‘Ik weet niet of ik wel kennis wil kopen,’ zei Rhand hem meermalen. ‘Er is altijd het probleem van de prijs, nietwaar? Ik ben niet bereid sommige prijzen te betalen.’
Natael trok Rhand die avond terzijde, nadat de kookvuren waren aangestoken en de etensgeuren tussen de lage tenten rondkringelden. De speelman leek bijna even zenuwachtig als Kadere. ik heb heel veel over u nagedacht,’ zei hij, terwijl hij Rhand schuins aankeek. ‘U behoort een groots epos te krijgen om uw geschiedenis te verhalen. De Herrezen Draak. Hij die komt met de dageraad. De man van wie weet hoeveel voorspellingen, in deze Eeuw en andere Eeuwen.’ Hij trok zijn mantel wat dichter om zich heen, de kleurige lapjes fladderden in de avondbries. De schemering duurde kort in de Woestenij, nacht en dag kwamen en verdwenen snel. ‘Wat voor gevoel hebt u over uw voorspelde lot? Ik dien het te weten als ik uw epos ga schrijven.’
‘Gevoel?’ Rhand keek het kamp rond naar de Jindo’s die tussen de tenten rondliepen. Hoeveel van hen zouden dood zijn voor alles voorbij was? ‘Moe. Ik voel me moe.’
‘Nauwelijks een heldhaftig gevoel,’ mompelde Natael. ‘Maar zoiets valt te verwachten, gezien uw bestemming. De wereld rust op uw schouders. De meeste mensen zijn bereid u te doden zodra ze de kans krijgen en de anderen zijn dwazen die denken u te kunnen gebruiken door met u op te trekken naar macht en roem.’
‘Waar hoor jij bij, Natael?’
‘Ik? Ik ben een eenvoudige speelman.’ De man hield een punt van zijn mantel op als bewijs, ik zou voor niets ter wereld met u van plaats willen ruilen, niet met dat lot dat erop rust. Dood of krankzinnigheid, of allebei. “Zijn bloed op de rotsen van Shayol Ghul...” Zo staat het toch in de Karaethon Reeks, nietwaar? Dat u moet sterven om de dwazen te redden die opgelucht zuchten als u sterft? Nee, zoiets wil ik niet bezitten, voor geen macht ter wereld of iets anders niet.’
‘Rhand,’ zei Egwene, die uit de invallende duisternis kwam aanstappen, haar lichte mantel om haar heen en de kap helemaal over haar hoofd. ‘We zijn hier om te zien hoe het met je is na je Heling en een dag in die hitte.’ Moiraine was bij haar, haar gezicht gehuld in de diepe kap van haar witte mantel, net als Bair, Amys, Melaine en Seana, die sjaals om hun hoofden gewikkeld hadden. Allen stonden hem aan te kijken, kalm en koud als de nacht. Zelfs Egwene. Ze had nog niet de leeftijdloosheid van de Aes Sedai, maar wel hun ogen. Hij merkte daarna pas dat Aviendha er ook bij was. Ze stond achter de anderen. Heel even meende hij medelijden op haar gezicht te lezen, maar als dat zo was, verdween dat zodra ze hem zag kijken. Verbeelding. Hij was moe.
‘Een andere keer,’ zei Natael tegen Rhand, terwijl hij op zijn vreemde schuinse manier naar de vrouwen keek. ‘We praten een andere keer wel verder.’ Met een heel kleine buiging stapte hij weg. ‘Doet de toekomst je pijn, Rhand?’ zei Moiraine kalm toen de speelman weg was. ‘Voorspellingen spreken in bloemrijke, verborgen taal. Ze betekenen niet altijd wat ze lijken te zeggen.’
‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ vertelde hij haar. ik zal doen wat ik moet doen. Onthoud dat, Moiraine. Ik zal doen wat ik moet doen.’
Ze leek voldaan, al was dat bij een Aes Sedai moeilijk te zien. Ze zou niet zo tevreden zijn als ze alles hoorde.
