Выбрать главу

Hij zou meer van het eten hebben genoten als ze hem niet overal een lesje bij had verstrekt. Niet over zustergades. Die uitleg kwam van Amys en Lian, die aan weerszijden van Rhuarc lagen en elkaar bijna even vaak glimlachend aankeken als hun gade. Als ze allebei met hem waren getrouwd om hun vriendschap niet te verbreken, hielden ze blijkbaar allebei van hem. Rhand zag niet hoe Elayne en Min zich in zo’n regeling zouden schikken en hij vroeg zich af hoe hij zoiets kon bedenken. Het idee! De zon moest zijn hersens gebakken hebben. Maar al liet Aviendha dat verhaal aan de anderen over, al het andere, alles en alles, legde ze tot aan elke tandenknarsende kleinigheid uit. Misschien vond ze hem een dwaas, dat hij dat van de zustergades niet had geweten. Ze lag op haar rechterzij om hem aan te kijken en glimlachte bijna lief, terwijl ze hem vertelde dat de lepel gebruikt kon worden voor de stoofpot, de zemai of de t’mat, maar haar ogen toonden een felle glans die duidelijk maakte dat alleen de aanwezigheid van de Wijzen voorkwam dat ze een schaal of zoiets naar zijn hoofd smeet, ik weet niet wat ik jou misdaan heb,’ zei hij kalm. Hij was zich heel goed bewust dat Melaine aan de andere kant van hem lag en schijnbaar geheel leek op te gaan in haar eigen zachte gesprek met Seana. Bair merkte ook zo af en toe wat op, maar hij meende dat ze ook naar hem probeerde te luisteren. ‘Maar als je zo’n hekel hebt aan die lessen voor mij, dan hoeft het van mij niet. Het ontviel me gewoon. Ik weet zeker dat Rhuarc of een Wijze wel iemand anders kan vinden.’ De Wijzen zouden dat zeker doen als hij deze verspieder kwijtraakte. ‘Je hebt me niets misdaan...’ Ze trok haar lippen op alsof ze wilde glimlachen, maar dan moest ze nog lang oefenen. ‘... en dat zul je ook nooit. Je mag liggen op de voor jou gemakkelijkste manier, je mag eten en praten met de mensen om je heen. Behalve natuurlijk met de mensen die alles moeten uitleggen en niet aan de maaltijd kunnen deelnemen. Het wordt als beleefd gezien om zowel met de mensen links als rechts van je te praten.’ Achter haar keek Mart Rhand aan en hij rolde met z’n ogen, duidelijk opgelucht dat hem dat bespaard werd. ‘Tenzij je gedwongen bent je tot één persoon in het bijzonder te richten, bijvoorbeeld om hem iets te leren. Neem het voedsel met je rechterhand – tenzij je net op die elleboog leunt – en...’

Het was één lange marteling en ze leek ervan te genieten. De Aiel schenen veel waarde te hechten aan het geven van geschenken. Als hij haar nu eens een geschenk gaf...

‘... en wanneer het eten is gedaan, praat iedereen nog wat na, tenzij een van ons les moet geven en...’

Omkopen. Het leek niet eerlijk iemand om te kopen die als verspieder optrad, maar als ze van plan was zo door te gaan, zelfs al was het maar half zo erg, dan zou zo’n geschenk dat beetje rust alleszins waard zijn.

Toen door de gai’shain was afgeruimd en zilveren bekers donkere wijn werden binnengebracht, keek Bair Aviendha strak en grimmig aan over de witte tegels en bedaarde ze mokkend. Egwene reikte over Mart heen om haar een bemoedigend klopje te geven, maar het leek niet erg te helpen. Gelukkig was ze nu stil. Egwene keek hem strak aan; ze wist ofwel wat hij lag te denken of ze gaf hem de schuld van Aviendha’s gemok.

Rhuarc pakte zijn tobakszak en stopte zijn pijp, waarna hij het leren zakje aan Mart doorgaf, die zijn eigen met zilver beslagen pijp had gepakt. ‘Sommigen hebben het nieuws over jou ter harte genomen, Rhand Altor, en snel, zo lijkt het. Lian heeft me verteld dat er bericht is gekomen dat Jheran, het stamhoofd van de Shaarad, en Bael van de Goshien reeds in Alcair Dal zijn aangekomen. Erim van de Chareen is al onderweg.’ Hij liet zich door een slanke jonge gai’shain met een brandend takje vuur geven. Uit haar bewegingen, sierlijk op een iets andere wijze dan de andere mannen en vrouwen in het wit, maakte Rhand op dat ze niet al te lang geleden een Speervrouwe was geweest. Hij vroeg zich af hoelang ze nog nederig en bescheiden haar jaar en dag moest uitdienen.

