Выбрать главу

Hij draaide zich om en zette het op een hollen naar de Toren. De anderen volgden, woedend zwaaiend met hun geheven wapens, sommigen nog steeds schreeuwend: ‘Gawein! De witte ever! Gawein! Jongelingen vooruit!’

Min bleef ze nakijken. ‘Je hebt niet gezegd aan welke kant je stond, Gawein,’ fluisterde ze.

Het strijdrumoer werd luider, klonk duidelijker nu ze erop lette, en het geschreeuw en gegil, het gekletter van staal op staal, leken overal vandaan te komen. Het wapengekletter bezorgde haar kippenvel en liet haar knieën beven. Dit kon toch niet, niet hier. Gawein had gelijk. Het zou veiliger en veel verstandiger zijn om meteen van het gebied van de Toren weg te sluipen. Alleen wist ze niet of ze dan weer terug kon komen, en ze dacht niet dat ze buiten veel kon klaarspelen. Maar wat kan ik hierbinnen klaarspelen? vroeg ze zich wild af. Ze keerde echter niet om naar de poort. Ze liet de zijde liggen waar die lag en haastte zich tussen de bomen door, zoekend naar een schuilplaats. Ze dacht niet dat iemand ‘Elmindreda’ als een gans aan een speer zou rijgen – bevend wenste ze dat ze daar niet aan gedacht had – maar het had geen zin domme dingen te doen. Vroeg of laat zou het vechten stoppen en tegen die tijd diende ze te beslissen wat ze hierna moest doen.

In de inktzwarte duisternis van de kerker deed Siuan Sanche haar ogen open, bewoog, kromp ineen en lag stil. Was het buiten al ochtend? De ondervraging was heel lang doorgegaan. Ze probeerde de pijn te vergeten en te genieten van de wetenschap dat ze nog ademhaalde. De ruwe steen schuurde tegen de opgezette builen en blauwe plekken op haar rug. Zweet prikte pijnlijk in alle wonden – van haar knieën tot haar schouders voelde ze overal pijn – waardoor ze in de koude lucht trouwens ook nog lag te rillen. Ze hadden me toch minstens mijn onderkleren kunnen laten houden. De lucht rook naar oud stof en gedroogde schimmels, naar ouderdom. Een van de diepe kerkers. Niemand had hier sinds de tijd van Artur Haviksvleugel opgesloten gezeten. Niet sinds Bonwhin.

Ze vertrok haar gezicht in het duister, ze kon het niet vergeten. Ze klemde haar tanden op elkaar en duwde zich omhoog, tot ze op de stenen vloer zat en om zich heen voelde naar een muur waar ze tegenaan kon zitten. De steenblokken van de muur voelden koel aan tegen haar rug. Kleine dingen, zei ze in zichzelf, denk aan kleine dingen. Warmte. Kou. Ik vraag me af wanneer ze me wat water brengen. Als ze dat al doen.

Onwillekeurig voelde ze naar de Grote Serpent-ring aan haar hand. Hij zat er niet meer. Niet dat ze het had verwacht, ze meende zich nog te herinneren dat ze die hadden afgerukt. Na verloop van tijd was alles heel vaag geworden. Heerlijk vaag. Ze herinnerde zich echter wel dat ze uiteindelijk alles had verteld. Bijna alles. Herinnerde zich de triomf als ze hier en daar iets had achtergehouden tussen de huilende antwoorden door. Ze had graag alles willen beantwoorden, als ze maar ophielden, als ze maar even wilden ophouden, als ze maar... Ze sloeg haar armen om zich heen om niet meer te rillen, het hielp niet erg. Ik moet kalm blijven. Ik ben niet dood. Dat is het voornaamste. Ik ben niet dood.

‘Moeder?’ Uit de duisternis klonk de bevende stem van Leane. ‘Bent u bijgekomen, Moeder?’

‘Ik ben wakken’ zuchtte Siuan. Ze had gehoopt dat ze Leane zouden hebben vrijgelaten, haar de stad hadden uitgestuurd. Ze voelde zich schuldig dat ze troost putte uit de aanwezigheid van de andere vrouw in haar kerker. ‘Het spijt me dat je hierbij betrokken bent geraakt, dochter...’ Nee. Ze had niet meer het recht haar zo te noemen. ‘Het spijt me, Leane.’

Het bleef lang stil. is alles... goed met u, Moeder?’

