar de Hoedster stond stijf rechtop, net als Siuan met de armen strak tegen haar aan, terwijl haar mond stil en woest bewoog door een strop van Lucht. Ze had eigenlijk moeten voelen dat Leane werd gebonden maar het was niet tot haar doorgedrongen. In de Toren voelde je altijd vrouwen geleiden.

Maar het kwam niet doordat ze Leane zag dat ze zich verstapte, maar door de lange, slanke grijsharige man die op de grond lag met een mes in zijn rug. Alric was al bijna twintig jaar lang haar zwaardhand geweest, zonder te klagen wanneer haar pad haar in de Toren vasthield, zonder te mopperen wanneer de Amyrlin hem honderden roeden uit haar buurt had gestuurd, iets waar geen enkele gaidin van hield. Ze schraapte haar keel, maar haar stem klonk nog steeds hees toen ze zei: ‘Hiervoor zal ik je in laten smeren met zout en in de zon laten bakken, Elaida. Dat zweer ik je!’

‘Bekommer jij je maar om je eigen huid, Siuan,’ zei Elaida en ging bij haar staan om haar recht aan te kijken. ‘Er zit hier nog veel meer aan vast dan je tot nu hebt onthuld. Ik weet het. En jij gaat me alles tot het laatste lettertje vertellen. Tot het laatste lettertje.’ De plotseling zachte stem joeg meer angst aan dan al haar eerdere harde blikken. ‘Dat beloof ik je, Siuan. Breng haar naar beneden.’

Terwijl ze de rollen blauwe zijde tegen zich aan klemde, slenterde Min tegen de middag door de Noordpoort naar binnen, klaar om wat te lachen met de schildwachten met de Vlam van Tar Valon op de borst, klaar om meisjesachtig met haar groene rok te zwieren zoals Elmindreda zou doen. Ze was er feitelijk al mee begonnen voor ze besefte dat er geen wachten stonden. De zware met ijzer beslagen deur van het stervormige wachthuis stond open. Het wachthuis zelf leek verlaten. Dat kon niet. Een toegangspoort tot het gebied van de Toren was nooit onbewaakt. Halverwege de enorme ivoorwitte zuil van de Toren rees boven de bomen een rookpluim omhoog. Het leek in de buurt te zijn van de verblijven van de jongemannen die met de zwaardhanden oefenden. Misschien had die brand de wachten weggelokt. Ze voelde zich een tikkeltje ongerust, maar liep toch verder over het zandpad in het bosrijke gedeelte van het gebied terwijl ze de rollen zijde telkens van arm wisselde. Ze wilde eigenlijk geen andere kleren, maar ze kon toch niet weigeren als Laras haar een beurs zilver in de handen drukte en haar vertelde daarmee deze zijde te kopen die de forse vrouw had gezien. Ze beweerde dat het precies de kleur was die heel mooi bij Elmindreda’s huidskleur zou staan. Of ze dat nu wilde of niet, was minder belangrijk dan dat Laras heel vriendelijk bleef. Zwaardgekletter vanuit het bos bereikte haar oren. De zwaardhanden lieten hun leerlingen harder werken dan anders. Het ergerde haar ontzettend. Laras met haar opmerkingen over schoonheid, Gawein met z’n grapjes, Galad die steeds lovende dingen zei en niet één keer besefte wat zijn gezicht en glimlach met de hartslag van een vrouw deden. Wilde Rhand haar op deze manier? Zou hij haar eindelijk zien staan als ze een rok droeg en zeurde als een domme gans?

Hij heeft geen recht om dit te willen, dacht ze woedend. Het was allemaal zijn schuld. Als hij er niet was geweest, zou ze hier niet zijn, in een stomme rok en grijnzend als een dwaas. Ik draag een jas en een broek, en dat is dat! Zo nu en dan wil ik misschien wel een rok dragen – misschien! – maar niet om een man naar me te laten kijken! Ik wed dat hij op dit moment een of andere Tyreense met half ontblote borsten staat aan te gapen. Ik kan ook zoiets aantrekken. We zullen zien wat bij denkt als hij me in deze blauwe zijde ziet. Ik maak de hals zo laag dat... Waar liep ze nou aan te denken? Die man had haar van haar verstand beroofd! De Amyrlin Zetel hield haar voor niets hier en Rhand Altor maakte haar hersens in de war. Bloedvuur! Bloedvuur, dat hij mij dit aandoet!

Weer klonk er zwaardgekletter in de verte en ze bleef staan toen een groep jongemannen uit de bomen voor haar te voorschijn sprong met speren en getrokken zwaarden, Gawein aan het hoofd. Ze herkende enkele anderen, leerlingen van de zwaardhanden. Elders in het gebied steeg geschreeuw op, gebrul van boze mannen. ‘Gawein?

Wat is er aan de hand?’

Met een ruk draaide hij zich om bij het horen van haar stem. Zorg en angst tekenden zijn blauwe ogen en zijn gezicht was een vastberaden masker dat daaraan niet wilde toegeven. ‘Min! Wat ben je... Ga weg van het gebied van de Toren, Min. Het is gevaarlijk.’ Een handvol jongemannen rende verder, maar de meesten bleven vol ongeduld op hem wachten. Ze dacht dat de meeste leerlingen hier bij elkaar waren. ‘Wat gebeurt er allemaal, Gawein.’

‘De Amyrlin is vanmorgen afgezet. Ga weg. Min!’ De rollen zijde vielen op de grond. ‘Afgezet? Dat kan niet! Hoe? Waarom? In de naam van het Licht, waarom?’

‘Gawein!’ riep een jongeman en de anderen namen het over, terwijl ze hun wapens stevig vasthielden. ‘Gawein! De witte ever! Gawein!’ ik heb geen tijd,’ zei hij dringend. ‘Er wordt overal gevochten. Ze zeggen dat Hammar probeert Siuan Sanche te bevrijden. Ik moet naar de Toren, Min. Ga weg! Alsjeblieft!’