Выбрать главу

Amys nam hem op. Die heldere blauwe ogen keken even scherp als die van een Aes Sedai. Maar ja, ze kon geleiden; haar gezicht zag er jonger uit dan zou moeten, niet leeftijdloos, maar misschien was ze evenzeer een Aes Sedai als een Aes Sedai. ‘Dat klinkt mij als een goede regeling in de oren,’ zei ze. Aviendha wilde al wat zeggen – een en al briesende verontwaardiging – maar zweeg snel en gehoorzaam toen de Wijze haar ogen op haar richtte. Misschien had Aviendha gedacht dat haar tijd met hem nu voorbij zou zijn, als ze Koudrots hadden bereikt. ‘Je zult wel moe van je reis zijn,’ zei Lian tegen Rhand en haar grijze ogen stonden moederlijk. ‘O, en ook hongerig, denk ik. Kom.’ Haar warme glimlach omvatte ook Mart, die zich wat op de achtergrond hield en naar de kramerwagens begon te kijken. ‘Kom onder mijn dak.’ Na zijn zadeltassen te hebben gepakt liet Rhand Jeade’en over aan de zorg van een vrouwelijke gai’shain die ook Pips wegleidde. Mart wierp nog een laatste blik op de wagens voor hij zijn zadeltassen over de schouder gooide en hen volgde.

Lians dak, haar huis, was het hoogste op de westhelling, terwijl de steile ravijnwand er nog zo’n ruim honderd pas bovenuit stak. Behuizing van stamhoofd en dakvrouwe of niet, van buiten leek het een bescheiden recht huis van grote gele baksteen, met smalle glasloze vensters waar eenvoudige witte gordijnen voor hingen. Op het platte dak bevonden zich een moestuin en nog een op een klein terras dat van het huis gescheiden was door een smal betegeld pad van grijze platte stenen. Groot genoeg voor twee kamers misschien. Op de vierkanten bronzen gong naast de deur na leek het erg veel op de andere gebouwen, voor zover Rhand kon zien en op dit hoge punt lag de hele vallei aan zijn voeten. Een klein eenvoudig huis. Binnen was het iets anders.

Het stenen gedeelte was één grote kamer met een vloer van roodbruine tegels, maar dat vormde maar een deel van het huis. In de rots erachter waren meer kamers uitgehouwen, met hoge plafonds. Het was er verrassend koel, met doorgangen onder brede bogen en zilveren lampen die een geur verspreidden die aan groene bomen deed denken. Rhand zag maar één stoel, met een hoge rugleuning, rood en goud gelakt, maar die zag er weinig gebruikt uit. Aviendha noemde het de hoofdstoel. Veel meer hout was er niet te zien, afgezien van enkele gewreven en geverfde kisten en kasten en een lage lessenaar waarop enkele opengeslagen boeken lagen. De lezer zou waarschijnlijk op de grond moeten liggen. De vloer was bedekt met vele lagen kunstige tapijten en kleurige kleedjes. Hij herkende enkele patronen van Tyr, Cairhien en Andor, zelfs van Illian en Tarabon. Andere ontwerpen kwamen hem onbekend voor: brede zigzagstrepen in allerlei tinten en kleuren, of met elkaar verbonden open vierkanten in grijs, bruin en zwart. In scherpe tegenstelling met het woeste grijs buiten zag hij hierbinnen overal felle kleuren. Er waren wandkleden die volgens hem zeker over de Rug van de Wereld waren gebracht – misschien op dezelfde manier als de wandtapijten die de Steen van Tyr hadden verlaten – en zijden kussens in alle maten, tinten en kleuren, vaak met kwasten of franje, of allebei. Hier en daar waren nissen uitgehakt, waarin een tere porseleinen vaas stond, een zilveren kom of ivoren snijwerk, vaak in de vorm van een of ander vreemd dier. Dus dit waren die ‘grotten’ waar de Tyreners het over hadden. Het had even bont kunnen lijken als in Tyr – of bij de ketellappers – maar in plaats daarvan zag het er zowel waardig als speels en verfijnd uit.

Met een kleine grijns naar Aviendha om haar te tonen dat hij wél had geluisterd, trok Rhand een gastgeschenk uit zijn zadeltas, een fraai bewerkte gouden leeuw. Het was buit uit Tyr, die hij had gekocht van een Waterzoeker van de Jindo’s, maar als hij de heerser van Tyr was, was het eigenlijk diefstal van zichzelf. Mart aarzelde even maar pakte toen ook een geschenk, een Tyreense halsketting van zilveren bloemen, ongetwijfeld met dezelfde afkomst en zonder twijfel eigenlijk bedoeld voor Isendre.

