‘Ik denk niet dat Isendre zacht is,’ zei hij kalm en schoof de sjoefa goed rond zijn hoofd, wat de kokende zon wat beter afschermde. Hij had de neiging onderdrukt Aielkleren aan te trekken, ook al waren die veel beter op deze hitte afgestemd dan zijn rode wollen jas. Wat zijn afkomst ook was, welke merktekenen hij ook op z’n onderarmen droeg, hij was geen Aiel en hij wilde niet doen alsof. Wat hem ook te doen stond, aan dat stukje beschaving wilde hij vasthouden. ‘Nee, dat zou ik zeker niet zeggen.’
Op de bok van de tweede wagen zaten de dikke Keille en speelman Natael weer ruzie te maken. Natael had de leidsels, hoewel hij niet zo goed reed als de man die gewoonlijk die taak had. Soms keken ze ook naar Rhand, een snelle blik, voor ze zich weer aan hun geruzie overgaven. Maar ja, iedereen deed dat. De lange Jindocolonne aan de andere kant, de Wijzen daar weer achter, met Moiraine, Egwene en Lan. Ook tussen de nog bredere rij Shaidokrijgers verderop meende hij hoofden te zien die op hem waren gericht. Het verraste hem nu niet meer zo erg als het vroeger had gedaan. Hij was Hij die komt met de dageraad. Iedereen wilde weten wat hij zou gaan doen. Ze zouden het snel genoeg merken.
‘Zacht,’ gromde Aviendha. ‘Elayne is niet zacht. Je behoort Elayne toe, je zou niet zo lebberig naar die loopse teef moeten kijken.’ Ze schudde fel haar hoofd en mompelde half in zichzelf: ‘Onze manieren schokken haar. Ze kon ze niet aanvaarden. Waarom zou ik er wat om geven of ze dat kan? Ik wil hier niets mee te maken hebben! Dat kan niet! Als ik kon, zou ik jou gai’shain maken en je aan Elayne geven!’
‘Waarom zou Isendre de manieren van de Aiel moeten overnemen?’ Ze zette geschokt zulke grote ogen op dat hij bijna moest lachen. Meteen keek ze stuurs, alsof hij haar had getergd. Een Aielvrouw was al even moeilijk te begrijpen als een andere vrouw. ‘Jij bent zeker niet zacht, Aviendha.’ Ze mocht dat als een compliment aanvaarden; de vrouw was soms even hard als een wetsteen. ‘Leg me dat van de dakvrouwe nog eens uit. Als Rhuarc het stamhoofd is van de Taardad en hoofd van de Koudrotssibbe, hoe kan de veste dan aan zijn vrouw toebehoren en niet aan hem?’
Ze keek hem nog even laaiend aan en haar lippen bewogen alsof ze iets in zichzelf mopperde voor ze antwoord gaf. ‘Omdat ze de “dakvrouwe” is, rotskop van een natlander. Een man kan net zo min een dak bezitten als hij land kan hebben! Soms klinken natlanders ook net als een stel wilden.’
‘Maar als Lian de dakvrouwe is van Koudrots, omdat ze de vrouw is van Rhuarc...’
‘Dat is iets anders! Zul je het dan nooit begrijpen? Een kind kan dat nog!’ Ze haalde diep adem en schoof de sjaal rond haar hoofd goed. Ze was een knappe vrouw, zelfs al keek ze hem bijna voortdurend aan alsof hij iets misdaan had. Wat dat kon zijn, wist hij niet. De witharige Bair met haar verweerde gezicht, die even onwillig over Rhuidean sprak als vroeger, had hem eindelijk tegen haar zin verteld dat Aviendha niet de glazen zuilen had bezocht. Ze zou dat pas doen als ze gereed was om Wijze te worden. Maar waarom had ze dan zo’n hekel aan hem? Het was een raadsel waar hij graag antwoord op wilde krijgen.
‘Ik zal het eens anders uitleggen,’ gromde ze. ‘Wanneer een vrouw gaat trouwen, en zij heeft nog geen dak als eigendom, dan bouwt haar familie er een voor haar. Op haar huwdag draagt haar nieuwe echtgenoot haar over zijn schouder weg van haar familie, terwijl zijn broers haar zusters tegenhouden, maar bij de deur zet hij haar neer en vraagt haar toestemming om binnen te mogen gaan. Het dak behoort haar toe. Ze kan...’
Die lezingen waren het plezierigste deel geweest van de elf dagen en nachten na de Trollokaanval. Aanvankelijk had ze niet willen praten, op een nieuwe scheldpartij over zijn veronderstelde slechte behandeling van Elayne na, een beschamende tirade die hem ervan moest overtuigen dat Elayne de volmaakte vrouw voor hem was. Daarop had hij Egwene terloops gezegd dat hij liever had dat Aviendha ophield met hem aan te gapen als ze niet met hem wilde praten. Binnen de kortste keren kwam een in het wit geklede gai’shain Aviendha ophalen. Hij kwam nooit te weten wat de Wijzen tegen haar gezegd hadden, maar ze keerde trillend van woede terug om te eisen – te eisen! – dat hij goedvond dat zij hem de Aielse gewoonten en gebruiken bijbracht. Ongetwijfeld in de hoop dat hij door zijn vragen iets zou onthullen van zijn plannen. Na de gluiperige verfijndheid van Tyr was de openlijke nieuwsgierigheid van de Wijzen verfrissend. Niettemin was het beslist verstandig zoveel mogelijk op te steken en het praten met Aviendha kon eigenlijk heel gezellig zijn, vooral bij die gelegenheden wanneer ze leek te vergeten dat ze hem om de een of andere reden verachtte. Natuurlijk behield ze de neiging in withete woede los te barsten, zodra ze besefte dat ze gewoon als twee mensen in gesprek waren en niet als een gevangene en een bewaarder. Ze vond dan blijkbaar dat hij haar in een val had gelokt.
