Выбрать главу

‘Ik neem aan,’ zei Amys snel en gladjes, ‘dat hij nu graag zijn slaapkamer zou willen zien. Hij ziet er moe uit.’ Ze klapte fel in haar handen en een slanke vrouwelijke gai’shain verscheen. ‘Breng deze man naar de kamer die voor hem is klaargemaakt. Breng hem alles wat nodig is.’

Ze verlieten hem en stapten naar de deur. Bair en Seana loerden even fel naar Melaine als de leden van de vrouwenkring naar iemand die ter verantwoording moest worden geroepen. Melaine negeerde hen. Voor de deur achter hen dichtviel, mompelde ze iets als ‘die dwaze meid wat gezond verstand bijbrengen’.

Welke meid? Aviendha? Die deed al wat ze wilden. Egwene misschien? Hij wist dat ze iets aan het leren was bij de Wijzen. En wat wilde Melaine dan zelf doen, zodat hij ‘hun bloed als het zijne zou leren kennen’? Hoe kon zij iets doen waardoor hij zich Aiel zou voelen? In de val laten lopen? Dwaas! Ze zou nooit ronduit zeggen dat ze zoiets zouden doen. Wat zou ze doen? In bed liggen, dacht hij, zachtjes lachend. Hij was moe. Te vermoeid voor vragen nu, na meer dan twaalf dagen in die droge hitte in het zadel te hebben gezeten. Hij dacht er maar liever niet over na hoe hij zich zou hebben gevoeld als hij diezelfde afstand zo snel te voet had moeten afleggen. Aviendha moest benen van staal hebben. Hij wilde naar bed.

De gai’shain was een lief, zilverharig meisje, ondanks het kleine litteken schuin boven haar lichtblauwe ogen. Ook een Speervrouwe, maar niet nu. ‘Wilt u me alstublieft volgen?’ mompelde ze met neergeslagen ogen.

De slaapkamer was natuurlijk geen vertrek met een bed. Het was niet echt een verrassing dat het ‘bed’ bestond uit een dikke strozak op vele lagen felgekleurde kleden. De gai’shain – ze heette Chion – leek geschokt toen hij haar vroeg om waswater, maar hij was die zweetbaden zat. Hij wilde er wat om verwedden dat Moiraine en Egwene niet in een stoomtent hoefden te zitten om zich te wassen. Maar Chion bracht het water, warm en wel, in een grote bruine kan die bedoeld was voor de tuin en met een grote witte waskom. Hij joeg haar de kamer uit toen ze aanbood hem te wassen. Een vreemd volk, allemaal! De kamer had geen vensters en werd verlicht door zilveren lampen die aan haken aan de muur hingen, maar hij wist dat het buiten nog niet helemaal donker was toen hij zich had gewassen. Het maakte hem niet uit. Er lagen maar twee dekens op de strozak en geen van beide was erg dik. Ongetwijfeld een bewijs van Aielse hardheid. Toen hij aan de vele koude nachten in de tent dacht, kleedde hij zich weer aan, op zijn jas en laarzen na, voor hij de lampen uitblies en in het pikkedonker onder de dekens kroop.

Ondanks zijn vermoeidheid bleef hij woelen en piekeren. Wat had Melaine met haar ‘zelf doen’ bedoeld? Waarom gaven de Wijzen er niet om dat hij wist dat Aviendha hem in het oog moest houden? Aviendha. Een leuk meisje, al was ze bokkiger dan een muilezel met vier zere hoeven. Zijn ademhaling ging langzamer en zijn gedachten werden mistig. Een maand. Te lang. Geen keus. Eer. Isendres glimlach. Kaderes geloer. Val. Een val zetten? Wiens val? Welke val? Valstrikken. Kon hij Moiraine maar vertrouwen. Perijn. Thuis. Perijn was waarschijnlijk aan het zwemmen in...

Met gesloten ogen kliefde Rhand door het water. Heerlijk koel. En zo nat. Het leek wel of hij nooit eerder had gevoeld hoe heerlijk nat voelde. Hij hief het hoofd en keek om naar de wilgen aan de ene kant van de poel; op de andere oever stond een grote eik die zijn dikke schaduwrijke takken over het water uitstrekte. Het Waterwold. Fijn om weer thuis te zijn. Hij had het gevoel dat hij weg was geweest. Waarheen was niet erg duidelijk, maar dat was ook niet zo belangrijk. Naar Wachtheuvel en terug. Ja. Verder was hij toch nooit geweest. Koel en nat. En alleen.

