Выбрать главу

Zelfs voor een Aielvrouw was Adelin lang; ze reikte bijna tot Rhands ogen. Toen ze hoorde waarom hij zoiets wilde hebben – niet echt, want hij zei alleen dat het een geschenk was vanwege de lessen van Aviendha en niet om haar om te kopen zodat ze wat gezeglijker zou worden – keek Adelin om naar de andere vrouwen. Niemand grinnikte meer, hun gezichten stonden uitdrukkingsloos. ‘Ik neem hier geen prijs voor aan, Rhand Altor,’ zei ze en legde de armband in zijn hand. ‘Is dit verkeerd?’ vroeg hij. Hoe zou een Aielse het opvatten? ‘Ik wil Aviendha op geen enkele wijze oneer bezorgen.’

‘Het zal haar niet onteren.’ Ze wenkte een vrouwelijke gai’shain nader met aardewerken bekers en een kan op een zilveren dienblad. Ze schonk twee bekers in en gaf hem er een. ‘Gedenk de eer,’ zei ze terwijl ze een teugje nam uit zijn beker.

Aviendha had het hierover nooit gehad. Onzeker nam hij ook een slokje bittere thee en herhaalde: ‘Gedenk de eer.’ Het leek hem het veiligste. Tot zijn verrassing gaf ze hem een lichte kus op beide wangen. Een oudere vrouw, grijs maar met harde trekken, kwam voor hem staan. ‘Gedenk de eer,’ zei ze en nam een slokje. Hij moest dit ritueel met iedere aanwezige Speervrouwe afwikkelen en op het laatst raakte hij alleen maar met zijn lippen de beker aan. De omgangsvormen met de Aiel mochten dan kort en ter zake zijn, maar als je dat zeventig keer moest herhalen, konden al die teugjes je ook een volle maag bezorgen. Schaduwen beklommen reeds de oostwand van de vallei toen het hem lukte weg te komen. Hij trof Aviendha aan bij Lians huis, waar ze verwoed een blauwgestreept tapijt over een lijn stond te kloppen, terwijl er naast haar nog een hele stapel lag. Ze streek haar bezwete haren van het voorhoofd en staarde hem nietszeggend aan toen hij haar de armband gaf en haar zei dat het een geschenk was als dank voor haar lessen. ‘Ik heb armbanden en halskettingen gegeven aan vriendinnen die de speer niet droegen, Rhand Altor, maar ik heb er nooit een gedragen.’ Haar stem verried geen enkel gevoel. ‘Dit soort dingen rammelt en maakt herrie wanneer je stil moet zijn. Ze blijven haken wanneer je je snel moet bewegen.’

‘Maar nu je Wijze wordt, kun je hem toch dragen?’

‘Ja.’ Ze draaide de ivoren armband rond en rond, alsof ze niet zeker wist wat ze ermee zou doen, maar stak er toen opeens haar hand door en hield haar pols omhoog om hem te bekijken. Een handboei zou ze op dezelfde wijze hebben bekeken.

‘Vind je hem niet mooi, Aviendha? Adelin zei dat het jouw eer niet zou aantasten. Ze leek het zelfs wel goed te keuren.’ Hij vertelde haar over de teugjes thee en ze kneep haar ogen dicht en rilde. ‘Wat is er verkeerd aan?’

‘Ze denken dat je mijn belangstelling probeert te wekken.’ Hij zou nooit hebben geloofd dat haar stem zo vlak kon klinken. Haar ogen straalden geen enkel gevoel uit. ‘Ze hebben hun instemming gegeven, alsof ik nog steeds de speer draag.’

‘Licht! Dat valt eenvoudig recht te zetten. Ik wil niet dat...’ Hij zweeg abrupt toen haar ogen vuur en vlam spogen.

‘Nee! Je hebt hun instemming aanvaard en nu wil je die gaan afwijzen? Dat zou mij écht onteren. Denk je dat je de eerste man bent die mijn blik probeert op te vangen? Ze moeten maar blijven denken wat ze nu denken. Het betekent niets.’ Met een grimas greep ze de gevlochten mattenklopper met beide handen beet. ‘Ga weg.’ Met een blik op de armband voegde ze eraan toe: ‘Jij weet echt niets, hè? Je weet niets. Het is niet jouw schuld.’ Ze leek iets te herhalen wat iemand tegen haar had gezegd of probeerde nu zichzelf te overtuigen. ‘Het spijt me dat ik je maaltijd heb bedorven, Rhand Altor. Ga alsjeblieft weg. Amys heeft me gezegd dat ik al deze kleden en tapijten moet kloppen, al kost het me de hele nacht. En zolang zal het inderdaad duren als jij hier blijft praten.’ Ze keerde hem de rug toe en gaf het gestreepte tapijt een oplawaai zodat de ivoren armband aan haar pols naar haar hand klapte.