Mart glimlachte de vrouw toe toen ze neerknielde voor zijn pijp. De blik uit haar groene ogen vanuit de diepe schaduw van haar kap was helemaal niet nederig en verjoeg abrupt de grijns van zijn gezicht. Geërgerd ging hij op z’n buik liggen en er steeg een dunne blauwe rookpluim uit zijn pijp op. Jammer genoeg zag hij niet het tevreden gezicht dat ze trok of hoe die uitdrukking hoogrood verdween na een blik van Amys. De groenogige vrouw haastte zich weg, ongelooflijk beschaamd. En hoe zat het met Aviendha, die het haatte dat ze haar speer had moeten opgeven en die zich nog steeds zag als de zuster van een Speervrouwe van elke stam...? Ze keek de vertrekkende gai’shain even boos na als vrouw Alveren iemand zou aankijken die het gewaagd had op haar vloer te spuwen. Een vreemd volk. Egwene was de enige vrouw hier in Rhands ogen die nog enig medegevoel toonde. ‘De Goshien en de Shaarad,’ mompelde hij, naar zijn beker kijkend. Rhuarc had hem verteld dat elk stamhoofd enkele krijgers als erewacht zou meenemen naar de Gouden Kom, net als elk sibbehoofd. Alles tezamen zou dat van iedere stam zo’n duizend man zijn. Twaalf stammen. Uiteindelijk twaalfduizend mannen en Speervrouwen, allemaal gebonden aan hun vreemde eer, die zich gereedhielden om de speren te dansen zodra er een kat blies. Misschien wel eerder vanwege de vrijmarkt. Hij keek op. ‘Ze hebben toch een bloedvete?’ Rhuarc en Lian knikten beiden. ‘Ik weet dat je hebt gezegd dat er zoiets als de vrede van Rhuidean bestaat in Alcair Dal, Rhuarc, maar ik heb gezien hoe die vrede Couladin en de Shaido heeft tegengehouden. Misschien kan ik maar beter meteen gaan. Als de Goshien en de Shaarad gaan vechten... Zoiets kan zich verspreiden. Ik wil alle Aiel achter me, Rhuarc.’

‘Goshien is geen Shaido,’ zei Melaine scherp en ze schudde als een leeuwin haar roodblonde haren.’

‘De Shaarad ook niet.’ Bairs ijle stem was ijler dan die van de jongere vrouw, maar even beslist. ‘Jheran en Bael zullen elkaar misschien doden voor ze naar hun vesten terugkeren, maar niet in Alcair Dal.’

‘Wat geen antwoord geeft op Rhand Altors vraag,’ zei Rhuarc. ‘Als je naar Alcair Dal gaat voor de stamhoofden er zijn, zullen de laatkomers hun eer verliezen. Het is niet juist om aan te kondigen dat je de car’a’carn bent als je tegelijk de mannen onteert die je oproept om je te volgen. De Nakai moet het verst trekken. Over een maand zal iedereen in Alcair Dal zijn.’

‘Minder,’ zei Leane en schudde fel haar hoofd, ik heb tweemaal in Alsera’s dromen gelopen en ze zegt dat Bruan van plan is de hele weg vanuit Shiagiveste te rennen. Minder dan een maand.’

‘Een maand vóór je vertrekt, om zeker te zijn,’ zei Rhuarc tegen Rhand. ‘Dan nog drie dagen om er te komen. Misschien vier. Dan zullen allen er zijn.’

Een maand. Hij wreef over zijn kin. Te lang. Te lang, maar hij had geen keus. In verhalen gebeurden de dingen altijd zoals de held ze had bedacht en schijnbaar gebeurden ze wanneer hij wilde dat ze gebeurden. In het echte leven ging het zo niet, zelfs niet bij een ta’veren met voorspellingen die in zijn voordeel zouden moeten werken. In het echte leven was het hopen en ploeteren; je had geluk als je een half brood vond terwijl je een hele wilde. Maar een deel van zijn plan was het pad te volgen dat hij hoopte te begaan. Het gevaarlijkste pad. Moiraine lag languit tussen Lan en Amys lui aan haar wijn te nippen, met haar ogen half dicht alsof ze sliep. Hij geloofde er niets van. Ze zag alles, hoorde alles. Maar momenteel had hij niets te zeggen dat ze niet mocht horen. ‘Hoeveel zullen weerstand bieden, Rhuarc? Of in opstand komen? Je duidde op zoiets, maar je hebt het nooit stellig uitgesproken.’

‘Ik weet het niet zeker,’ antwoordde het stamhoofd, de pijp nog tussen de lippen. ‘Wanneer je de Draken toont, zullen ze je kennen. Er is geen enkele manier om de Draken van Rhuidean na te bootsen.’ Hadden Moiraines oogleden getrild? ‘Jij bent de voorspelde. Ik steun je, Bruan zeker ook, net als Dhearic van de Revn. De anderen...? Sevanna, de vrouw van Suladric, zal de Shaido leiden aangezien de stam geen hoofd heeft. Ze is te jong om dakvrouwe van een veste te zijn en ongetwijfeld niet zo blij dat ze maar één dak te bestieren heeft en geen hele veste, wanneer Suladrics opvolger wordt gekozen. En Sevanna is even sluw en onbetrouwbaar als iedere Shaido die ooit is geboren. Maar zelfs als zij geen moeilijkheden maakt, zal Couladin dat doen. Hij doet of hij het stamhoofd is en sommigen van de Shaido zullen hem volgen, ook al heeft hij Rhuidean niet betreden. De Shaido zijn daar stom genoeg voor. Han van de Tomanelle kan weer een heel andere kant kiezen. Hij is prikkelbaar, moeilijk te doorgronden, moeilijk bij het onderhandelen, en...’