Rhand boog zich opzij en stak Aviendha een hand toe. Toen ze haar hoofd schudde, zei hij: ‘Als zij al dat lawaai maken, kan ik je niet horen. Stel dat ik een wolkoppige fout maak, omdat ik je woorden niet versta?’
In zichzelf mompelend wierp ze een blik op de Speervrouwen rond de kramerkaravaan, zuchtte toen en greep zijn arm beet. Hij hees haar omhoog, negeerde haar verontwaardigde gepiep en zwaaide haar achter op Jeade’en. Iedere keer dat zij zichzelf op het paard hielp, trok ze hem zowat uit het zadel. Hij gunde haar een moment om haar rok te schikken, hoewel haar benen op z’n minst ruim boven de zachte laarzen zichtbaar bleven en spoorde toen zijn grijze paard aan tot een draf. Het was voor het eerst dat Aviendha sneller reed dan stapvoets; ze sloeg haar armen rond Rhands middel en hield zich vast. ‘Zet me niet voor gek waar mijn zusters bij zijn, natlander,’ snauwde ze waarschuwend tegen zijn rug.
‘Waarom zouden zij jou een dwaas vinden? Ik heb Bair en Amys en de anderen bij Moiraine of Egwene achterop zien zitten.’ Even later zei ze: ‘Jij aanvaardt veranderingen gemakkelijker dan ik doe, Rhand Altor.’ Hij wist niet wat hij daaruit moest opmaken. Toen hij Jeade’en op gelijke hoogte had gebracht met Rhuarc, Heirn en Amys, vlak voor de nog steeds schreeuwende Jindo’s, zag hij tot zijn verrassing Couladin soepel met de anderen meehollen, eveneens met ontbloot hoofd. Aviendha trok Rhands sjoefa omlaag naar zijn schouder. ‘Je dient een veste zo binnen te komen dat ze je gezicht goed kunnen zien. Dat heb ik je verteld. En je moet lawaai maken. We zijn al een hele tijd geleden gezien en ze zullen weten wie wij zijn, maar het is de gewoonte dat je laat blijken dat je de veste niet bij verrassing wilt aanvallen.’
Hij knikte maar hield zich stil. Rhuarc en de andere drie in zijn groep maakten ook geen geluid en Aviendha evenmin. Bovendien maakten de Jindokrijgers zoveel herrie dat die spannen ver gehoord kon worden.
Couladin wendde zijn hoofd naar Rhand. Verachting flitste over het door de zon gebruinde gezicht, maar ook iets anders. Haat en minachting verwachtte Rhand nu wel, maar vermaak? Wat vond Couladin zo vermakelijk?
‘Dwaas van een Shaido,’ mompelde Aviendha tegen zijn rug. Misschien had ze gelijk; misschien was hij vermaakt omdat ze reed. Maar Rhand dacht van niet.
Mart galoppeerde naderbij in een wolk van geelbruin stof, zijn hoed diep omlaaggetrokken en de speer rechtop als een lans in de stijgbeugel. ‘Hoe heet deze plek, Rhand?’ vroeg hij luid om boven het geschreeuw gehoord te worden. ‘Die vrouwen zeiden alleen maar: “Sneller! Sneller!”’ Rhand vertelde het hem, en hij keek fronsend naar de hoge rotswand. ‘Ik neem aan dat je zoiets jarenlang kunt verdedigen, als je voldoende voorraden hebt, maar het valt toch niet te vergelijken met de Steen of met Tora Harad.’
‘Tora wat?’ vroeg Rhand.
Mart haalde zijn schouders op voor hij antwoord gaf. ‘Iets waar ik een keer van gehoord heb.’ Hij ging rechtop in de stijgbeugels staan om over de hoofden van de Jindokrijgers naar de karavaan te turen. ‘Die zijn gelukkig nog bij ons. Ik vraag me af hoeveel tijd ze zich gunnen om hun waren te verhandelen en weer te vertrekken.’
‘Niet vóór Alcair Dal. Rhuarc zegt dat er altijd een soort vrijmarkt is wanneer de stamhoofden elkaar ontmoeten, zelfs al zijn het er maar twee of drie. Nu ze alle twaalf komen, denk ik niet dat Kadere of Keille dat wil missen.’
Mart leek niet al te blij met dat nieuws.