Opeens schoten er twee lijven door de lucht, met de knieën tegen de borst geklemd. Ze belandden met zo’n enorme plons in het water dat het in z’n ogen spatte. Terwijl hij het water wegschudde, zag hij naast zich Elayne en Min, die hem met hun hoofden vlak boven het bleekgroene watervlak toelachten. In twee slagen kon hij bij een van de twee vrouwen komen. Waarbij hij de ander links zou laten liggen. Je kon toch niet van allebei houden? Van ze houden? Hoe was dat bij hem opgekomen?

‘Jij weet niet wie jij liefhebt.’

Hij draaide zich met veel opspattend water om. Aviendha stond op de oever en ze droeg een cadin’sor, geen rok en hemd. Ditmaal leek ze niet boos, maar stond gewoon te kijken. ‘Kom het water in,’ zei hij. ‘Ik zal je leren zwemmen.’

Muzikaal gelach trok zijn ogen naar de andere oever. De vrouw die daar stond, was bleek en naakt, maar de mooiste vrouw die hij ooit had gezien, met grote donkere ogen die hem deden duizelen. Hij meende haar te kennen.

‘Moet ik je ontrouw toestaan, al is het maar in een droom?’ zei ze. Zonder naar Elayne, Aviendha en Min te kijken wist hij dat ze er niet meer waren. Dit begon wel heel gek aan te voelen. Heel lang nam ze hem op, zich volledig onbewust van haar naaktheid. Langzaam ging ze op de toppen van haar tenen staan, haar armen zwaaiden op en met een sierlijke duik dook ze de poel in. Toen haar hoofd weer boven water kwam, was het glanzende zwarte haar niet nat. Dat leek heel even verbazingwekkend. Toen was ze bij hem – had ze gezwommen of was ze er gewoon? – en sloeg haar armen en benen om hem heen. Het water was koel, haar lichaam warm. ‘Je kunt me niet ontkomen,’ mompelde ze. Haar donkere ogen leken nog veel dieper dan de poel. ik zal ervoor zorgen dat je hier zo van geniet dat je het nooit meer zult vergeten, of je nu waakt of slaapt.’ Of slaapt... Alles veranderde, werd een waas. Ze omklemde hem nog steviger en het waas verdween. Alles was weer zoals het geweest was. Rietstengels aan de ene kant van het water, en aan de andere kant lederblad en pijnbomen bijna tot aan het water.

‘Ik ken je,’ zei hij langzaam. Hij dacht tenminste van wel, want waarom zou hij dit anders goedvinden? ‘Maar ik... nee... Dit is niet juist.’ Hij probeerde zich los te trekken, maar zodra hij een arm los had, klemde zij zich weer om hem heen.

‘Ik zou je moeten merken.’ Haar stem klonk fel. ‘Eerst dat kalf van een Ilyena en nu... Hoeveel vrouwen koester jij in je gedachten?’ Opeens beten haar kleine witte tanden in z’n nek.

Met een kreet duwde hij haar weg en bracht zijn hand naar zijn nek. Ze had hem echt gebeten; hij bloedde.

‘Dus op deze wijze vermaak jij je, wanneer ik me afvraag waar je bent?’ zei een mannenstem verachtelijk. ‘Waarom zou ik me overal aan moeten houden als jij ons plan op deze manier in gevaar brengt?’ Opeens stond de vrouw weer op de oever, gekleed in het wit, met een gevlochten zilveren gordel om haar slanke middel en zilveren sterren en maansikkels in haar nacht-donkere haren. Achter haar steeg het land langzaam op naar een bos essen op een heuvel. Hij herinnerde zich niet hier ooit eerder essen te hebben gezien. Ze stond naar een-vage vlek te kijken. Een dikke, grijze, manshoge trilling in de lucht. Op de een of andere manier was dit allemaal... verkeerd. ‘Gevaar,’ spotte ze. ‘Jij vreest gevaren evenzeer als Moghedien, nietwaar? Je zou net als de Spin veel liever willen rondkruipen. Als ik jou niet uit je gat had getrokken, zou jij je nog steeds verstoppen en wachten tot je wat restjes krijgt toegegooid.’

‘Als jij je... verlangens niet kunt intomen,’ zei het waas met een mannenstem, ‘waarom zou ik me dan met jou inlaten? Als ik gevaar moet lopen, wil ik een grotere beloning dan aan de touwtjes van een pop te mogen trekken.’

‘Wat bedoel je?’ zei ze dreigend.

Het waas trilde. Op de een of andere manier wist Rhand dat het aarzeling was, onzekerheid over de vraag of die man te veel had gezegd. En toen was het waas opeens verdwenen. De vrouw keek naar hem en hij lag nog steeds tot aan zijn nek in het water. Haar mond verstrakte van ergernis en ze verdween.