Natael keerde de avond erna terug en ook de volgende avond en de daaropvolgende. Hij sprak altijd over het epos dat hij wilde schrijven, maar hij vertoonde daarbij een ziekelijk trekje, doordat hij probeerde uit te zoeken hoe Rhand zijn krankzinnigheid en dood tegemoet wilde treden. Zijn verhaal moest een treurspel worden, leek het wel. Rhand had zeker niet de wens zijn angsten open en bloot neer te leggen. Wat er in zijn hart en hoofd omging, mocht daar begraven blijven. Uiteindelijk leek de speelman er genoeg van te hebben om hem te horen zeggen: ik zal doen wat ik moet doen,’ en kwam hij niet meer. Blijkbaar wilde hij het epos niet schrijven als dat niet vol smart en verdriet zat. De man keek geërgerd toen hij voor het laatst wegbeende, terwijl zijn mantel woest achter hem aan wapperde. Het was een vreemde vent, maar als hij aan Thom Merrilin dacht, vroeg hij zich af of alle speelmannen dat niet waren. Natael toonde wel de andere trekken van een speelman. Hij had bijvoorbeeld een hoge dunk van zichzelf. Rhand gaf er niet om of de man hem met zijn titel aansprak, maar Natael sprak die paar keren dat hij bij Rhuarc of Moiraine stond, hen aan alsof zij gewoon zijn gelijken waren. Dat was Thom tot in de puntjes. En hij trad helemaal niet meer op voor de Jindo’s, maar begon het grootste deel van de avond in het Shaidokamp door te brengen. Er waren nu eenmaal meer Shaido, legde hij Rhuarc uit, alsof dat zo klaar als een klontje was. Een groter publiek. Geen enkele Jindo vond het leuk, maar zelfs Rhuarc kon er niets aan doen. In het Drievoudige Land werd een speelman alles, behalve een moord, toegestaan zonder dat hem iets werd verweten.
Aviendha bracht de nacht bij de Wijzen door en liep overdag soms lang met hen mee, terwijl ze allemaal om haar heen liepen, zelfs Moiraine en Egwene. Eerst meende Rhand dat ze haar raad gaven, over hoe ze met hem om moest gaan of over hoe ze van Rhand te weten kon komen wat zij wilden weten. Maar op een dag, terwijl de smeltende zon hoog aan de hemel stond, barstte opeens vlak voor de groep Wijzen een bol vuur zo groot als een paard open. De bol schoot tollend en dansend weg, een groef trekkend door het schrale land tot hij eindelijk kleiner werd en doofde.
Alle voerlieden lieten hun geschrokken briesende spannen stoppen en bleven toekijken, waarbij ze elkaar iets toeriepen in een mengeling van vrees, verwarring en grove vloeken. Gemompel rimpelde door de Jindo ’s en ze keken net als de Shaido toe, maar de twee colonnes Aiel liepen zonder te stoppen door. Alleen bij de Wijzen was echte opwinding zichtbaar. De vier vrouwen rond Aviendha stonden blijkbaar allemaal tegelijk te praten, waarbij veel met de armen werd gezwaaid. Moiraine en Egwene probeerden nog iets te zeggen, maar zelfs zonder het te Horen wist Rhand dat Amys hun in klare taal en met een woest geheven vinger duidelijk maakte erbuiten te blijven.
Hij staarde naar de zwarte geul die zich een halve span pijlrecht uitstrekte en zette zich weer goed in het zadel. Ze leerden Aviendha hoe ze moest geleiden. Natuurlijk. Dat waren ze aan het doen. Hij wreef het zweet van zijn voorhoofd met de rug van zijn hand, maar de zon had er niets mee te maken. Toen die vuurbal opeens was ontstaan, had hij vanzelf naar de Ware Bron gereikt. Het was net alsof hij met een kapotte zeef water had willen opscheppen. Al zijn graaien naar saidin had net zo goed grijpen naar lucht kunnen zijn. Zoiets kon ook gebeuren wanneer hij de Kracht wanhopig hard nodig had. Ook hij moest het leren, maar hij had geen leraar. Hij móest het leren, niet alleen omdat de Kracht hem anders zou doden voor hij zich zorgen over krankzinnigheid kon maken. Hij moest het leren omdat hij de Kracht moest gebruiken. Leren om te gebruiken, gebruiken om te leren. Hij begon zo hard te lachen dat enkele Jindo’s hem ongerust aankeken. Hij zou het fijn hebben gevonden als in die elf dagen en nachten Mart hem korter of langer gezelschap had gehouden, maar Mart kwam altijd maar heel even naar hem toe. Hij had altijd de brede hoedrand diep omlaag getrokken zodat zijn ogen in de schaduw bleven en hij hield dwars over Pips zadelknop de zwarte speer vast met dat vreemde ravenblad als een korte, gebogen zwaardkling die met de Kracht was gesmeed.
‘Als de zon je gezicht nog iets donkerder maakt, word je echt een Aielman,’ zei Mart meestal lachend, of: ‘Ben je van plan de rest van je leven hier door te brengen? Aan de andere kant van de Drakenmuur ligt nog een heel grote wereld. Wijn? Vrouwen? Weet je nog van die dingen?’
Maar Mart voelde zich duidelijk niet op z’n gemak en hij was nog minder dan een Wijze bereid over Rhuidean te praten, of over wat hem daar was overkomen. Zijn hand verstrakte iedere keer rond de zwarte speerschacht als de stad met de mistkoepel ter sprake kwam en hij beweerde niets meer van zijn tocht in de ter’angreaal te weten, waarna hij zichzelf tegensprak door te zeggen: ‘Ga er niet in, Rhand. Het is helemaal niet zoiets als in de Steen. Ze bedriegen. Bloedvuur, ik wou maar dat ik het ding nooit gezien had.’