Rhuarc ging hen voor naar de breedste kloof in de rotswand, op z’n hoogst tien of twaalf pas breed en overschaduwd door hoge, steile zijwanden. Terwijl ze dieper en dieper de kloof ingingen, werd het donker en zelfs koel onder een strook blauwe hemel. Vreemd om in zo’n schaduw te verkeren. Het woordloze geschreeuw van de Aiel werd nog luider, versterkt door de grijsbruine wanden. Toen ze opeens ophielden, leek de stilte heel luid en werd slechts verstoord door het hoefgekletter en de krakende wagenwielen achter hen. Ze kwamen een bocht door en opeens ging de kloof over in een breed ravijn, lang en bijna recht. Van alle kanten klonk een schril gejammer van honderden vrouwen. Een grote menigte stond aan weerszijden, vrouwen in ruimvallende rokken met sjaals om het hoofd gewikkeld en mannen in grijsbruine jassen en kniebroeken, de cadin’sor en ook Speervrouwen die bij wijze van welkom hun armen zwaaiden en op potten, pannen en deksels sloegen.
Rhands mond viel open en niet alleen vanwege het ontstellende lawaai. De ravijnwanden waren groen, met smalle terrassen die aan weerszijden tot halverwege de helling reikten. Niet alles was een echt terras, besefte hij. Kleine huizen met platte daken van grijze steen of gele baksteen leken bijna bovenop elkaar te zijn gestapeld, in groepjes met kronkelende paden ertussen en ieder dak was een groentetuin met bonen en pompoenen, pepers, meloenen en planten die hij niet kende. Kippen liepen los rond, roder dan het soort dat hij kende en een of ander vreemd soort pluimvee dat groter was en grijsgespikkeld. Kinderen, de meeste gekleed als hun ouders, en wit geklede gai’shain liepen tussen de plantenrijen door met grote aardewerken kannen en gaven blijkbaar elke plant water. De Aiel hadden geen steden, was hem altijd verteld, maar dit was zeker een plaats van enige omvang, al was deze hier vreemder dan hij ooit gezien had. Het lawaai was zo groot dat het geen zin had zijn opborrelende vragen te stellen – zoals wat die ronde glimmende vruchten waren die te rood voor appels waren en groeiden aan lage struiken met lichtgroene bladeren of die rechte staken met brede bladeren vol dikke, lange, gele spruitjes met pluimen? Hij was te lang boer geweest om het niet te willen weten. Rhuarc en Heirn gingen langzamer lopen, net als Couladin, maar stapten wel heel snel door, waarbij ze hun speren op de rug achter de riemen van hun booghoezen staken. Amys snelde vooruit, lachend als een meisje, terwijl de mannen gestaag doorbeenden tussen de menigte in het ravijn. Het geschreeuw van de vestevrouwen deed de lucht trillen en overstemde bijna de kletterende pannen. Rhand volgde, zoals Aviendha hem had gezegd. Mart keek alsof hij meteen om wilde draaien en w7eer weg wilde rijden.
Aan het andere eind van het ravijn naderden de wanden elkaar en vormden ze een diepe duistere inham. De zon bereikte nooit de achterkant, had Aviendha hem verteld, en de rotsen daar waren altijd koud, vandaar de naam van de veste. Vlak voor de schaduw stond Amys naast een andere vrouw boven op een brede grijze rots waarvan de bovenkant glad was gemaakt om als verhoging te dienen. De andere vrouw, slank in haar ruim vallende kledij, met door een sjaal bijeengehouden blonde haren die tot haar middel reikten en bij de slapen enigszins wit waren, leek ouder dan Amys, maar was buitengewoon knap, met enkele fijne lijntjes bij haar ooghoeken. Ze was net zo gekleed als Amys – een eenvoudige bruine sjaal om de schouders, halskettingen en armbanden van goud en het mooist bewerkte ivoor, maar dit was Lian, de dakvrouwe van Koudrotsveste. Het trillende, jammerende gegil stierf weg toen Rhuarc voor de rots bleef staan, een stap voor Heirn en Couladin. ik vraag toestemming om uw veste te betreden, dakvrouwe,’ verkondigde hij met luide, ver dragende stem.
‘U hebt mijn toestemming, stamhoofd,’ antwoordde de blonde vrouwvormelijk en even luid. Glimlachend voegde ze er veel hartelijker aan toe: ‘Schaduw van mijn hart, jij zult altijd mijn toestemming krijgen.’ ik bied mijn dank aan, dakvrouwe van mijn hart.’ Dat klonk ook niet bijzonder vormelijk.