Ze schoof Siuan en Leane haastig de buitendeur van dikke planken en brede ijzeren stroken door, de smalle stenen trap op. Ze moesten in beweging blijven. Als ze doorgingen voor mensen met een verzoek aan de Witte Toren, dan konden ze vragen verwachten als werd gezien dat ze uit de kerkers kwamen.
Toen ze van de onderste verdiepingen van de Toren naar boven liepen, zagen ze geen wachten of andere mensen meer. Min merkte echter dat ze haar adem bleef inhouden tot ze bij een kleine deur kwamen die toegang gaf tot de eigenlijke Toren. Ze zette die op een kier, stak haar hoofd om de hoek en keek beide kanten op.
Vergulde lamphouders stonden tegen de met friezen versierde, witmarmeren muren. Rechts van haar verdwenen twee vrouwen snel uit zicht zonder om te kijken. Ze stapten zo zelfverzekerd door dat ze zeker wist dat het Aes Sedai waren, al kon ze hun gezichten niet zien, want in de Toren liep zelfs een koningin bedeesd. Aan het andere eind beende een handvol mannen weg, overduidelijk zwaardhanden, wolf-achtig sierlijk in hun mantels die in de omgeving opgingen. Ze wachtte tot ook de zwaardhanden waren verdwenen en glipte toen de gang op. ‘Leeg. Vooruit. Hou je kap op en je hoofd omlaag. Doe alsof je bang bent.’ Wat haar betrof hoefde ze dat niet te spelen. De vrouwen volgden haar zo stil dat die er volgens haar ook niet veel moeite mee hadden.
De gangen van de Toren waren zelden druk, maar leken nu volkomen verlaten. Af en toe verscheen er iemand verderop, of in een zijgang, maar of het nu een Aes Sedai, een zwaardhand of een bediende was, ze hadden allemaal haast en hadden het te druk om iemand anders te zien. Ook de Toren was stil.
Toen staken ze een gang over met donkere vlekken gedroogd bloed op de lichtgroene vloertegels. Twee grotere vlekken strekten zich uit tot een lange veeg, alsof daar lijken waren weggesleept. Siuan bleef staan en keek. ‘Wat is er gebeurd?’ wilde ze weten. ‘Zeg op, Min.’ Leane greep haar mes beet en tuurde rond alsof ze een aanval verwachtte.
‘Er is gevochten,’ zei Min met tegenzin. Ze had gehoopt dat de twee vrouwen van het grondgebied van de Toren af zouden zijn, zelfs de stad al uit, voor ze er iets over hoorden. Ze leidde hen rond de donkere vlekken en porde hen aan, toen ze probeerden achterom te kijken. ‘Het is gisteren begonnen, vlak nadat jullie gevangen waren genomen, en pas twee uur geleden opgehouden.’
‘Bedoel je de gaidin?’ riep Leane uit. ‘Zwaardhanden die tegen elkaar vochten?’
‘Zwaardhanden, de wachten, iedereen. Het begon toen zogenaamde steenvoegers – zo’n twee- tot driehonderd – de Toren probeerden over te nemen nadat bekend was gemaakt dat jullie gevangen waren genomen.’
Siuan keek grimmig. ‘Danelle! Ik had moeten weten dat er meer achter stak dan slordigheid.’ Haar gezicht betrok nog meer, tot Min dacht dat ze in tranen uit zou barsten. ‘Artur Haviksvleugel heeft het niet kunnen klaarspelen, maar dit hebben we zelf gedaan.’ Op het randje van tranen of niet, maar haar stem klonk hard. ‘Het Licht sta ons bij, we hebben de Toren gebroken.’ Haar lange zucht leek haar van alle lucht en elke boosheid te beroven. ‘Ik neem aan dat ik blij behoor te zijn dat een deel van de Toren me gesteund heeft,’ zei ze even later bedroefd, ‘maar ik zou bijna willen dat ze dat niet gedaan hadden.’ Min probeerde haar gezicht strak te houden, maar Siuans scherpe blauwe ogen leken elke beweging van haar ogen meteen te zien. ‘Hebben ze me wel gesteund, Min?’
‘Sommigen.’ Ze was niet van plan te zeggen hoe weinig dat er waren geweest. Nog niet. Ze diende echter te voorkomen dat Siuan dacht dat ze nog medestrijders in de Toren had. ‘Elaida heeft niet gewacht of de Blauwe Ajah jou zou steunen of niet. Ik weet dat er binnen de Toren geen enkele Blauwe zuster meer in leven is.’
‘Sheriam?’ vroeg Leane bezorgd. ‘Anaiya?’
‘Ik weet het niet. Er zijn ook nog maar weinig Groene zusters. Niet in de Toren. De andere Ajahs zijn op de ene of andere manier verdeeld. De meeste Roden zijn er nog. Voor zover ik weet, is iedereen die zich tegen Elaida verzette, gevlucht of dood. Siuan...’ Het klonk vreemd – Leane mompelde boos – maar haar nu Moeder noemen, zou op spot lijken. ‘Siuan, op de plakkaten luidt de aanklacht dat jij en Leane de ontsnapping van Mazrim Taim hebben geregeld. Logain is tijdens de gevechten ontkomen en daarvan hebben ze jullie ook de schuld gegeven. Ze noemen jullie wel niet echt Duistervrienden – ik neem aan dat dat te veel aan de Zwarte Ajah doet denken – maar het zit er niet ver af. Ik denk dat iedereen het echter wel zo zal opvatten.’
