Siuan stapte meteen naar een stevige ruige merrie die twee handen kleiner was dan de andere paarden. ‘Een geschikt rijdier, gezien mijn huidige omstandigheden. En ze lijkt me geduldiger dan de andere twee. Ik ben nooit een goede ruiter geweest.’ Ze streelde de neus van de merrie die aan haar handpalm snoof. ‘Hoe heet ze, Min? Weet je dat?’
‘Bela. Het is het paard van...’
‘Het is haar paard.’ Gawein stapte achter een dikke papierboom vandaan, zijn hand op het lange gevest van zijn zwaard. De bloedvegen in zijn gezicht pasten precies in het patroon dat Min op haar eerste dag terug in Tar Valon in een visioen had gezien. ‘Ik wist dat je iets van plan was. Min, toen ik haar paard zag.’ Zijn rossig blonde haren zaten vol bloed, zijn ogen stonden bijna wazig, maar de lange man liep soepel naar hen toe, even sierlijk als een kat die muizen besloop.
‘Gawein,’ begon Min, ‘we...’
Hij trok zijn zwaard uit de schede, wipte Siuans kap naar achter en legde de scherpe kant tegen haar hals; alles gebeurde sneller dan Mins ogen konden volgen. Siuans adem stokte hoorbaar en ze bleef doodstil staan, naar hem opkijkend, uiterlijk zo waardig alsof ze nog steeds de stola droeg.
‘Doe het niet, Gawein,’ hijgde Min. Doe het niet!’ Ze deed een stap naar hem toe, maar hij maakte -onder haar aan te kijken een gebaar en ze bleef staan. Hij was zo gespannen als een veer, hij kon elk moment uitschieten. Ze zag dat Leane haar mantel verschoof om haar hand te verbergen en ze hoopte dat de vrouw niet zo stom zou zijn om naar haar mes te grijpen.
Gawein bekeek zorgvuldig het gezicht van Siuan en knikte toen langzaam. ‘Jij bent het. Ik wist het niet zeker, maar het klopt. Deze... vermomming zal je niet...’ Hij leek niet te bewegen, maar opeens sperden Siuans ogen zich, waaruit bleek dat de scherpe rand nog harder tegen haar hals drukte. ‘Waar zijn mijn zus en Egwene? Wat heb je met ze gedaan?’ Wat Min de meeste angst aanjoeg, was dat hij – met half glazige ogen in zijn bebloede gezicht als een masker, met zijn bijna bevende, gespannen lichaam en opgeheven hand – geen enkele keer zijn stem verhief en dat er niets van gevoel in doorklonk. Hij klonk slechts doodmoe, vermoeider dan ze ooit iemand had horen praten. Siuans stem klonk bijna even vlak. ‘Het laatste wat ik van hen heb gehoord, was dat ze veilig waren en het goed maakten. Ik kan je niet zeggen waar ze nu zijn. Zou je dan liever hebben dat ze hier waren, temidden van al dit bloedige geweld?’
‘Geen Aes Sedai-woordspelletjes,’ zei hij zacht. ‘Zeg me waar ze zijn, zonder omhaal, zodat ik weet dat je de waarheid spreekt.’ in Illian,’ zei Siuan zonder te aarzelen. ‘In de stad. Ze krijgen daar les van een Aes Sedai die Mara Tomanes heet. Daar horen ze nog steeds te zijn.’
‘Niet in Tyr,’ mompelde hij. Hij scheen er kort over na te denken. Opeens zei hij: ‘Ze zeggen dat je een Duistervriend bent. Dan ben je dus van de Zwarte Ajah, nietwaar?’
‘Als je dat echt gelooft.’ zei Siuan kalm, ‘sla dan mijn hoofd er maar af.’
Min gilde bijna toen de knokkels aan het zwaardgevest wit werden. Langzaam stak ze haar hand uit en legde haar vingers op zijn pols, heel behoedzaam, om hem niet te laten denken dat ze meer wilde doen dan aanraken. Hij voelde aan als een rots. ‘Gawein, je kent me. Je gelooft toch niet dat ik de Zwarte Ajah zou helpen?’ Zijn ogen dwaalden geen enkele keer van Siuans gezicht weg, knipperden geen enkele keer. ‘Gawein, Elayne steunt haar en alles wat ze heeft gedaan. Je eigen zuster, Gawein.’ Zijn pols leek nog steeds van steen. ‘Egwene gelooft ook in haar, Gawein.’ De pols onder haar vingers trilde, ik zweer je, Gawein, Egwene gelooft in haar.’