‘Siuan, Leane. Enkel Siuan.’ Ondanks alles probeerde ze saidar te omhelzen. Er was niets. Niet voor haar. Alleen de leegte in haar. Nooit meer. Ze had haar leven eraan gewijd, en nu was ze zonder roer, stuurloos op een zee die donkerder was dan deze kerker. Ze wreef ruw een traan van haar wang, boos dat die was gekomen, ik ben geen Amyrlin Zetel meer, Leane.’ Er klonk weer iets van boosheid in haar stem door. ik neem aan dat in mijn plaats Elaida zal worden verheven. Als dat inmiddels al niet is gebeurd. Ik zweer je dat ik op een dag die vrouw aan de zilvertanden ga voeren.’

Leanes enige antwoord was een lange, wanhopige zucht. Het gekras van een sleutel in het roestige ijzeren slot deed Siuan opkijken. Niemand had eraan gedacht het ijzerwerk in te vetten voor ze Leane en haar erin hadden gegooid en de verroeste delen wilden niet echt goed draaien. Grimmig dwong ze zich op te staan. ‘Sta op, Leane. Sta op.’ Even later hoorde ze de vrouw gehoorzamen en tussen haar zachte gekreun wat in zichzelf mompelen. Iets harder merkte Leane op: ‘Dat is toch zinloos?’

‘Ze treffen ons dan in ieder geval niet gehurkt en snikkend op de vloer aan.’ Ze probeerde het flink te laten klinken. ‘We kunnen vechten, Leane. Zolang we in leven zijn, kunnen we vechten.’ O Licht! Ze hebben me gesust! Ze hebben me gesust!

Ze dwong zich nergens aan te denken, balde haar vuisten en probeerde haar tenen nog steviger tegen de ongelijke stenen vloer te drukken. Ze had zo graag gewild dat het geluid in haar keel niet als een snik had geklonken.

Min zette haar tassen op de vloer en gooide haar mantel open, zodat ze beide handen voor de sleutel kon gebruiken. Die was tweemaal zo lang als haar hand, even roestig als het slot, net als de andere sleutels aan de grote ijzeren ring. De lucht was koud en dampig, alsof de zomer niet zo diep omlaag reikte.

‘Haast je, kind,’ mompelde Laras, die de lantaarn voor Min omhooghield en links en rechts de donkere stenen gang in loerde. Ze kon moeilijk geloven dat deze vrouw met al haar onderkinnen ooit een schoonheid was geweest, maar Min vond haar op dit moment absoluut een schoonheid.

Vechtend met de sleutel schudde ze het hoofd. Ze was Laras tegengekomen toen ze naar haar kamer was geslopen om de eenvoudige grijze rijkleding die ze nu droeg aan te trekken en enkele andere dingen te pakken. Feitelijk was de stevige vrouw haar tegengekomen, over haar toeren van de zorgen om ‘Elmindreda’, al roepend dat Min geluk had dat ze veilig was, en het was Laras geweest die haar had voorgesteld zich in haar kamer op te sluiten tot alle moeilijkheden voorbij waren. Ze wist nog steeds niet echt goed hoe Laras haar plannen uit haar had losgekregen en ze was nog steeds niet over de schok heen toen de vrouw aarzelend haar hulp had aangeboden. Waaghals van een meid, precies mijn smaak. Nou, ik hoop dat ze mij – hoe zei ze ook weer? – uit de inmaakketel kan houden. Die bloedsleutel wilde niet draaien; uit alle macht probeerde ze het opnieuw. Om eerlijk te zijn, ze was Laras ook voor andere dingen erg dankbaar. Ze betwijfelde of ze alles in haar eentje klaar had kunnen spelen, of ze zelf iets had kunnen vinden en binnen zo’n korte tijd. Bovendien... Bovendien piekerde ze er op het moment dat Laras haar zag, al over dat ze een stommeling was om aan zoiets te denken, en dat ze al op een paard op weg naar Tyr had moeten zijn. Ze had die kans moeten grijpen, voor iemand besloot haar hoofd toe te voegen aan de andere hoofden die voor de Toren op speren waren gestoken. Maar ze vermoedde dat haar vlucht iets zou zijn geweest dat ze zich nooit had kunnen vergeven. Dit alleen al had haar zo dankbaar gestemd dat ze allerminst had geprotesteerd toen Laras enkele leuke kleren had toegevoegd aan alles wat zij al had ingepakt. De opmaakspullen en poedertjes kon ze altijd nog ergens ‘verliezen’. Waarom wilde die bloedsleutel niet draaien? Misschien kan Laras...

Opeens bewoog de sleutel, hij draaide met zo’n luid geknap om dat Min bang was dat er iets was afgebroken. Maar toen ze tegen de ruwhouten deur duwde, ging die open. Ze greep haar tassen, stapte de kale stenen kerker binnen en bleef verward staan.