‘Zelfs de waarheid willen ze niet toegeven,’ zei Siuan zacht, ‘dat ze precies hetzelfde van plan zijn als waarvoor ze mij hebben afgezet.’
‘Duistervrienden?’ mompelde Leane verwilderd. ‘Hebben ze ons...’
‘Waarom zouden ze dat niet doen?’ zuchtte Siuan. ‘Dat durven ze toch best, als ze al zoveel gewaagd hebben?’
Ze doken weg in hun mantels en lieten Min weer voorgaan. Ze had liever gehad dat hun gezichten niet zo hopeloos stonden. Toen ze dichter bij de buitendeur kwamen, begon Min wat gemakkelijker adem te halen. Ze had in een bosrijk gedeelte van het terrein paarden verborgen, niet ver van de westelijke poort. Nog steeds bestond de vraag of ze zo gemakkelijk naar buiten konden, maar als ze eenmaal de paarden hadden bereikt, zou ze zich bijna vrij kunnen voelen. De poortwachters zouden toch geen drie vrouwen willen tegenhouden die weg wilden? Ze bleef dat zichzelf maar voorhouden. De deur die ze zocht, kwam in zicht – een kleine, eenvoudige deur die toegang gaf tot een weinig gebruikt pad, precies op de plaats waar hun gang de brede gang kruiste die helemaal rond de Toren liep. Opeens verscheen het gezicht van Elaida, die in de buitengang naar haar toe-schreed.
Mins knieën raakten de tegels en ze dook in elkaar, met gebogen hoofd en haar gezicht verborgen onder de kap terwijl haar hart door haar ribben naar buiten wilde hameren. Ik ben een gewone vrouw met een verzoekschrift. Dat is alles. Een heel gewone vrouw die met alles wat er gebeurd is, niets te maken heeft. O Licht, alsjeblieft! Ze hief haar hoofd net genoeg op om onder de rand van haar kap door te kunnen gluren, half verwachtend dat een glunderende Elaida op haar neer zou kijken.
Elaida schoof voorbij zonder zelfs maar naar Min te kijken, met de brede gestreepte stola van de Amyrlin Zetel om haar schouders. Alviarin volgde, met de stola van de Hoedster van de Kronieken, wit vanwege haar Ajah. Een tiental andere Aes Sedai volgde haar op de voet, voornamelijk Roden, al zag Min twee stola’s met gele, een met groene en een met bruine franje. Zes zwaardhanden omringden de stoet, met de hand aan het gevest en waakzaam rondkijkend. Hun ogen gleden over de drie geknielde vrouwen en sloegen er verder geen acht op. Ze knielden alledrie, zag Min, en ze besefte dat ze bijna had verwacht dat Siuan en Leane Elaida naar de keel zouden vliegen. Beide vrouwen hieven hun hoofd net ver genoeg op om de stoet te volgen die verder ging.
‘Er zijn maar heel weinig vrouwen gesust,’ zei Siuan, haast in zichzelf, ‘en geen van hen heeft het lang overleefd, maar er wordt gezegd dat er een manier is om het te overleven. Je moet iets vinden wat je net zo graag wilt als geleiden.’ Die verlaten blik lag niet meer in haar ogen.
‘Eerst dacht ik dat ik Elaida als een vis wilde opensnijden en in de zon wilde laten drogen. Nu weet ik dat ik nergens anders naar verlang dan naar de dag dat ik die luis een lang leven mag wensen waarin ze anderen mag tonen wat er gebeurt met iemand die beweert dat ik een Duistervriend ben.’
‘Alviarin ook,’ zei Leane strak. ‘Alviarin ook!’
‘Ik was bang dat ze me zouden voelen,’ ging Siuan verder, ‘maar ze kunnen nu niets meer voelen. Dat is een voordeel als je bent... gesust, lijkt me.’ Leane keek met een ruk kwaad op en Siuan zei: ‘We dienen elk voordeel dat we kunnen vinden, te benutten. En er blij mee te zijn.’ Dat klonk alsof ze zichzelf probeerde te overtuigen. De laatste zwaardhand verdween in de verte rond de bocht. Min slikte het brok in haar keel door. ‘We kunnen het later over voordelen hebben,’ zei ze hees en zweeg toen om nogmaals te slikken. ‘Laten we maar naar de paarden gaan. Het ergste zullen we nu wel gehad hebben. Toen ze zich de Toren uit en de middagzon in haastten, leek het inderdaad of het ergste voorbij was. Een opstijgende rookpluim in het oostelijke park van de Toren aan een wolkeloze hemel was het enige teken van de eerdere moeilijkheden. In de verte liepen groepen mannen rond, maar niemand keek een tweede keer toen de drie vrouwen zich langs de librije haastten, die gebouwd was als torenhoge, in steen bevroren golven. Een voetpad leidde naar het westen, naar een bos met eiken en sparren, die overal elders alleen ver buiten een stad te vinden zouden zijn. Mins stap werd lichter toen ze de drie paarden nog steeds vastgebonden zag op de plek waar Laras en zij ze hadden achtergelaten: een kleine open plek tussen lederbladen en papierbomen.