Выбрать главу

Hij zweeg toen Lian zachtjes mompelde: ‘Bestaan er dan andere mannen?’ Rhand dacht niet dat ze het stamhoofd bedoelde. Amys verborg een glimlach achter haar hand; haar zustergade verborg haar gezicht onschuldig achter haar beker wijn.

‘Zoals ik al zei,’ zei Rhuarc die berustend van zijn ene naar zijn andere vrouw fronste, ‘van een aantal kan ik niet zeker zijn. De meesten zullen je volgen. Misschien allen. Misschien zelfs de Shaido. We hebben drieduizend jaar gewacht op de man die de twee Draken draagt. Als je je armen laat zien, zal niemand eraan twijfelen dat jij de man bent die ons komt verenigen.’ En breken, maar dat zei hij niet. ‘De vraag is welke beslissing ze zullen nemen over hoe ze zich zullen opstellen.’ Hij tikte even met de steel van zijn pijp tegen zijn tanden. ‘Je verandert niet van mening en trekt geen cadin’sor aan?’

‘En wat moet ik ze dan laten zien, Rhuarc? Een namaak-Aiel? Dan kun je net zo goed Mart als Aiel uitdossen.’ Mart verslikte zich in wat rook. ik ga niet net doen alsof. Ik ben wat ik ben; ze moeten me nemen zoals ik ben.’ Rhand stak beide vuisten omhoog en de jasmouwen vielen ver genoeg terug om de koppen met de gouden manen op zijn polsen te tonen. ‘Zij zijn mijn bewijs. Als dit niet genoeg is, helpt niets.’

‘Waar zal jouw plan de speren weer ten oorlog te voeren’?’ vroeg Moiraine opeens en opnieuw verslikte Man zich, waarna hij de pijp uit z’n mond graaide en haar aankeek. Haar donkere ogen stonden wijd open.

Rhands vuisten verkrampten zich geschrokken tot zijn knokkels kraakten. AJs je probeerde al te slim bij haar te zijn, was dat gevaarlijk, dat had hij allang moeten weten. Ze herinnerde zich ieder woord, bewaarde het, voegde ze samen en onderzocht ze tot ze precies wist wat ze betekenden.

Hij kwam langzaam overeind. Ze lagen hem allemaal aan te kijken. Egwenes frons was nog bezorgder dan die van Mart, maar de Aiel keken slechts toe. Praten over een oorlog bracht hen niet van streek. Rhuarc keek... alsof hij zich gereedhield. En Moiraines gezicht was een en al bevroren kalmte.

‘Willen jullie me verontschuldigen,’ zei hij. ik ga even een ommetje maken.’

Aviendha kwam overeind en Egwene stond al, maar geen van beiden volgde hem.

50

Valstrikken

Buiten op het geplaveide pad tussen het gele bakstenen huis en de moestuin op het terras stond Rhand over de rotsvallei uit te kijken, maar hij zag niet veel meer dan de schaduwen die laat in de middag over de bodem schoven. Kon hij er maar op vertrouwen dat Moiraine hem niet aan een leiband aan de Toren wilde overdragen. Ze zou het ongetwijfeld kunnen, zelfs zonder de Kracht, als hij maar een duimbreed toestond. Die vrouw kon een stier door een muizengaatje sturen zonder dat het beest het merkte. Hij kon haar gebruiken. Licht, ik ben al even harteloos als zij – De Aiel gebruiken. Moiraine gebruiken. Kon ik haar maar vertrouwen.

Hij begaf zich naar de opening van het ravijn en volgde een voetpad dat naar beneden voerde. Het waren allemaal smalle paadjes, geplaveid met kleine stenen, en in de steilste waren treden uitgehakt. Zwakjes hoorde hij gehamer in diverse smidsen. Niet alle gebouwen waren huizen. Door een open deur zag hij verschillende vrouwen aan weefgetouwen werken en in een andere ruimte een zilversmid die net haar hamertjes en gutsen opruimde. Weer ergens anders zat een man met zijn handen dik onder de klei achter een draaischijf voor de hete bakstenen oven. Zowel mannen als jongens, behalve de jongsten, droegen de cadin’sor, de jas en kniebroek in grijs en bruin, maar er waren vaak geringe verschillen tussen krijgers en ambachtslieden, zoals een kleiner mes of ook vaak helemaal niets aan de riem, misschien een sjoefa zonder de sluier. Toen hij echter een wapensmid een speer zag optillen waaraan net een blad van een voet lang was vastgeklonken, twijfelde Rhand er niet aan dat de man hem even vaardig kon gebruiken als maken.