Zijn ogen schoten naar haar toe, en toen weer naar Siuan Sanche. ‘Waarom zou ik jou niet aan je nekvel terugsiepen. Geef me één goede reden.’
Siuan keek hem veel kalmer aan dan Min zich voelde. ‘Dat zou je kunnen doen en ik veronderstel dat al mijn geworstel je even weinig problemen zou geven als dat van een jong katje. Gisteren was ik een van de machtigste vrouwen ter wereld. Misschien wel de machtigste. Koningen en koninginnen zouden verschijnen als ik ze zou oproepen, zelfs als ze de Toren haten met alles wat dat inhoudt. Vandaag vrees ik dat ik vanavond niet eens te eten zal hebben en dat ik onder een struik zal moeten slapen. Binnen een dag heb ik al mijn macht verloren en ben ik een vrouw die hoopt een boerderij te vinden om met werk op een akker haar eten te verdienen. Wat je ook denkt dat ik gedaan heb, is dat geen passende straf?’
‘Misschien,’ zei hij even later. Min slaakte een zucht van diepe opluchting toen hij met een vloeiende beweging zijn zwaard terugstak. ‘Maar dat is niet de reden waarom ik je laat gaan. Elaida kan je nog steeds laten onthoofden en dat kan ik niet toestaan. Ik wil nog steeds de kennis in je hoofd, als ik die nodig heb.’
‘Gawein,’ zei Min, ‘ga met ons mee.’ Een zwaardvechter die door een zwaardhand was geoefend, zou de komende dagen van pas kunnen komen. ‘Op die manier heb je haar bij de hand om je vragen te beantwoorden.’ Siuans blik schoot kort haar kant op, maar ze was niet echt verontwaardigd en bleef Gawein in het oog houden. Min hield vol. ‘Gawein, Elayne en Egwene geloven in haar. Kun jij dat dan ook niet?’
‘Vraag me niet meer dan ik kan geven,’ zei hij kalm. ‘Ik zal je naar de dichtstbijzijnde poort brengen. Jullie zouden er zonder mij nooit door komen. Dat is alles wat ik kan doen, Min, en het is meer dan ik zou moeten doen. Wist je dat er een bevel is gekomen jou gevangen te nemen?’ Zijn ogen schoten weer naar Siuan. ‘Als er iets met Egwene of mijn zuster gebeurt,’ zei hij nog steeds zonder enig gevoel, ‘dan zal ik je vinden, waar je je ook verborgen houdt en zal ik ervoor zorgen dat jou hetzelfde overkomt.’ Opeens deed hij enkele stappen achteruit en bleef hij met over elkaar geslagen armen en gebogen hoofd staan alsof hij hen niet langer wilde aankijken.
Siuan voelde aan haar hals. Een dun rood lijntje op haar huid gaf aan waar zijn kling had gedrukt. ‘Ik heb al te lang met de Kracht gewerkt,’ zei ze een tikje onvast, ik was vergeten hoe het voelt om tegenover iemand te staan die je kan vastpakken en als een draadje kan stuktrekken.’ Toen wierp ze een blik op Leane, alsof ze haar voor het eerst zag en raakte haar eigen gezicht aan, alsof ze niet zeker wist hoe dat eruitzag. in de boeken, heb ik gelezen, wordt de veronderstelling geuit dat het langer duurt voor het vervaagt, maar misschien heeft Elaida’s ruwe behandeling er iets mee te maken. Hij noemde het een vermomming en daar kan het best voor dienen.’ Ze klom onhandig op Beia’s rug en hield de teugels vast alsof de ruige merrie een vurige hengst was. ‘Weer een voordeel dus van het... Ik moet het leren zeggen zonder in elkaar te krimpen. Ik ben gesust.’ Ze sprak de woorden langzaam en nadrukkelijk uit en knikte toen. ‘Ziezo. Als Leane een aanwijzing vormt, dan ben ik zo’n vijftien jaar kwijtgeraakt, misschien wel meer. Ik heb vrouwen gekend die daar alles voor over zouden hebben. Een derde voordeel.’ Ze wierp een blik op Gawein. Hij stond nog steeds met z’n rug naar hen toe, maar ze ging toch zachter praten. ‘Plus dat ik, zullen we maar zeggen, losser van de tong ben geworden? Ik heb in geen jaren meer aan Mara gedacht, een vriendin uit mijn jeugd.’