‘Word je nu net als ieder ander ouder?’ vroeg Min toen ze in het zadel gleed. Dat was beter dan iets van de leugen te zeggen. Beter dan de gedachte dat Siuan nu kón liegen. Leane beklom handig en ervaren het derde rijdier en liet het even rondstappen, beproefde zijn stap. Die had zeker al eerder op een paard gezeten.
Siuan schudde haar hoofd. ‘Ik weet het echt niet. Geen enkele gesuste vrouw heeft ooit zo lang geleefd dat het gemerkt kon worden. Ik ben dat wel van plan.’
‘Willen jullie gaan,’ vroeg Gawein schor, ‘of blijven jullie liever praten?’ Hij wachtte niet op antwoord maar liep tussen de bomen weg. Ze spoorden hun merries aan. Siuan trok haar kap ver naar voren om haar gezicht te verbergen. Vermomd of niet, ze wilde toch niet de kans lopen herkend te worden. Leane had zich al zo diep mogelijk onder haar mantelkap teruggetrokken. Even later volgde Min hun voorbeeld. Wilde Elaida haar gevangen laten nemen? Dat betekende dat ze wist dat Elmindreda Min was. Hoelang had die vrouw dat al geweten? Hoelang had zij hier rondgelopen en gedacht dat ze goed verborgen was, terwijl Elaida hoonlachend een zottin in de gaten had gehouden? De gedachte deed haar huiveren.
Toen ze Gawein inhaalden op het kiezelpad, verschenen er ruim twintig jongemannen, sommigen mogelijk enkele jaren ouder, anderen nog jongens. Min vermoedde dat enkelen zich nog niet eens hoefden te scheren, nog niet geregeld tenminste. Allen droegen echter zwaarden aan de riem of op de rug en drie of vier hadden een borstkuras. Meerderen toonden een bebloed verband en de meesten hadden kleren met bloedvlekken. Ieder van hen keek even star, zonder met de ogen te knipperen, net als Gawein. Toen ze hem zagen, bleven ze staan en sloegen met de rechtervuist op de borst. Gawein liep gewoon door en beantwoordde hun groet met een hoofdknik, waarna de jongemannen achter de vrouwen te paard aanstapten.
‘De leerlingen?’ mompelde Siuan. ‘Waren zij ook bij de strijd betrokken?’
Min knikte en liet verder niets merken. ‘Ze noemen zich de Jongelingen.’
‘Een gepaste naam,’ zuchtte Siuan. ‘Sommigen zijn nog maar kinderen,’ fluisterde Leane. Min was niet van plan te vertellen dat zwaardhanden van de Blauwe en Groene Ajah plannen hadden gesmeed hen te bevrijden voor ze zouden worden gesust en dat het hun gelukt zou zijn als Gawein niet de leerlingen, onder wie de ‘kinderen’, had opgezweept en ze de Toren had ingeleid om de zwaardhanden tegen te houden. Die gevechten waren het felst en het dodelijkst geweest, leerling tegen leraar, en er was geen genade geweest.
De grote met brons beslagen Alindrellepoort stond open maar werd zwaar bewaakt. Sommige wachten droegen de Vlam van Tar Valon op hun borst, anderen jassen van werklui en al dan niet bij elkaar passende borstkurassen en helmen.. Wachters en kerels die vermomd als steenvoegers waren binnengekomen. Ze zagen er allemaal hard en kundig uit, vertrouwd met hun wapens, maar het waren twee groepen die elkaar wantrouwig in het oog hielden. Een grijze officier stond met gekruiste armen voor de wachters van de Toren en keek naar de naderende Gawein en de anderen.
‘Schrijfspullen!’ snauwde Gawein. ‘En gauw!’
‘Kijk, jullie moeten die Jongelingen zijn over wie ik gehoord heb,’ zei de grijze man. ‘Een mooi stel bloeddorstige haantjes, maar ik heb de opdracht niemand uit de Toren te laten vertrekken. Persoonlijk getekend door de Amyrlin Zetel. Wie denk je wel dat je bent om dat te weerspreken?’
Gawein hief langzaam het hoofd. ‘Ik ben Gawein Trakand van Andor,’ zei hij langzaam. ‘En ik zorg ervoor dat deze vrouwen vertrekken, of dat jij sterft.’ De andere Jongelingen kwamen achter hem staan, verspreidden zich en stelden zich tegenover de wachten op, met de hand aan het zwaard, zonder met de ogen te knipperen. Blijkbaar vonden ze het niet belangrijk dat ze met veel minder waren. De grijze man bewoog zich ongerust en een andere man mompelde: ‘Ze zeggen dat hij de man is die Hammar en Coulin heeft gedood.’ Even later gaf de officier met een ruk van zijn hoofd te kennen dat een wachter naar het wachthuis kon gaan. De man keerde terug met een draagbaar schrijfkistje met op de hoek een kleine rode zegelstift in een koperen potje. Gawein liet hem het schrijfkistje vasthouden, terwijl hij wild wat neerkrabbelde.
