Выбрать главу

Rhand had een keer de Oude Spraak genoemd, maar toen snauwde Mart meteen: ‘Bloedvuur, ik weet helemaal niets van die vervloekte Oude Spraak,’ waarna hij meteen terug galoppeerde naar de kramerwagens.

Daar bracht Mart het grootste deel van zijn tijd door, dobbelend met de voerlieden – tot ze beseften dat hij veel en veel meer won dan verloor, ongeacht de stenen die in het spel waren – daar betrok hij Kadere en Natael bij iedere gelegenheid in lange gesprekken, en daar liep hij voortdurend achter Isendre aan. Het was duidelijk wat hij in gedachten had, al vanaf die eerste keer dat hij haar toegrijnsde en zijn hoed goed schoof, de ochtend na de Trollokaanval. Hij hield haar bijna iedere avond zo lang mogelijk aan de praat en prikte zich zo verschrikkelijk bij het plukken van de witte bloemen van een doornstruik met grote stekels dat hij enkele dagen de teugels amper vast kon houden, maar Moiraine mocht hem niet helen. Isendre moedigde hem eigenlijk helemaal niet aan, maar haar trage, zwoele glimlach was er ook nauwelijks op gericht hem weg te sturen. Kadere zag het en zei niets, hoewel zijn ogen Mart soms als een aasgier volgden. Anderen hadden wel opmerkingen.

Laat op een middag, toen de muildieren werden uitgespannen, de tenten werden opgericht en Rhand zijn hengst afzadelde, stonden Mart en Isendre in de smalle schaduw van een van de met zeil afgedekte wagens. Ze stonden heel dicht bij elkaar. Hoofdschuddend keek Rhand toe terwijl hij zijn bruingrijze hengst droogwreef. De zon brandde laag aan de horizon en hoge rotspieken tekenden lange schaduwen over het kamp.

Isendre speelde met haar doorzichtige sjaal, alsof ze er terloops over dacht die af te doen, glimlachend, de volle lippen half uitgestoken, klaar voor een kus. Aangemoedigd grijnsde Mart vol vertrouwen en ging nog wat dichter bij haar staan. Ze liet haar hand zakken en schudde langzaam nee, maar haar uitnodigende glimlach bleef. Geen van beiden hoorde Keille naderen, ondanks haar grootte heel lichtvoetig. ‘Wilt u dit inderdaad, goede heer? Haar?’ Het tweetal sprong uit elkaar bij het geluid van Keilies zoetgevooisde stem en ze lachte even welluidend, wat al evenmin bij het gezicht paste. ‘Een koopje voor u, Martrim Cauton. Een Tarvalonse mark en ze is de uwe. Zo’n prul als dit kan nooit meer waard zijn dan twee mark, een écht koopje dus.’

Mart grijnsde en hij keek alsof hij liever heel ergens anders wilde zijn. Isendre keerde zich echter langzaam naar Keille, een bergkat tegenover een beer. ‘Je gaat te ver, oude vrouw,’ zei ze zachtjes en haar ogen stonden hard boven de sluiersjaal, ik heb geen zin die tong van jou nog langer te horen. Pas op. Of wil je misschien liever in de Woestenij blijven?’

Keille glimlachte breed, maar er viel niets vrolijks te lezen in de pikzwarte ogen die boven haar dikke wangen flonkerden. ‘Wie breng je daarvoor mee?’

Vastbesloten knikkend zei Isendre. ‘Een Tarvalonse mark.’ Haar stem klonk als ijzer, ik zal ervoor zorgen dat je een Tarvalonse mark in een gietbeker krijgt als we afscheid van je nemen. Ik zou dan graag zien hoe je die door je strot wringt.’ Ze keerde Keille haar rug toe en schreed terug naar de voorste wagen, in het geheel niet heupwiegend, en verdween naar binnen.

Keille keek haar na, haar gezicht onleesbaar tot de witte deur was dichtgeslagen en richtte zich toen opeens tot Mart, die net wilde wegglippen. ‘Weinig mannen hebben ooit eenmaal een aanbod van me afgeslagen, nog minder tweemaal. Je moet oppassen dat ik mij niet ga bezinnen over het feit of ik er iets aan moet doen.’ Lachend richtte ze zich op en kneep met haar dikke vingers in zijn wang, hard genoeg om hem ineen te laten krimpen, waarna ze Rhand aansprak. ‘Vertel het hem, mijn Heer Draak. Ik heb het gevoel dat u weet hoe gevaarlijk het is een vrouw te versmaden. Die Aielse die u zo woest kijkend overal volgt. Ik hoor dat u iemand anders behoort. Misschien werd zij ook versmaad.’