‘Prachtig,’ glimlachte Lian, die de leeuw bekeek, ik vind het zulke vaklieden in Tyr. Vele jaren geleden heeft Rhuarc me eens twee stukken gegeven.’ Op een toon die best zou passen bij een huisvrouw uit Emondsveld die wat peinst over enkele bijzonder lekkere suikerbessen, zei ze tegen haar man: ‘Had je ze niet uit de tent van een hoogheer, vlak voordat Laman werd onthoofd? Jammer dat je niet tot Andor bent gekomen. Ik heb altijd graag Andoraans zilverwerk willen hebben. Deze halskening is ook prachtig, Mart Cauton.’ Luisterend naar haar uitbundige lof over beide geschenken verborg Rhand hoe geschokt hij was. Ondanks haar rok en moederlijke ogen was ze net zo Aiels als elke Speervrouwe.

Tegen de tijd dat Lian klaar was, kwamen Moiraine en de andere Wijzen aan met Lan en Egwene. Het zwaard van de zwaardhand trok een snelle afkeurende blik, maar de dakvrouwe verwelkomde hem hartelijk, nadat Bair hem Aan’allein had genoemd. Dit alles was echter niets vergeleken met haar begroeting van Egwene en Moiraine. ‘U eert mijn dak, Aes Sedai.’ De dakvrouwe zei het op een toon alsof ze het nog veel uitbundiger had willen zeggen; ze maakte zelfs bijna een buiging. ‘Men zegt dat wij voor het Breken van de Wereld de Aes Sedai eens hebben gediend en hebben gefaald en dat wij vanwege ons falen naar het Drievoudige Land werden gezonden. Uw aanwezigheid zegt me dat ons falen misschien eens vergeven kan worden.’ Natuurlijk. Ze was niet in Rhuidean geweest; het verbod om met mensen die nog nooit in Rhuidean waren geweest, te spreken over deze plaats, gold blijkbaar ook voor echtelieden. En voor zustergades, of welke band Amys en Lian dan ook hadden.

Moiraine probeerde Lian eveneens een gastgeschenk te geven. Kleine flesjes van kristal en zilver met reukwaters die helemaal uit Arad Doman waren gekomen, maar Lian stak beide handen afwerend omhoog. ‘Uw aanwezigheid alleen is meer dan waardevol, Aes Sedai. Nog meer aannemen zou oneer brengen over mijn dak en mij. Ik kan die schande niet dragen.’ Het maakte Rhand duidelijk hoe betrekkelijk het belang van een Car’a’carn was en hoeveel belang een Aes Sedai werd toegedacht.

‘Zoals u wenst,’ zei Moiraine die de flesjes weer in haar beurs terugstopte. Ze was ijskoud en ernstig in haar blauwe zijde en haar bijna witte, openhangende mantel. ‘Uw Drievoudige Land zal zeker meer Aes Sedai leren kennen. Eerder hebben wij daartoe nooit enige reden gehad.’

Amys leek niet al te verheugd over dat vooruitzicht en de roodharige Melaine staarde Moiraine aan als een groenogige kat die zich afvraagt of ze iets moet doen aan een grote hond op haar erf. Bair en Seana keken elkaar bezorgd aan, maar niet zo bezorgd als de twee geleidsters. De gai’shain kwamen aanlopen, zowel mannen als vrouwen, sierlijk in hun witte kleden met kappen en met neergeslagen ogen, die voor een Aiel vreemd onderworpen keken. Ze pakten de mantels van Egwene en Moiraine aan, brachten vochtige doeken voor handen en gezichten en boden kleine zilveren bekertjes met water aan voor een vormelijke dronk, waarna ze een maaltijd opdienden in zilveren kommen en schalen die in een paleis niet zouden misstaan, terwijl er gegeten werd van aardewerk met een blauwgestreept glazuur. Iedereen at liggend van witte tegels die bij wijze van tafel waren neergelegd, met de hoofden vlak bij elkaar, kussens onder hun borst. Ze lagen naast elkaar als spaken van een wagenwiel, terwijl de gai’shain tussen hen door glipten om de schalen neer te zetten.

Mart had er moeite mee, hij verschoof telkens op zijn kussen, maar Lan hield zich alsof hij altijd zo had gegeten en Moiraine en Egwene leken het al even gemakkelijk te vinden. Ongetwijfeld hadden ze al kunnen oefenen in de tent van de Wijzen. Rhand vond het onhandig, maar het eten zelf was bijzonder genoeg om niet op het ongemak te letten.

Een donkere pittige stoofpot van geitenvlees met fijngehakte pepers was onbekend, maar nauwelijks vreemd en erwten of pompoenen vond je in elk land. Dat kon niet gezegd worden van het grove kruimelbrood, van de lange felrode en groene bonen of de felgele pitten en stukken rode pulp die Aviendha zemai en t’mat noemde, of van de zoete ronde vrucht met een taaie groenige schil, die volgens haar van een soort bladloze stekelplanten kwam en kardon heette. Maar het was allemaal lekker.