Het was niet druk op de paden, maar er waren veel mensen buiten. Kinderen lachten, holden en speelden, de kleine meisjes speelden even vaak met speelgoedsperen als met een pop. Gai’shain droegen grote aardewerken waterkruiken op het hoofd of wiedden het onkruid, vaak onder leiding van een kind van tien of twaalf. Mannen en vrouwen hielden zich bezig met alledaagse klusjes en die verschilden niet wezenlijk van de dingen die in Emondsveld gebeurden, of het nu het aanvegen van de stoep of het herstellen van een muur was. De kinderen merkten hem amper op, ondanks zijn rode jas en laarzen met dikke zolen, en de gai’shain waren zo ingetogen dat moeilijk viel op te maken of ze hem zagen. Maar de ambachtslui en krijgers, de volwassen mannen en vrouwen keken hem onzeker aan, zich afvragend wat hij zou gaan doen.

Heel jonge jongens renden barrevoets rond in kleren die veel op die van de gai’shain leken, maar dan in het grijs en bruin van de cadin’sor. De kleinste meisjes sprongen eveneens op blote voeten rond, in korte rokjes die soms amper de knieën bedekten. Er viel hem iets op aan de meisjes: tot ongeveer een jaar of twaalf droegen ze het haar in twee vlechten, een bij ieder oor, gevlochten met kleurige linten. Net als Egwene. Het moest toeval zijn. Waarschijnlijk was ze ermee gestopt omdat een Aielvrouw haar had verteld dat heel jonge meisjes hun haar zo droegen. Het was trouwens stom om daar nu aan te denken. Op dit moment had hij maar met één vrouw iets af te handelen: Aviendha.

Op de bodem van de rotsvallei waren de kramers druk aan het handelen met de Aiel die zich rond de huifkarren hadden verzameld. Tenminste, de voerlieden waren er, en Keille, met een blauwkanten sjaal aan haar ivoren haarklemmen, die vandaag luid stond te loven en te bieden. Kadere zat in een roomkleurige jas op een omgekeerd vat in de schaduw van zijn witte wagen zijn gezicht droog te vegen en deed geen enkele poging om iets te verkopen. Hij kreeg Rhand in het oog en deed een poging op te staan, maar liet zich toch weer zakken. Isendre was nergens te zien, maar tot Rhands verbazing wel Natael, die in zijn lapjesmantel een hele stoet kinderen en enkele volwassenen had getrokken. Blijkbaar had de aantrekkingskracht van een nieuwer en groter publiek hem van de Shaido weggelokt. Of misschien wilde Keille een oogje op hem houden. Hoewel ze totaal opging in haar handel, vond ze tussendoor toch nog tijd om regelmatig met een zware frons naar hem te kijken.

Rhand vermeed de wagens. Toen hij het enkele Aiel vroeg, vertelden ze hem waar de Jindo’s heen waren gegaan. Ieder was hier in Koudrots onder het dak van zijn krijgsgenootschap. Het dak van de Speervrouwen lag halverwege de oostwand, nog volop in de zon, eveneens met een moestuin op het dak, en ongetwijfeld vanbinnen groter dan het vanbuiten leek. Niet dat hij naar binnen mocht. Twee Speervrouwen die met speren en schilden op hun hurken naast de deur zaten, weigerden hem toegang, vermaakt en geschokt dat een man naar binnen wilde, maar wilden wel zijn verzoek binnen doorgeven. Even later kwamen de Speervrouwen van de Jindo en Negendalen die in de Steen waren geweest, naar buiten. Plus alle andere Speervrouwen van de Negendalensibbe in Koudrots. Ze vulden het pad en klommen op het dak tussen de groentebedden om toe te kijken, grijnzend alsof ze iets vermakelijks verwachtten. Gai’shain, zowel mannen als vrouwen, volgden en gingen rond met kleine bekertjes donkere sterke thee. De regel die verbood dat mannen niet onder het dak van de Speervrouwen mochten komen, gold blijkbaar niet voor de gai’shain. Nadat hij verschillende aanbiedingen had bekeken, bood Adelin, de blonde Jindovrouw met het smalle litteken op haar wang, hem een brede ivoren armband aan van fijn bewerkte rozen. Hij vond het eigenlijk wel passen bij Aviendha, omdat de onbekende maker heel fijne doorntjes tussen de rozen had uitgesneden.