‘Ik betwijfel het, vrouw,’ zei hij droog. ‘Aviendha zou een mes in m’n ribben jagen als ze aannam dat ik zo over haar dacht.’ De enorme vrouw lachte bulderend. Mart kromp ineen toen ze opnieuw haar hand uitstak, maar ze gaf slechts een klopje op diezelfde wang. ‘Ziet u, goede heer? Versmaad het aanbod van een vrouw en misschien denkt ze er niets van, maar misschien...’ – ze maakte een kappende beweging – ‘het mes. Die les zou iedere man moeten leren. Is het niet, mijn Heer Draak?’ Gierend van het lachen haastte ze zich weg om toe te zien op de mannen die de dieren verzorgden. Over zijn wang wrijvend mompelde Mart: ‘Ze zijn allemaal gek,’ en liep toen ook weg. Maar hij bleef toch achter Isendre aanzitten. Zo waren die elf dagen in het barre droge landschap verstreken en nu was het de twaalfde dag. Tweemaal had hij andere posten gezien, kleine ruwstenen gebouwtjes net als Imres Post. Alle waren opgetrokken tegen de steile zijde van een rotspiek of hoogte, zodat ze gemakkelijk verdedigd konden worden. Bij de ene post bevonden zich ruim driehonderd schapen en herders, die even geschokt waren over het nieuws van Rhand als over de Trolloks in het Drievoudige Land. De andere post was verlaten, niet beroofd, maar hij werd niet gebruikt. Verschillende malen zag Rhand in de verte geiten, schapen of lichtgekleurd vee met lange hoorns. Aviendha zei dat de kudden bij nabije vesten behoorden, maar hij zag geen mensen, en zeker geen bouwsel dat de naam veste verdiende.

Nu was het de twaalfde dag; de brede colonnes Jindo’s en Shaido trokken aan weerszijden van de groep Wijzen verder en de kramerwagens volgden hotsend, met Keille en Natael, die weer aan het bekvechten waren, en Isendre op Kaderes schoot, kijkend naar Rhand. ‘... en zo zit het in elkaar,’ zei Aviendha, in zichzelf knikkend. ‘Nu zul je toch zeker de dakvrouwe begrijpen.’

‘Nog niet echt,’ gaf Rhand toe. Hij besefte dat hij al een tijdlang alleen maar naar de klank van haar stem had zitten luisteren, niet naar haar woorden. ‘Maar ik weet zeker dat het goed geregeld is.’ Ze keek hem grommend aan. ‘Wanneer jij huwt,’ zei ze gespannen, ‘met die Draken op je armen die ons bloed bewijzen, ga je dan dat bloed volgen of eis je dan als de een of andere wilde natlander dat alles van jou is, afgezien van de kleren die je vrouw draagt?’

‘Zo is het daar helemaal niet,’ wierp hij tegen, ‘en elke vrouw uit mijn streek zou een man die zoiets denkt, de hersens inslaan. Maar vind je trouwens niet dat zoiets geregeld dient te worden tussen mij en diegene die ik wil huwen?’ Ze keek zo mogelijk nog dreigender dan eerst. Tot zijn opluchting kwam Rhuarc van de voorste Jindo’s aanhollen. ‘We zijn er,’ kondigde de Aielman glimlachend aan. ‘Koudrotsveste.’

49

Koudrotsveste

Fronsend keek Rhand rond. Een span verder stond een dichte groep van rotshoogten met steile wanden, of misschien was het een geweldige rotsheuvel onderbroken door kloven. Links van hem strekte het land zich uit met stukken grof gras en bladerloze stekelplanten, hier en daar doornstruiken en lage bomen. Het landschap was licht heuvelachtig, droog en toonde scherpe barsten tussen enorme ruwe rotszuilen die naar de gekartelde bergen in de verte keken. Rechts was het land hetzelfde, maar de gebarsten gelige kleivlakte was vlakker en de bergen lagen dichterbij. Het had overal kunnen zijn in de Woestenij die hij na Chaendaer gezien had. ‘Waar?’ vroeg hij.

Rhuarc wierp een blik op Aviendha, die Rhand aankeek alsof hij niet goed bij zijn hoofd was. ‘Kom mee. Kom met eigen ogen Koudrots aanschouwen.’ Terwijl hij zijn sjoefa op zijn schouders liet zakken, draaide het stamhoofd zich om en liep met grote sprongen blootshoofds naar de kloof in de rotswand voor hen. De Shaidokrijgers hadden reeds halt gehouden, liepen wat rond en begonnen hun tenten op te zetten. Heirn en de andere Jindo’s sloten zich hollend met hun lastdieren bij Rhuarc aan, waarbij ze eveneens hun hoofd ontblootten en betekenisloos schreeuwden. De Speervrouwen die de karavaan begeleidden, riepen de voerlieden toe hun spannen aan te sporen en de Jindo’s te volgen. Een Wijze trok haar rok op tot kniehoogte en voegde zich hollend bij Rhuarc – Rhand dacht dat het Amys was, aan het lichtgekleurde haar te zien – want Bair zou zeker niet zo lenig kunnen hollen, maar de andere Wijzen bleven gewoon doorlopen. Heel even leek het of Moiraine snel naar Rhand toe wilde rijden, maar toen aarzelde ze, terwijl ze iets besprak met een Wijze die haar gezicht nog bedekt hield. Uiteindelijk hield de Aes Sedai haar merrie naast Egwenes grijze paard en de zwarte hengst van Lan, vlak voor de gai’shain die de lastdieren meetrokken. Ze gingen echter dezelfde richting uit als Rhuarc.