Hij wist niet of haar verontschuldiging voortkwam uit zijn geschenk of vanwege een opdracht van Amys – hij vermoedde het laatste – maar het klonk wel alsof ze het meende. Ze was zeker niet erg blij – aan het ingespannen gekreun te horen bij iedere uithaal met de klopper – maar ze had geen moment haatdragend gekeken. Van streek, afkerig, kwaad zelfs, maar niet haatdragend. Dat was beter dan niets. Misschien werd ze nog eens beschaafd.

Toen hij de bruine tegels opstapte van de hal in Lians huis, waren de Wijzen met elkaar in gesprek; ze hadden allevier de sjaal los over hun ellebogen. Het gesprek viel stil toen hij verscheen. ‘Ik zal je je slaapkamer laten wijzen,’ zei Amys. ‘De anderen zijn al naar bed.’

‘Dank je.’ Hij wierp een blik naar de deur, licht fronsend. ‘Amys, heb je Aviendha bevolen dat ze zich vanwege het eten moet verontschuldigen?’

‘Nee. Heeft ze dat gedaan?’ Haar ogen keken even nadenkend; hij meende dat Bair bijna moest glimlachen. ‘Zoiets zou ik haar nooit opdragen, Rhand Altor. Een gedwongen verontschuldiging is geen verontschuldiging.’

‘Het meisje is alleen gezegd tapijten te kloppen tot ze zich wat beter kan beheersen,’ zei Bair. ‘Al het andere komt van haarzelf.’

‘En ze hoeft niet te hopen daardoor aan haar werk te kunnen ontkomen,’ voegde Seana eraan toe. ‘Ze moet leren haar buien te beheersen. Een Wijze dient haar gevoelens te beheersen, niet het omgekeerde.’ Met een klein glimlachje keek ze kort opzij naar Melaine. De hoogblonde vrouw perste haar lippen op elkaar en snoof.

Ze probeerden hem te overtuigen dat Aviendha van nu af aan verrukkelijk gezelschap zou betekenen. Dachten ze echt dat hij blind was? ‘Jullie dienen te weten dat ik het weet. Over haar. Dat zij door jullie gestuurd is om mij te bespieden.’

‘Je weet niet zoveel als je denkt,’ zei Amys als een echte Aes Sedai, met verborgen betekenissen in haar woorden die ze nooit zou uitleggen. Melaine verschoof haar sjaal en nam hem schattend van top tot teen op. Hij wist iets van Aes Sedai. Als zij een Aes Sedai zou zijn, zou ze bij de Groene Ajah horen, ik geef toe,’ zei ze, ‘dat we eerst dachten dat je niet verder zou kijken dan je neus lang is. Ze is een knap meisje, en voor haar geldt dat jij knap genoeg bent om jouw gezelschap aangenamer te vinden dan het onze. Maar we hadden niet aan haar scherpe tong gedacht. Of aan andere dingen.’

‘Waarom willen jullie dan zo graag dat ze bij me blijft?’ Zijn stem klonk verhitter dan hem lief was. ‘Jullie denken toch niet dat ik haar iets zal onthullen wat ik jullie niet wil vertellen?’

‘Waarom sta je toe dat ze bij je blijft?’ vroeg Amys kalm. ‘Als je haar had geweigerd, hoe kunnen we haar dan opdringen?’

‘Op deze manier weet ik tenminste wie de verspieder is.’ Het was beter Aviendha vlak naast zich te weten dan zich voortdurend af te vragen welke Aiel hem in de gaten hield. Zonder haar zou hij vermoedelijk bij iedere terloopse opmerking van Rhuarc aannemen dat hem iets ontfutseld moest worden. Natuurlijk wist hij nooit zeker of dat niet toch het geval was. Rhuarc was met een van deze vrouwen getrouwd. Opeens was hij blij dat hij het stamhoofd niet meer had toevertrouwd. En bedroefd dat hij dat nu dacht. Waarom had hij ooit gemeend dat de Aiel eenvoudiger in de omgang waren dan de hoogheren van Tyr? ik ben er tevreden mee om haar te laten waar ze nu is.’

‘Dan zijn we allemaal tevreden,’ zei Bair.

Hij keek de vrouw met het verweerde gezicht achterdochtig aan. Er had in haar woorden doorgeklonken dat ze meer wist dan hij. ‘Ze zal niet ontdekken wat jullie willen.’

‘Wat wij willen?’ snauwde Melaine. Haar lange haren zwaaiden wild rond toen ze fel opkeek. ‘De voorspelling zegt dat “een rest van een rest gered zal worden”. Wat wij willen, Rhand Altor, Car’a’carn, is het grootste deel van ons volk redden, zoveel als mogelijk is. Wat je afstamming ook mag zijn, wat je gezicht ook kan tonen, jij voelt niets voor ons. Ik zal ervoor zorgen dat jij ons bloed als het jouwe kent, al zou ik zelf...’