Ondanks haar buien waren hun gesprekken heel leuk, zeker vergeleken met de rest van de tocht. Hij begon zelfs haar woedende uitvallen vermakelijk te vinden, hoewel hij wel zo verstandig was om haar dat niet te laten merken. Als zij een gehate man zag, ging ze er gelukkig zo volkomen in op dat ze niet meer Hij die komt met de dageraad zag, of de Herrezen Draak, maar enkel Rhand Altor. In ieder geval wist zij tenminste wat ze van hem vond. Dat kon je van Elayne niet zeggen, die een brief had geschreven waar hij rode oren van kreeg en die eigenlijk meteen liet volgen door een tweede brief waarin hij op een Trollok met slagtanden en hoorns leek.
Min was zo ongeveer de enige vrouw die hij ooit had ontmoet die van zijn gedachten geen warrige bol wol had gemaakt. Maar zij bevond zich in de Toren – daar was ze in ieder geval veilig – en dat was precies de plek waar hij nooit wilde zijn. Nu begon Aviendha steeds meer in z’n dromen voor te komen. Alsof Min en Elayne nog niet erg genoeg waren. Vrouwen maakten een rommeltje van zijn gevoelens en hij moest helder blijven denken. Helder en koud. Hij besefte dat hij weer naar Isendre zat te kijken. Met haar slanke vingers achter Kaderes oor wuifde ze hem toe en hij was er zeker van dat die volle lippen zich weer tot een glimlach hadden geplooid. Jazeker. Gevaarlijk. Ik moet koud zijn en hard als staal. Scherp staal. De elfde dag en nacht gingen over in de twaalfde zonder dat er iets veranderde. Dagen en nachten vol vreemde rotsgevaarten en pieken met een vlakke top en hoogten die oprezen uit een gebarsten, geblakerd land dat doorsneden werd door bergen die schijnbaar in het wilde weg waren ontstaan. Dagen van bloedhete zonneschijn en schroeiende wind, nachten van tanden klapperende koude. Alles wat hier groeide, scheen stekels of doorns te hebben, of anders kreeg je bij het aanraken een razende jeuk. Volgens Aviendha waren sommige planten giftig, maar die lijst leek veel langer dan de eetbare planten. Het enige water kwam uit onzichtbare bronnen en bakken, hoewel ze planten aanwees die water aanduidden. Als je daar een diep gat groef, sijpelde er langzaam vocht omhoog, genoeg om een man of twee in leven te houden. Er groeiden ook planten waarop je kon kauwen waardoor je een zurige watermoes kreeg.
Tijdens een nacht hadden leeuwen in de duisternis brullend twee Shaidopakpaarden gedood, voordat ze werden verjaagd van hun prooi en in de greppels verdwenen. Een voerman stoorde een kleine bruine slang toen ze de vierde avond het kamp opsloegen. Een tweestapper, noemde Aviendha het dier later, en dat bleek een juiste naam, want de man krijste en probeerde naar de wagens te rennen hoewel hij Moiraine naar zich toe zag hollen. Bij de tweede stap viel hij plat neer, dood, voor de Aes Sedai van haar witte merrie kon afstappen. Aviendha noemde de giftige slangen, spinnen en hagedissen op. Gifhagedissen! Ze had er een keer een voor hem gevonden, twee voet lang en dik, met gele strepen langs de bronsgele schubben. Terwijl ze het dier zorgeloos onder haar zachte laarzen vasthield, stak ze haar mes in de brede kop en hield het toen omhoog, zodat hij de heldere, vettige vloeistof uit de scherpe botrichels in zijn bek kon zien stromen. Een gara, legde ze uit, kon door een laars bijten en zelfs een stier doden. Natuurlijk waren er nog ergere. De gara was langzaam en niet echt gevaarlijk, tenzij je zo stom was erbovenop te gaan staan. Toen ze de grote hagedis van haar mes schudde, viel het geelgebronsde beest precies in een van de barsten in de grond. O zeker, gewoon niet zo stom zijn erop te gaan staan. Moiraine verdeelde haar tijd tussen de Wijzen en Rhand, waarbij ze hem op haar bekende Aes Sedai-manier probeerde te dwingen zijn plannen te vertellen. ‘Het Rad weeft wat het Rad wenst,’ had ze hem juist die ochtend verteld, haar stem koeltjes en kalm, haar leeftijdloze gezicht ernstig, maar met verhitte donkere ogen terwijl ze hem over Aviendha heen aanstaarde, ‘maar een dwaas kan zich in het Patroon verstrikken. Pas op dat je geen strop voor je eigen nek weeft.’ Ze had ergens een lichtgekleurde mantel opgedoken, bijna gai’shain wit, die blikkerde in de zon. Onder de brede kap droeg ze een vochtige sneeuwwitte sjaal om haar voorhoofd.