‘Hiermee komen jullie langs de brugwacht,’ zei hij en liet een plak rode lak onder zijn handtekening vloeien. Hij drukte zijn zegelring erin. ‘Heb jij Coulin gedood?’ zei Siuan kil alsof ze nog steeds Amyrlin was. ‘En Hammar?’
Mins moed zakte in haar schoenen. Hou je mond, Siuan. Besef wie je nu bent en hou je mond!
Gawein keerde zich met een ruk om en keek de drie vrouwen aan met ogen als van blauw vuur. ‘Ja,’ zei hij schor. ‘Het waren mijn vrienden en ik achtte ze hoog, maar ze kozen de kant van... van Siuan Sanche en ik moest...’ Abrupt drukte hij het gezegelde papier in Mins hand. ‘Vertrek! Ga, voor ik me bedenk!’ Hij gaf de merrie een klap en schoot toen op de twee andere paarden af om hetzelfde te doen, terwijl Mins merrie door de open poort wegdraafde. ‘Ga!’
Min liet haar paard in snelle draf het grote plein rond de Toren oversteken met Siuan en Leane vlak achter zich. Het plein was verlaten, evenals de straten erachter. Het getrappel van de hoeven weerkaatste hol op de klinkers. Wie nog niet uit de stad was weggevlucht, hield zich schuil.
Ze bekeek al rijdend Gaweins papier. De plak rode was droeg de afdruk van een aanvallende ever. ‘Dit zegt alleen dat we toestemming hebben weg te gaan. We kunnen het ook gebruiken om ons in te schepen.’ Het leek slim ergens heen te gaan waar niemand aan dacht, zelfs Gawein niet. Ze dacht niet echt dat hij van gedachte zou veranderen, maar hij stond op het punt te breken, op het punt bij de minste stoot in elkaar te storten.
‘Dat zou een goed idee zijn,’ zei Leane. ik vond Galad altijd de gevaarlijkste van de twee, maar nu weet ik het niet meer zo zeker. Hammar en Coulin...’ Ze huiverde. ‘Met een schip zijn we sneller weg, sneller dan te paard.’
Siuan schudde haar hoofd. ‘De meeste gevluchte Aes Sedai zullen zeker de bruggen hebben gekozen. Dat is de snelste manier om de stad uit te komen als iemand naar je op jacht is. Sneller dan te wachten tot de bemanning de trossen losgooit. Ik moet in de buurt van Tar Valon blijven als ik ze wil verzamelen.’
‘Ze zullen je niet volgen,’ zei Leane vlak en veelzeggend. ‘Je hebt geen recht meer op de stola. Zelfs niet meer op de sjaal en de ring.’
‘Misschien draag ik de stola niet meer,’ antwoordde Siuan even vlak, ‘maar ik weet nog wel hoe ik een bemanning op een storm moet voorbereiden. En aangezien ik de stola niet meer kan dragen, moet ik ervoor zorgen dat ze de juiste vrouw op mijn plaats kiezen. Ik sta niet toe dat Elaida zich ongestraft Amyrlin Zetel noemt. Het moet iemand zijn die heel sterk is in de Kracht, iemand die de zaken op de juiste manier opvat.’
‘Je bent dus van plan die... die Draak te blijven helpen,’ bitste Leane. ‘Wat wil je dan dat ik doe? Ergens gaan liggen creperen?’ Leane huiverde alsof ze een klap had gekregen en zwijgend reden ze een tijdlang door. De vele fabelachtig mooie gebouwen om hen heen, net door de wind gevormde rotsen, golven en grote vogelzwermen, rezen dreigend boven hen uit nu er zich verder geen mensen op straat bevonden, afgezien van een eenzame man verderop die rond een hoek aan kwam schieten, van deuropening naar deuropening springend alsof hij de weg voor hen verkende. Zijn aanwezigheid maakte de straat niet minder verlaten, maar benadrukte juist de leegte. ‘Wat kunnen we anders?’ zei Leane uiteindelijk. Ze zat als een meelzak in het zadel, ik voel me zo... leeg. Leeg.’
‘Zoek iets om het te vullen,’ vertelde Siuan haar ferm. ‘Wat dan ook. Eten koken voor de hongerigen, zieken verzorgen, een man vinden en een huis vol kinderen opvoeden. Ik... ik ben van plan ervoor te zorgen dat Elaida dit niet ongestraft kan doen. Ik zou haar bijna kunnen vergeven als ze echt geloofde dat ik de Toren in gevaar had gebracht. Dat zou ik bijna kunnen. Bijna. Maar al vanaf de dag dat ik tot Amyrlin werd verheven, was ze een en al afgunst. Dat drijft haar evenzeer als wat dan ook, en daarom zal ik haar af laten zetten. Dat is het enige dat ik voel, Leane. Dat en het feit dat zij Rhand Altor niet in handen mag krijgen.’